Nabokov in de ramsj

IN DE VOORBEELDIGE en leeslust bevorderende minibiografie over Cesare Pavese komt Henk Pröpper al snel ter zake als hij deze intrigerende zin opschrijft: ‘De vrouw en de dood benaderde hij op vergelijkbare wijze, voorzichtig; ze hadden voor hem alles met elkaar te maken.’

Waarna Pröpper via Paveses formidabele dagboek Leven als ambacht, dat hij tussen 1935 en zijn zelfmoord in 1950 bijhield, èn via zijn romans serieus uitweidt over Paveses moeizame verhouding tot vrouwen, zijn groeiende gevoel totaal mislukt te zijn, en zijn schuldcomplex over zijn politieke ‘lafheid’ en over zijn algemene levenshouding. Op 12 april 1936 schreef Pavese in zijn dagboek: 'Mijn uitgangspunt is de zelfmoord.’

Dat was geen grootspraak. Pavese verstond veel minder de kunst van het leven dan de kunst van de dood. In het nieuwe voorwoord bij de vijfde, uitgebreide herdruk van Leven als ambacht haalt Patricia de Martelaere de anarchist Bakoenin aan, die beweerde dat de passie voor destructie ook een passie voor creatie betekent. 'Wat de suïcidale en de artistieke persoonlijkheid met elkaar gemeen hebben, is boven alles een extreme drang tot beheersing.’ De zucht naar perfectie houdt in dat alles controleerbaar dient te zijn: de vrouw maar ook de dood. De vrouwen liepen van de soms harkerige en onhandige Pavese weg, de dood liet hij bewust op zich afkomen, op het toppunt van zijn literaire roem.

In het intrigerende hoofdstukje 'Zwijgen is een deugd’ legt Henk Pröpper een verband tussen Paveses plattelandsachtergrond en zijn ambivalente haat tegen geklets. Praten was iets van de stad, zwijgen hoorde bij het leven op het land. 'Zwijgen bood ook de mogelijkheid tot denken en opende de poorten naar de verbeelding’, schrijft Pröpper, waarna hij deze bewering meteen staaft aan de hand van een autobiografisch gedicht en aannemelijk maakt dat er door de afstandelijke en teruggetrokken vertellers in Paveses romans vaak 'adembenemend gezwegen’ wordt.

HAD GUUS LUIJTERS uiteindelijk maar adembenemend gezwegen in plaats van zijn minibiografie over Vladimir Nabokov te publiceren. Pröpper heeft oog voor het gehele oeuvre van Pavese en dringt zichzelf niet op aan de lezer via nietszeggende anekdoten. Luijters daarentegen - die zichzelf heel koninklijk 'wij’ noemt - staart zich blind op Nabokovs Geheugen, spreek. Deze verraderlijke en zeer gestileerde 'memoires’ noemt hij dan ook de 'zon’ in Nabokovs oeuvre, 'memoires’ die hij na een vrijblijvende opmerking over het leven dat de kunst imiteert een autobiografie blijft noemen waaraan hij een paar oerscènes, 'enkele gebeurtenissen uit Nabokovs leven’, ontleent in plaats van in te gaan op Nabokovs schrijfwijze, zijn voorliefde voor doortrapte en zeer onbetrouwbare vertellers ****** Einde van blok 4 (ook in Geheugen, spreek), zijn neiging tot maskerade en metamorfose.

Het is niet zo dat Luijters die voorliefdes en neigingen niet ziet - hij noemt ze en passant -, maar hij doet er niets mee als het werk ter sprake komt, dat wil zeggen wanneer Luijters weer eens een titel noemt. Dan verliest hij zich in een anekdote over een vakantie in Frankrijk, verslikt hij zich in beeldspraak (het oeuvre van Nabokov als regenboog, Nabokov als vlinder, waarna het oeuvre weer op de vlinder neergezet wordt) of geeft geheel niet ter zake een onbegrijpelijke verhandeling ten beste over de versmelting van proza en poëzie die heeft geleid tot 'het failliet van de poëzie zoals we dat op dit ogenblik beleven’. Van dat laatste was ik nog niet op de hoogte, maar Luijters geeft de lezer een aanwijzing: 'Wie Joyces Finnegans Wake opslaat, ziet met één blik wat ik bedoel.’ Ik begrijp daar niets van. Ook niet van zijn bewering dat Ulysses van Joyce 'het moet hebben van de vondst’. Volgens mij is die roman, onder veel en veel meer, een spannend verhaal over een zoon die zijn vader zoekt, een vader die zelf dolende is. Wat is die vondst? Dat Joyce naar Homerus knipoogt? Ik begrijp er niets van.

