Nabokov of dostojevski

Door de wereld der Ruslandkenners loopt een waterscheiding. Men is of voor Nabokov, of voor Dostojevski. Hoofd Ruslandkunde te onzent is Karel van het Reve. En aangezien die voor Nabokov is, wil niemand hier iets weten van Dostojevski. En blijft Joseph Franks magistrale Dostojevski-biografie zo goed als onopgemerkt.
DEEL 4 IS UIT! Ik roep het maar meteen, want mij was het ook bijna ontgaan. En ik bedoel natuurlijk deel 4 van Joseph Franks enorme, buitengewone, allesomvattende Dostojevski-biografie - ik geloof tenminste niet dat dit werk zijn weerga kent.

Joseph Frank begon er halverwege de jaren vijftig aan, na het lezen van Dostojevski’s Herinneringen uit het souterrain. Die geconcentreerde novelle over een maniak in de greep van de ziekte die bewustzijn heet, hield Frank zo bezig dat hij er de achter- en ondergronden van wilde weten. Hij maakte zich het Russisch eigen en verloor zich totaal in de schrijver Dostojevski en de sociaal-culturele omstandigheden van zijn tijd. En zo verscheen in 1976 deel 1 (Dostoevsky: The Seeds of Revolt 1821-1849) in een reeks die vier delen zou gaan omvatten. Maar zoals de zaken er nu voor staan worden het vijf delen, waarbij direct moet worden aangetekend dat deel 4 met zijn 523 pagina’s weer veel dikker is geworden dan de voorgaande. Franks biografisch ambitie reikt namelijk verder dan de gebruikelijke, anekdotische ‘story of his life’, waarbij het werk op de tweede plaats komt. 'Ik ben op de tegenovergestelde wijze aan het werk gegaan’, schrijft hij in het voorwoord van dat eerste deel, 'door de man Dostojevski ondergeschikt te maken aan zijn artistieke bezigheden en de resultaten daarvan - een werkwijze die me beter lijkt overeen te stemmen met de eigenlijke hierarchie van waarden in het leven van een creatieve persoonlijkheid.’
Dat Frank daarin gelijk heeft bewijst hij eens te meer en op schitterende wijze met deel 4. Zelf beschouwt hij dit deel als de 'lakmoesproef’ voor zijn overtuiging dat een intensieve studie van de sociaal-culturele onstaanswijze nieuw en waardevol licht kan werpen op die werken, en als 'cruciaal’ voor de hele onderneming omdat hij in dit boek drie van de grote romans van Dostojevski behandelt: Misdaad en straf, De idioot en Demonen. Dostojevski schreef die drie omvangrijke melodrama’s binnen zes jaar, onder dikwijls barre omstandigheden. Dit deel kreeg dan ook als titel Dostoevsky: The Miraculous Years 1865-1871.
WAAROM IS DIT 'CRUCIALE’ deel van een biografie van een van de beroemdste Russische schrijvers In Nederland niet of nauwelijks besproken dan wel opgemerkt? Het antwoord moet haast wel te vinden zijn in de slechte reputatie die Dostojevski geniet bij de geletterden hier te lande. De hele Nederlandse literatuur is vergeven van de Nabokov-aanbidders - en Dostojevski is uit zicht verdwenen. De literaten verdrongen elkaar om de flaptekst te mogen schrijven voor een van de delen in de nieuwe Nabokov-uitgave, en zij die zich gepasseerd voelden deelden de algehele euforie in hun bijdrage aan de diverse tijdschriften. Laatst nog schreef de jonge auteur Nanne Tepper een artikel in NRC Handelsblad over Nabokov, die hij geloof ik wel vijf, zes keer 'de meester’ noemt.
Het een heeft met het ander te maken: Nabokov heeft zich altijd op snobistische, knorrig-humorloze wijze laatdunkend uitgelaten over zijn Petersburgse stadgenoot. En Nabokov heeft in de invloedrijke Karel van het Reve zijn ambassadeur voor Nederland gevonden. Het is daarbij een zegen dat Van het Reve Dostojevski tenminste nog met enige humor te kakken zet.
Voor het Dostojevski-nummer van Maatstaf (januari 1981) beantwoordde Van het Reve evenals Maarten ’t Hart vijf vragen over Dostojevski. Van het Reve bekent dan dat hij secretaris is van 'de anti-Dostojevskiclub, een zeer selecte club’. Andere leden zijn onder anderen Toergenjev en Gontsjarov. De laatste is een literaire paranoicus, die het ook aan de stok had met Toergenjev vanwege vermeend plagiaat. Hem kunnnen we gevoeglijk buiten beschouwing laten. Toergenjev is inderdaad de antipode van Dostojevski. Voorzitter van de club (maar dat verzwijgt Van het Reve, die sterk op hem leunt) is Nabokov, die daar heel goede redenen voor had. Lev Tolstoj is 'geheim lid’. Ruim tien jaar later heeft Van het Reve zijn antwoorden bewerkt tot het artikel 'Vooroordeel tegen Dostojevski’, dat is opgenomen in zijn verzamelbundel Freud, Stalin en Dostojevski.
