Birma: de zonen van Boeddha in de frontlinie

‘Naast een krankzinnige hond kun je niet slapen’

De boeddhistische monniken in Birma zijn voor velen toonbeelden van harmonie en tolerantie. Maar achter die serene aanblik schuilt een afkeer van alles wat ‘buitenlands’ is, zoals de Rohingya.

Medium gettyimages 691556548
Mandalay, 31 mei 2017. Monniken voor het Ma Soe Yein-klooster. Op de achtergrond een aanplakbord met foto’s van vermeende gruweldaden van moslims tegen boeddhisten © Lauren DeCicca / Getty Images

Thein Htaik Oe stuurt me weer regelmatig zijn gedachten nu 650.000 moslim-Rohingya met gruwelijk geweld uit zijn overwegend boeddhistische vaderland verdreven zijn. Hij was destijds de eerste die me op het spoor zette van de complexe rol van boeddhistische monniken in Birma.

In het begin van de jaren negentig struinden we samen dagenlang door de jungle om over de burgeroorlog te berichten. Behalve de rol van tolk had hij zich ook die van bodyguard aangemeten, hetgeen gelukkig tamelijk overbodig bleek.

Mijn metgezel was zo berooid dat hij voor onze trip langs de frontlinie legerlaarzen van vrienden had geleend. Met zelfspot liet hij me zien dat het twee verschillende waren. De lange slungel met zijn laconieke humor beviel me, al brak ik aanvankelijk mijn tong over zijn naam. Regelmatig zat hij in het vale licht van de vroege ochtend met mijn wereldontvanger tegen zijn oor of met een boek op schoot. Dan stonden zijn haren nog overeind van de slaap en leunde zijn kalasjnikov vergeten tegen zijn tas. Hij wilde radiojournalist worden.

Het conflict tussen de etnische minderheden en het Birmese regime dat toen al ruim vier decennia duurde, mocht dan door de wereld vergeten zijn, minder dramatisch was het daarom niet. In de rivier dreven vrijwel dagelijks verminkte, opgezwollen lijken voorbij, boten vol gewonden raceten naar bamboe ziekenhuizen en ontsnapte burgers die door het Birmese leger als lastdieren en mijnenvegers waren ingezet, strompelden uitgeput rond tussen de afdakjes van de legerkampen.

Groepjes monniken kwamen de guerrillastrijders aanmoedigen. Potige types waren het; de bicepsen die uit hun pijen staken, deden niet onder voor de spierbundels van toegewijde leden van een sportschool. Een van hen had de bijnaam Rambo. Hij vertelde dat hij gewapend verzet als de enige effectieve strategie tegen het militaire regime beschouwde.

Bij mij wilde de gedachte dat boeddhisten tot een betere soort behoren dan andere stervelingen er nooit zo in. Het zijn net mensen, immers. En zo lang ik me kon heugen keek ik met eenzelfde scepsis naar de zonen van Boeddha, zoals de monniken worden genoemd. Toch was ik verbaasd ze in de frontlinie aan te treffen.

In de levensloop van Thein Htaik Oe school de verklaring voor hun aanwezigheid. ’s Avonds, als de hemel met sterren bestrooid raakte en de cicaden hun geraas aanhieven, verdween de oorlog naar de achtergrond. Dan kwamen zijn persoonlijke verhalen los. Zijn bestaan als student in Rangoon nam een dramatische wending toen hij in 1988 meedeed aan de demonstraties tegen het bewind. De protesten tegen de armoede en de onderdrukking werden massaler en toen op veel plaatsen het bestuur begon te wankelen namen monniken het gezag over. Die rol paste bij hun traditionele verantwoordelijkheid als mentor, moreel leider en bemiddelaar bij conflicten in de samenleving. De kloosters fungeerden als zenuwcentra.