Het is natuurlijk die ene blik van Guus Luijters die mij dwars zit. Daar spreekt een ongelooflijke gemakzucht uit die zijn hele minibiografie besmet en devalueert.

De boude beweringen over poëzie en Joyce zijn geen uitzonderingen. Op basis van een persoonlijke theorie - niet vanuit het literaire werk van Nabokov - komt Luijters tot de slotsom dat Nabokov Sint-Petersburg 'nauwelijks gekend’ heeft. Hij had immers een auto met chauffeur ter beschikking? 'Dus’ zag hij niets van de stad. Waarna Luijters voor de zoveelste keer uit Geheugen, spreek citeert, een citaat dat zijn bewering overigens meteen tegenspreekt. Misschien komt het doordat Luijters Nabokovs verhalen volstrekt negeert in zijn minibiografie, anders had hij natuurlijk het verhaal 'Een brief, nooit in Rusland aangekomen’ kunnen aanhalen, een vertelling waarin het Soevorov-museum en het 'zilverflonkerende’ Tavritsjeskipark in Sint-Petersburg even mogen figureren.

Luijters zegt doodleuk dat vanaf 1926, dat wil zeggen met de publikatie van zijn eerste roman Masjenka, 'de biografie vrijwel van betekenis ontdaan’ is. De geboorte van Dmitri Nabokov; de vlucht uit Nazi-Duitsland in 1937; de tweede vlucht vanuit Frankrijk naar Amerika, op 19 mei 1940; docentschappen aan de Oostkust; het hitsige Lolita-rumoer en de triomfantelijke te****** Einde van blok 5 rugkeer naar Europa (naar een hotel in het Zwitserse Montreux); alles blijkbaar in de marge van het schrijverschap, vrijwel zonder betekenis.
Is de tekst van Guus Luijters wel geredigeerd?

DE LAATSTE boude bewering in Luijters’ minibiografie die ik wil signaleren, is zijn stelling dat het 'spannende verhaal’ in een steeds kwadere reuk komt te staan. Ook hier moet ik een boot gemist hebben. Het is in Nederland zelfs zo erg gesteld met het spannende verhaal 'dat een boek niet voor een literaire subsidie in aanmerking komt omdat het “spannend” wordt gevonden’. (Hier krijgt het Fonds van de Letteren een veeg uit de pan, hier komt heel wat opgekropte woede los; maar moet dat in een kleine Nabokov-biografie?)

Ik heb geen idee wat Guus Luijters bedoelt met 'spannend verhaal’. Een plot die je bij de keel grijpt, een zin die je hart sneller doet kloppen, een personage waarvan je het doen en laten niet meteen kunt peilen? Wel weet ik dat Proust, Joyce, Kafka, Musil, Faulkner en Beckett voor Luijters geen 'spannende-verhalenschrijvers’ zijn. Hij zegt het zelf.
Zou Luijters ooit een bloedstollend boek van Kafka of een broeierige roman van Faulkner hebben uitgelezen?
Ik zou aan dit alles niet zoveel woorden hebben besteed als er niet iets anders aan de hand was met de minibiografie van Luijters over Vladimir Nabokov.

Luijters floddertekst is van een dusdanige harteloosheid en dédain ten opzichte van zijn onderwerp dat het een smet werpt op de voorbeeldige wijze waarop De Bezige Bij de afgelopen jaren bijna het hele oeuvre van Nabokov in veelal nieuwe vertalingen heeft uitgebracht, tot en met het literaire Nabokov-toetje van dit najaar: de novelle De tovenaar, die men kan lezen als de oer-Lolita.

