Nabijer dan Naomi Campbell

Joost Zwagerman (1963) heeft niet stilgezeten. Begonnen als romancier en dichter, produceerde hij in de loop van drie decennia een ontzagwekkende stroom boeken, die vrijwel alle terreinen van het culturele leven bestrijken.

Medium zwagerman

Hij publiceerde romans, columns, essays en bloemlezingen, trad op in tv-programma’s, was actief in de wereld van de beeldende kunst en mengde zich in politieke debatten. Zwagerman is een uitzonderlijk gulzig én hardwerkend man, die er voortreffelijk in slaagt zijn merk in de markt te zetten zonder vervelend of arrogant te worden. Als literator moet hij een gelukkig mens zijn.

Maar Zwagerman is ook een dichter. Waar de prozaïst een warmbloedig maar bedachtzaam cultuurcriticus is, biedt zijn poëzie ruimte voor de lyrische roes, die niet zelden van erotische aard is. Sinds het ambitieuze Roeshoofd hemelt (2005) heeft Zwagermans dichterschap enigszins in de sluimerstand gestaan, nu is hij terug met een bundel die uiteenvalt in twee totaal verschillende helften. De afdeling ‘Inwaarts’ telt elf lange gedichten waarin de spreker, niet tot zijn genoegen, afdaalt in de krochten van het lichaam. De meeste van deze gedichten zijn verhalend van karakter en tamelijk tobberig van toon. De tweede afdeling, ‘Voor en na het meesterwerk’, bruist daarentegen van liefde en levenslust. In zestien panelen laat de dichter zijn geliefde opgaan in werken van kunstenaars als Willem de Kooning, Jan van Eyck, Jackson Pollock en Jean Tinguely. Het onderscheid tussen kunstwerk en wereld vervalt, de geliefde maakt deel uit van de schilderijen. Als ooit beeldende kunst tot leven is gekomen, dan is het hier.

De titel van het tweeluik, Voor alles, wordt verhelderd in een uitvoerige catalogus van angsten, die aldus begint:

Voor te veel mensen in een lift of streekbus
of gewoon een kamer. Voor de krans van
melkwegen, sluiers, nevels en hun zwarte gaten.

Via vrouwen, kazuifels, familieleden, schaamte en waarheid komen we terecht bij ‘saters, hufters, brede schouders’ en ‘types die met messen spelen’, om tegen het einde een ontluisterende conclusie te bereiken: ‘Voor alles altijd overtuigd, hoog in de adem/ en zuiver in de leer tot in het merg bang geweest,/ op het stupide en futiele af’. Voor alles is hij bang geweest, ‘maar niet voor jou,/ nee, niet voor jou’. Binnen het vitale oeuvre van Zwagerman is dit een opmerkelijk gedicht. Wordt hier een midlife-crisis bezworen? Of gaat het om een conceptuele vingeroefening? Hoe dan ook maakt de uitvoerige opsomming een nogal willekeurige indruk, hetgeen mede in de hand wordt gewerkt door de wat slordige penseelvoering, iets waaraan ook de bundel als geheel lijdt. Lange verzen met een slap ritme, regelafbrekingen bij onbeduidende woorden, troebele beelden, observaties die niet echt pakkend zijn – hoewel de gedichten lijken voort te komen uit een authentiek geprangd gemoed, weten ze op de vierkante centimeter niet steeds te overtuigen.

In drie gedichten staat een mislukte zelfmoordpoging van de vader van de dichter centraal. Mijn vaders cocktail, vertelt Zwagerman, bestond uit vijftien vergruisde oxazepam, tien dito rivotril, afgeblust met paracetamol, een glas water met dikbleek en drie of vier scheuten Glorix. Het mengsel blijkt niet toereikend om de dood te laten intreden, maar richt wel blijvende schade aan.

Dat is allemaal heel erg, maar levert het ook goede poëzie op? In regels als de volgende is de taal uitermate vlak:

Via vrouwen, kazuifels, schaamte en waarheid komen we terecht bij ‘types die met messen spelen’

Niet dat wij, zijn kinderen, het turven
of dat wij ter sprake brengen dat wij
het niet turven
. Maar in de dynamiek

van kleine bezigheden turft men namens ons
[…]
het aantal jaren dat verstreken is sinds
mijn vader tevergeefs de dikbleek dronk
.

Die matte atmosfeer is in de gedichten over beeldende kunst gelukkig verdwenen. Hier is de verliefde dichter van De ziekte van jij (1988) terug. De spreker richt zich tot een jij die hem de gelegenheid geeft zijn favoriete schilderijen voor het eerst door en door als levend te ervaren:

Je gaf me de textuur
van je onomwonden mond
,
nabijer dan Naomi Campbell
bij Marlene Dumas
.

De kleuren van haar kledingstukken herinneren aan Karel Appel, wanneer ze stil op een bed zit schenkt ze de dichter het licht van Edward Hopper, en als ze de zee in loopt krijgt die de golfslag van een Hokusai. Zo vormen de gedichten een vrolijke en daardoor enthousiasmerende staalkaart van Zwagermans innerlijk museum.

Toch raakt ook dit concept na een aantal bladzijden sleets doordat niet alle formuleringen even interessant zijn. Wie de truc doorheeft en een middag in het Stedelijk Museum doorbrengt, kan moeiteloos een paar van dit soort gedichten schrijven:

Je gaf me vanochtend nog Morandi
toen je na het opstaan vluchtig
een flacon verschoof
, te midden van
het nauwelijks blauw van een flesje
zonder etiket en een dauwwitkleine kan
.

Dit ligt er wel érg dik bovenop: ‘Maar jij fietst heel concreet/ het abstract expressionisme/ van ons verdroomde landschap in’. En de slotregels van het laatste gedicht zijn ronduit flauw: ‘Jij, jij bent soundtrack en catalogus ineen,/ entreebewijs dat ik een eeuwigheid bewaar’. Voor alles is, kortom, een matig geslaagde bundel van de dichter die we desondanks graag blijven volgen.


Joost Zwagerman, Voor alles_, De Arbeiderspers, 64 blz., € 16,95_