Na enkele roerige maanden sloeg het leger de opstand neer en Thein Htaik Oe dook onder in de kloosters in en rond Mandalay waar honderden novieten studeren. Kaalgeschoren en in pij nam hij soms deel aan de rituelen, op andere momenten stond hij tussen de bedelnappen politieke pamfletten te stencilen. Dat kon alleen maar dankzij de steun van enkele leidinggevende monniken die even weinig met het regime op hadden als hijzelf. Het paste volgens hen bij de leer van Boeddha om op te treden als heersers hun macht over de bevolking misbruiken. Toen militairen enkele maanden later de kloosters binnenvielen, vluchtten diverse monniken net als Thein Htaik Oe naar de jungle. Daar sloten zij zich aan bij een bonte coalitie van gewapende en ongewapende verzetsgroepen in het thuisland van de Karen in Oost-Birma.

Het verhaal wekte mijn nieuwsgierigheid. Ik zocht verder hoe het zat met het boeddhisme in het land dat inmiddels onder mijn huid gekropen was. In de voetsporen van Thein Htaik Oe reisde ik naar Mandalay, het boeddhistische hart van het land. Ik kwam terecht in een uitgestrekte compound met verweerde gebouwen, grillige banyanbomen en honderden novieten die hun rituelen van studie en gebed uitvoerden. Het uitgestrekte terrein van het Ma Soe Yein-klooster ademde de sfeer van een tijdloze wereld, ver van Birma’s politieke en economische misère.

De bedwelmende beelden maakten het niet moeilijk te begrijpen waarom zo veel westerse bezoekers dweepten met de zonen van Boeddha als toonbeelden van harmonie, tolerantie en onthechting. Maar ik leerde dat achter die serene aanblik verdeeldheid schuilging. Terwijl sommige monniken het verzet tegen de dictatuur nog altijd steunden, waren er anderen die vonden dat ze zich niet met politiek in moesten laten. Weer anderen, onder wie enkele bekende sayadaws (leidinggevende monniken), kozen openlijk de kant van de macht. Meestal gepaaid door douceurtjes van de militairen zoals fourwheeldrives, nieuwe kantoren, tv-toestellen en stapels cash. Zij bemanden de officiële monnikenorde, de Sangha. Ze verschenen zo vaak in gezelschap van het leger op de staats-tv dat mensen begonnen te grappen dat die maar twee kleuren kende: groen en oranje.

‘Wie bij moslims spullen koopt zal bijdragen aan het vernietigen van ons ras en onze religie’

Toen in augustus 2007 een protest van enkele bekende dissidenten met acute arrestaties het zwijgen werd opgelegd, namen de monniken bij duizenden de demonstraties over. Ook het Ma Soe Yein-klooster kwam in actie. De wereld laafde zich aan de iconische beelden van de monniken die blootsvoets de geweerlopen tegemoet traden. Maar wie beter keek, zag ook een oude verdeeldheid terug. De meeste van de oudere en gezaghebbende monniken hielden zich verre van de protesten.

Veiligheidstroepen maakten korte metten met de opstand. Ook Ma Soe Yein werd omsingeld door het leger. Net als in veel andere delen van het land fluisterden buurtbewoners nerveuze verhalen over monniken die gevlucht of opgepakt waren. Zonder de oranje en bruinrode pijen in het straatbeeld voelde het alsof het hart uit de samenleving was gerukt, zeiden ze. Na verloop van tijd vulden de kloosters zich weer, maar voor het eerst in al die jaren viel er in Ma Soe Yein niets te bespeuren van rebellie. De gezagsgetrouwe garde en de monniken die hun leven volledig wijdden aan de leer hadden nog sterker de overhand gekregen.

Maar ook dat bleek maar een deel van het verhaal. Toen ik in 2013 opnieuw het bekende terrein op liep, geloofde ik mijn ogen niet. Tussen de novieten die op houten platforms met hun neus in de geschriften zaten, toonde een aanplakbord uitvergrote foto’s van verkoolde lijken en bloederige ledematen. ‘Dit zijn boeddhisten die door moslims aangevallen werden’, luidde het bijschrift. De monnik die opzij van de gruwelen larger than life stond afgebeeld, zag er met zijn bleke gezicht en weke trekken bepaald niet charismatisch uit. Toch raakte de boodschap van de 46-jarige Wirathu dat moslims een bedreiging voor de samenleving vormden bij velen al meteen een snaar.