Luijters lijkt Nabokov te willen verramsjen.
Afgezien van het negeren van Nabokovs verhalen, slaat Luijters dertien van de achttien romans (dat wil zeggen, inclusief Geheugen, spreek) over. Ja, hij noemt ze wel, maar vraag niet hoe. In een opsomming, als haastig geserveerd nagerecht in de taal van de jachtige flaptekst, of verwerkt in een persoonlijke anekdote. Blijft over: heel veel Geheugen, spreek, een beetje Een lach in het donker, een vleugje Bleek vuur en een pietsje Pnin.

Dieptepunt in de minibiografie is Luijters’ behandeling van Nabokovs meest ambitieuze roman Ada. Zijn regenboogbeeld van Nabokovs oeuvre (waarin Geheugen, spreek op eenzame zonnehoogte staat) en zijn gemakzuchtige top-tienmentaliteit wreken zich hier het meest. 'Het is opvallend dat een deugdelijk verhaal ontbreekt aan deze omvangrijke kroniek van het geluk.’ Nee, Luijters legt niet uit wat hij met 'kroniek van het geluk’ bedoelt. Wel breekt hij zich het hoofd over de vraag waarom Nabokov zeven jaar van zijn leven moest geven aan dit boek, dat in de 'verhaalloze traditie’ (?) van Proust tot en met Joyce zou passen. Ada is geen 'spannend boek’ suggereert Luijters. Uit die suggestie, die ik op bladzijde 73 van de minibiografie proefde, spreekt liefdeloosheid voor het oeuvre van Nabokov. Luijters’ benadering heeft niets meer met kritische affiniteit te maken. Zijn gemakzuchtige, geborneerde visie op literatuur - althans, wat ik daarvan heb begrepen - heeft hem bij het schrijven van zijn Nabokov-boekje dwars gezeten.

Ada zou uitermate geschikt zijn geweest om Nabokovs preoccupatie met details en tijd uit te leggen. Want een van Nabokovs obsessies was dat hij altijd oog had voor de miniemste bijzonderheid. Hij wilde de gewone dingen zo omschrijven dat ze in de spiegel van de toekomst gereflecteerd zouden worden, als zogenaamde 'toekomstige herinnering’. Het staat met zoveel woorden in het schitterende verhaal 'Gids voor Berlijn’. De volgende generatie ontdekt er weer een 'geurige tederheid’ in. De tijd is dan niet sleur maar opeenvolging van wonderbaarlijkheden, en de kunstenaar dient als 'ondergronds observatorium’.

Ada (1969), waaruit het laatste citaat komt, is het moederboek dat Lolita, Speak Memory, Pale Fire, verhalen als 'Ultima Thule’ en de kleine roman Transparant Things in zich draagt en zelfs verder gaat. De roman is een formidabele pastiche op de negentiende-eeuwse familieroman à la Tolstojs Anna Karenina; een reis door de literatuurgeschiedenis; een filosofische verhandeling over de 'pijlpunt van de Tijd’, die tegelijkertijd pijn veroorzaakt; een weergaloos spel met de taal; een proustiaanse poging enkele verspreide beelden uit een steeds verder wegtuimelend verleden vast te houden en om te smeden tot een idyllisch èn noodlottig liefdesverhaal vol jaloezie, incest en ontrouw. Ada gaat over 'nog heel veel meer’, zoals de slotwoorden van de roman luiden, maar daarover heb ik al een paar keer in dit blad, en elders, geschreven.
Guus Luijters’ minibiografie over Vladimir Nabokov is heel veel minder.

Op 12 februari 1942 schreef Cesare Pavese in zijn dagboek Leven als ambacht: 'De moderne kunst is - voor zover van enige waarde - een terugkeer naar de kinderjaren. Het blijvende motief is de ontdekking van de dingen, een ontdekking die, in zijn zuiverste vorm, alleen kan plaatsvinden in de herinnering aan de kinderjaren.’

Het is een opvatting die Nabokov had kunnen formuleren en die hij literair gestalte heeft gegeven in een reeks romans.


Guus Luijters, Vladimir Nabokov: De kleine biografie.
Uitgeverij De Bezige Bij, 79 blz., 319,90