KUNST

Naast Gauguin zitten

Meijer de Haan

In samenwerking met Musée d’Orsay en het Musée des Beaux Arts van Quimper toont het Joods Historisch Museum een eerste overzicht van de vergeten schilder Meijer de Haan (1852-1895). De Haan stamde uit een traditioneel joods milieu – zijn familie had een matzebakkerij in de Amsterdamse Valkenburgerstraat – waar de keuze voor het kunstenaarsvak niet makkelijk lag; toch ging hij in de leer, eerst bij P.F. Greive en daarna op de Rijksacademie. Hij zette een atelier op. Hij had leerlingen: Joseph Jacob Isaacson, Louis Hartz en Baruch Lopes de Leao Laguna. In 1888 vertrok hij naar Parijs.
De Haan stierf jong, zijn nalatenschap is klein en verspreid; de tentoonstelling is dan ook zeer overzichtelijk. De schilderijen uit zijn Amsterdamse periode zijn niet best. Het flauwe genrestukje De kleine huishoudster toont een plomp meisje met ‘de fronsblik van beginnende idioten’ in een Pieter de Hooch-achtige setting. Zijn portretten zijn bedeesd en vlak; ze tonen de invloed van Rembrandt, zegt de expositie, maar dat is een erg genereus commentaar. Wel is hij een vaardige tekenaar, zeker met zwart krijt. Zijn carrière verzandde dan ook in middelmaat. Om daar een schokeffect aan te geven produceerde De Haan een kolossaal historiestuk – nu verdwenen – gewijd aan het droevig lot van de joodse zeventiende-eeuwse dissident Uriël Acosta. Het werd in Amsterdam in het Panorama-gebouw in de Plantage tentoongesteld. De gewone pers sprak welwillend van ‘enkele mooie koppen’, de serieuze kritiek maakte er gehakt van: ‘een zwak en gevoelloos werk’, ‘een verwarde mengeling’.
Een andere kunstenaar was teruggekeerd naar de matzebakkerij, maar De Haan vertrok naar Parijs. Daar veranderde alles. Hij bevriendt Théo van Gogh, die op de kleine joodse Amsterdammer gesteld raakt, hem in huis neemt en introduceert in zijn kunstenaarskring. En zo zit de krabbelaar uit de Valkenburgerstraat opeens met Paul Gauguin – net terug van dat gedoe in Arles – in een logement in Bretagne en maakt de dochter van de kastelein zwanger.
‘De tekeningen van De Haan zijn bien beaux’, schreef Vincent van Gogh aan Théo, ‘maar om dat nu in kleur te gaan doen, uit te komen op evenveel expressie zonder het hulpmiddel van zwart-wit clair obscur, dat zal verdomd niet makkelijk zijn.’ Zo bleek. In de demonstratie van De Haans Bretonse periode, zij aan zij met Gauguin, wordt de tentoonstelling interessant. Niet omdat dan blijkt dat De Haan tóch een groot kunstenaar was, eerder het omgekeerde: aan zijn dapper werken is goed na te zien hoe nieuw de kunst van Gauguin en Van Gogh wel niet was, wat voor eisen het stelde aan talent en oefening, en ook wat er nodig was aan pure moed, om écht iets voor elkaar te boksen. Gauguin schrijft aan Vincent in januari 1890: ‘De Haan werkt hier nog altijd met mij en boekt serieuze voortgang. De nieuwe vragen over kleur hebben hem behoorlijk gekweld, maar vandaag ziet hij helder welke nieuwe weg hij moet gaan.’
In de tentoonstelling hangen naast elkaar twee stillevens met een bruine pot, oranje uien en groene appels, het ene van Gauguin, het andere van De Haan. Ze moeten naast elkaar gezeten hebben toen ze eraan werkten. Er is verschil. Gauguin voelt zich duidelijk minder gebonden aan de volumes en de vormen. Hij laat zijn tonen opgaan in de omgeving en de achtergrond, gewend aan de overgang van drie dimensies naar twee. De Haan zoekt meer houvast. Théo van Gogh zag het ook. Hij schrijft Vincent, begin februari 1890: ‘Je ziet dat hij zich zeer inspant; het is erg bestudeerd waar het kleurwaarden en de invloed van de ene toon op de andere betreft. J’aimerais y voir un peu plus de laisser aller’: het zou mooi zijn als De Haan zich wat meer had laten gaan.

De verborgen meester, Meijer de Haan. Joods Historisch Museum Amsterdam, t/m 24 januari. www.jhm.nl