Tijdens het interview was hij op zijn hoede. Nadat hij op de cover van Time belandde als het brein van de boeddhistische terreur meed hij de westerse pers zo veel mogelijk. Al snel bleek dat hij zijn betoog had gecensureerd tot een breedsprakige brij. Maar tussen die vage teksten klonken naargeestige opvattingen door. ‘Moslims proberen hun aantal te vermeerderen door Birmese meisjes te trouwen. Zo veranderen onze dorpen in moslimdorpen. De groei van moslims is een bedreiging voor ons volk en onze religie. Het is de hoogste tijd dat mensen het gevaar onderkennen. Ik houd preken om hen wakker te schudden.’

Buiten het bereik van buitenlandse ogen en oren ging hij nog heel wat harder tekeer. Tijdens zijn preken verkondigde hij: ‘Je kunt nog zo vervuld zijn van zachtmoedigheid en liefde, maar naast een krankzinnige hond kun je niet slapen.’ Hij waarschuwde dat islamitische burgers met hun rijkdom boeddhistische meisjes verleidden tot trouwen en pleitte voor een verbod op gemengde huwelijken. Ook riep hij op tot een boycot van winkels met moslimeigenaren. ‘Wie bij moslims spullen koopt zal bijdragen aan het vernietigen van ons ras en onze religie.’

Ook toegewijde boeddhisten die niet per se anti-islamitisch zijn, zien Wirathu en zijn beweging toch als degenen die de meest zuivere leer van het boeddhisme preken en in ere houden in een samenleving die aan veranderingen onderhevig is. Met hun afkeer van alles wat ze als buitenlands beschouwen, borduren de fanatieke Wirathu en zijn medestanders voort op een verleden. Toen de Britten in de negentiende eeuw de Birmese monarchie beëindigden en het land onderdeel maakten van de kolonie India raakte de stroming binnen de monnikenorde die van oudsher als adviseur van het hof fungeerde deze rol kwijt. Het boeddhisme werd losgekoppeld van de monarchie en de staat.

Uit protest nam een aantal monniken een leidende rol in de onafhankelijkheidsbeweging. Ook toen in 1948 de vlag van het nieuwe Birma gehesen werd, leefde onder een deel van de monniken een diepgewortelde argwaan voort tegenover alles wat buitenlands is.

Het straatbeeld oogt heel wat toleranter. In de meeste grotere plaatsen steken tussen de stupas van pagoda’s en de torens van kerken en hindoetempels ook de ranke minaretten van moskeeën naar de hemel. Toen ik verder zocht hoe ver de verdraagzaamheid in het dagelijks leven reikte, kwam ik opnieuw terecht bij mijn oude vriend Thein Htaik Oe. Hoewel ik ook zijn echtgenote en haar ouders kende, was nooit eerder ter sprake gekomen dat zijn schoonvader moslim was. In mijn gesprekken met Thein Htaik Oe voerde de politieke situatie vrijwel altijd de boventoon en ook zijn echtgenote en haar ouders hadden als dissident andere prioriteiten dan religie. Maar toen ik na mijn bezoek aan het Ma Soe Yein-klooster doorvroeg over hun verbintenis bleek die heel wat lastiger te zijn dan ik vermoedde. Wantrouwen tegen moslims was een oud fenomeen, al vielen er in die discriminerende onderstroom ook altijd voorbeelden van vriendschappen en sociale cohesie te bespeuren.

De militairen die na een wankele periode van democratie in 1962 de macht grepen, voerden decennialang een beleid waarbij de Birmaanse boeddhistische meerderheid superieur was aan de talloze bevolkingsgroepen met een andere etnische of religieuze achtergrond. Vooral moslims werden zwart gemaakt. Die aanpak viel in een vruchtbare voedingsbodem. Moslims en boeddhisten leefden van oudsher naast elkaar, maar onderling was er weinig contact en gemengde huwelijken waren niet erg gebruikelijk. Bij veel boeddhisten mengde afkeer van een totaal andere levenswijze zich met jaloezie over het financiële succes van islamitische zakenlieden.

Regelmatig gebruikte het regime moslims als zondebokken om de aandacht van het eigen falen af te leiden. Bij de talloze incidenten bleven veiligheidstroepen verdacht afwezig in een land waar elke andere samenscholing meteen de kop in werd gedrukt, of ze rukten pas in een laat stadium uit.

De etnische minderheid de Rakhine voelt zich klem gezet tussen islamisering en birmanisering

De visie van de Birmaanse machthebbers en de opvattingen van de fanatieke monniken pasten prima bij elkaar. Het was veelzeggend dat na de tussentijdse verkiezingen van 2012, waarbij de partij van Aung San Suu Kyi een monsterzege behaalde, Wirathu en zijn medestanders alle ruimte kregen. Hun boodschap werd expliciet politiek. Ze waarschuwden dat de Nationale Liga voor Democratie van Aung San Suu Kyi een pro-islampartij was die het land zou uitleveren aan de moslims. Op sociale media circuleerden foto’s van Suu Kyi omringd door imams. De vechtende pauw, het symbool van de partij, werd snierend de moslimpauw genoemd. Directe banden tussen de extremistische monniken en de oude macht die de positie van de populaire Suu Kyi zo veel mogelijk wilde ondermijnen zijn nog steeds moeilijk aan te tonen, maar enkele gefortuneerde hardliners werden regelmatig gezien in Wirathu’s gezelschap. Zijn beweging beschikte van meet af aan over aanzienlijke financiën en organisatiekracht.

De aanvallen tegen moslimgemeenschappen staken de kop weer op. Toen ik in 2012 en 2013 enkele plaatsen bezocht waar het geweld was opgelaaid bleek het patroon vaak hetzelfde. Nadat Wirathu of een van zijn collega’s hun opruiende boodschap hadden verkondigd trokken onbekende knokploegen de gemeenschap in om te brandschatten in moslimwijken. Veiligheidstroepen kwamen pas laat in actie. Tot een berechting van de aanstichters kwam het zelden. Soms mengden buurtbewoners zich in de aanvallen, maar er waren ook telkens verhalen hoe moslims beschermd werden door hun omgeving en hoe burgers de vlammen doofden. Uit mededogen, maar ook omdat men besefte dat de provocaties bedoeld waren om het leger als onmisbare hoeder van de natie neer te zetten en het fragiele proces van democratisering en de positie van Aung San Suu Kyi te ondermijnen.

Ondertussen vlamde in de westelijke Rakhine-staat een oud probleem weer op. En ook daar mengde de boodschap van de monniken zich met die van politici. Terwijl elders de meeste moslims Birmees spraken en met hun gemeenschappen min of meer integreerden in de samenleving leefde in de Rakhine-staat het grootste deel van de naar schatting een miljoen Rohingya-moslims onder een apartheidssysteem zonder staatsburgerschap of basisrechten. In de jaren zeventig en negentig werden al tienduizenden van hen naar Bangladesh verdreven.

In het vrijere klimaat dat dankzij fragiele hervormingen na 2011 ontstond, begonnen fanatieke monniken en een lokale nationalistische partij zich te roeren. Ze benadrukken dat de Rakhine-staat de frontlinie vormt tegen oprukkende islamisering vanuit het westen. In zijn grote van vocht doortrokken klooster met zware pilaren vatte de monnik U Aria Vansa het als volgt samen: ‘Moslims zijn wrede mensen. Ze stelen, verkrachten en onthoofden. De moslims hier manipuleren de Verenigde Naties en de wereld met hun slachtofferrol. Maar in werkelijkheid willen ze ons land en onze religie overnemen.’

Ook al maken moslims slechts zo’n vier procent van de totale bevolking van ongeveer 55 miljoen uit, de inwoners van de Rakhine-staat zijn extra vatbaar voor de alarmerende boodschap. De etnische minderheid de Rakhine is tientallen jaren door de grotendeels Birmaanse overheid verwaarloosd en overheerst en voelt zich klem gezet tussen islamisering en birmanisering. Ook al wonen de meeste Rohingya al generaties lang in de streek, ze worden door velen als illegale inwoners beschouwd die het penibele bestaan in een van de armste staten van het land voor anderen nog verder vergallen. Ook grootschalige economische projecten, conflicten rond het eigendom van land en de handel in amfetamine zetten de samenleving onder druk. En hoe groter de onzekerheid over de toekomst, hoe meer de inwoners zich verschansen in de boeddhistische identiteit die hun door monniken en politici wordt voorgehouden.

Na de aanvallen van de militante Rohingya-beweging arsa op een dertigtal politieposten en een legerbasis eind augustus 2017, namen ook in de rest van het land de islamofobie en de angst voor terroristische aanslagen toe.

Onder de nieuwe regering kreeg Wirathu vorig jaar van de officiële monnikenorde vanwege haatzaaien een verbod tot preken. Maar zijn Ma Ba Tha-beweging opereert onder een andere naam verder. Op sociale media, waar hij en zijn medestanders vermoedelijk ook met een aantal nepaccounts actief zijn, woekert het gif voort. Vrijwel nergens is het internetgebruik de afgelopen jaren zo explosief gestegen als in Birma. Na een decennialang dieet van staatspropaganda en input van onafhankelijke media uit de diaspora zijn Birmezen in sneltreinvaart op de elektronische snelweg beland. Velen nemen de overdosis berichten van haat en paniek op Facebook voetstoots voor waar aan, net als de beschuldigingen dat buitenlandse media de vervolging van de Rohingya overdrijven en geen aandacht besteden aan boeddhistische slachtoffers. Ook de trauma’s van het leven onder een dictatuur maken de samenleving kwetsbaar voor gemanipuleerde angst en vijanddenken.

Thein Htaik Oe heeft zijn oude droom om radiojournalist te worden waargemaakt. Hij werkt bij de Birmese afdeling van The Voice of America in Washington en bezoekt zijn vaderland regelmatig. Hij schrijft me over de twistgesprekken waarin hij tegenwoordig maar al te vaak belandt. Als een van de weinigen uit hij openlijk zijn ontzetting en schaamte over de verdrijving van de Rohingya-bevolking. Zijn pleidooi voor diversiteit en tolerantie en voor compassie met hun tragische lot vindt weinig weerklank in het klimaat waar onzekerheid over de toekomst groeit.

Zijn kritiek dat Aung San Suu Kyi en andere politieke leiders nalaten het geweld te veroordelen, valt bij de meesten al helemaal verkeerd. Zelfs Birmezen die hem in hun hart gelijk geven, spreken zich niet uit. Ze zijn bang dat de militairen zullen profiteren als de positie van Aung San Suu Kyi verder verzwakt. Ook voelt het voor velen als een vorm van landverraad om het falen van hun icoon aan te kaarten nu zij internationaal zo onder vuur ligt.

De etnische minderheden worden vooral in beslag genomen door hun eigen situatie omdat het Birmese leger in verschillende van hun woongebieden zijn operaties weer intensiveert.

De monniken spaart Thein Htaik Oe evenmin. Ook degenen die niets van Wirathu moeten hebben doen volgens hem nog steeds te weinig om moreel tegengas te geven, terwijl hun rol als spirituele leiders juist zo cruciaal is. Tijdens een recente reis is hij geschrokken van de enorme posters in verschillende kloosters van zijn vertrouwde Mandalay die boeddhistische vrouwen waarschuwen om niet met moslims te trouwen. In zijn geboortedorp werd hem zelfs geadviseerd zijn echtgenote te verruilen voor een boeddhistische levenspartner. ‘Het voelde alsof ik daar nooit heb thuis gehoord.’