Van het Reve laat weten dat zijn antigevoelens vooral gericht zijn tegen de schrijver. De 'brave’ man zelf is hem niet onsympathiek en diens brieven 'mag ik graag lezen’. Dostojevski, aldus Van het Reve, kon 'eigenlijk’ niet schrijven en dat wist hij zelf. 'Hij was een bedenker van opwindende boeken, althans van boeken die hemzelf mateloos opwonden.’ Kennelijk wordt Karel koud noch warm van de toch daadwerkelijk opwindende gebeurtenissen in Dostojevski’s verhalen. 'Als hij ze bedacht had en ging opschrijven probeerde hij ze opwindend te maken door de woorden “opgewonden”, “in grote opwinding” vaak te gebruiken (inderdaad een stijlkenmerk van Dostojevski, maar of hij die woorden echt daarom gebruikte weten we niet - ms) en door de lezer steeds maar weer keukenmeidenromansituaties aan te bieden: geweldige ruzies met veel deelnemers, flauwvallingen, kaakslagen, tranen. Geheime documenten, onwettige kinderen, geheime huwelijken, brand, moord, zelfmoord, aan tering stervende zeer vrome, zeer arme en zeer brave lieden, afgeluisterde gesprekken, geheimzinnige escapades, onduidelijke toespelingen, duivelse plannen van grote booswichten.’
Ik ben niet zo'n lezer van keukenmeidenromans, maar zulke situaties doen zich evenzeer voor in het werk van, ik noem maar iemand, Shakespeare. Het zijn nou eenmaal handelingen die een verhaal dragen. Iedere auteur maakt er gebruik van. Maar ik begrijp dat Van het Reve liever leest over heer-op-standsituaties zoals flauwe ruzies om niks, een klopje op de schouder, officiele documenten, een storm in een glas water, zachtjes aan ouderdom bezwijkende besjes, duidelijke afspraken, keurige plannen van aardige lieden, enzovoort, enzovoort. En inderdaad, hij heeft meer op met Toergenjev. Die is immers 'geheel tevreden met de meest eenvoudige techniek en de meest eenvoudige gedachten en gevoelens’. En nog zo'n kwaliteit van Toergenjev: 'In zijn romans schroomt hij niet de meest banale kunstgrepen te gebruiken.’ Da’s pas een groot schrijver, die Toergenjev.
VAN HET REVE REFEREERT aan wat Dostojevski in 1870 in een brief schreef: 'Ik neem altijd thema’s die mijn krachten te boven gaan. De dichter in mij overwint de kunstenaar altijd, en dat is een kwalijke zaak.’ En hij concludeert dat Dostojevski dus niet schrijven kon. 'Eigenlijk.’ Maar neem nou Flaubert, die wordt algemeen, en ook door Van het Reve, beschouwd als iemand die dat wel kon. Maar wat bekende deze 'meester’ in een brief? 'De boeken die ik het meest ambieer te maken, zijn nu precies die boeken waarvan het vermogen ze te schrijven mij het meest ontbreekt.’ Zulke uitlatingen kun je namelijk bij iedere schrijver aantreffen. Het is inherent aan het kunstenaarschap, dat daarom zo moeilijk is. Joseph Conrad, met wie Maarten ’t Hart op de proppen komt als anti-dostojevskiaan, kan erover meepraten.
Wat je wel zou kunnen zeggen is dat Dostojevski niet mooi schreef. Hij kon ellende, armoedigheid en vooral smerigheid goed onder woorden brengen, maar meer ook niet. Bij hem tref je maar weinig fraaie detailbeschrijvingen aan zoals bij Nabokov, of mooie zinswendingen zoals bij Flaubert, en hij buigt zich, spijtig voor Maarten, ook niet over de bloemetjes en de bijtjes. En voor treffende vergelijkingen hoef je zijn werk ook al niet op te slaan. Deels is zijn niet-mooie stijl te wijten aan tijdgebrek.
Dostojevski leefde van leningen en voorschotten en moest zijn proza leveren binnen gestelde termijnen, ook al omdat hij de schulden van derden op zich nam. En zijn uitgevers toonden weinig consideratie. Evenmin als zijn critici dat deden en doen. 'Dostojevski’s romans druipen van het zweet’, schrijft Van het Reve minachtend. 'Een roman van Toergenjev lijkt op een rustige achtermiddag in elkaar gezet te zijn.’ Lijkt? Dat is zo. Herhaaldelijk riep Dostojevski uit dat Toergenjev en Tolstoj alleen al zouden bezwijken bij het idee om zo te werk te moeten gaan als hij deed. En die werkomstandigheden brachten ook slordigheden met zich mee. Toch toont Frank aan dat Dostojevski niet zo slordig te werk ging als vaak wordt gedacht en beweerd - hij toont zelfs zo veel subtiliteiten aan dat je je afvraagt of Dostojevski niet zou schrikken als hij het las. En of Nabokov zou zijn gestikt uit jalousie de metier.
Afgezien van zijn zweterige stijl laboreert Dostojevski’s werk hier en daar aan wijdlopigheid, wat hij zelf goed wist: 'Gedurende twintig jaar heb ik pijnlijk ervaren, en het duidelijker ingezien dan wie ook, dat mijn literaire gebrek is: wijdlopigheid, maar ik schijn het maar niet van me af te kunnen schudden.’
Allemaal waar, maar Dostojevski’s meesterschap schuilt in het fascinerende van zijn personages. Hun gedrag, hun uitlatingen, hun botsingen, hun psychologie maken het werk zo lezenswaardig, zo interessant. Als in de kunst de mens centraal moet staan - en dat lijkt mij evident - dan is Dostojevski een groot kunstenaar.
VAN HET REVE HEEFT bij zijn ontmoetingen met Russen nooit aan Dostojevski moeten denken: 'Kan iemand een echt bestaande of bestaand hebbende Rus noemen die in gedrag en karakter enigszins lijkt op enige held van Dostojevski?’ Wel, we weten van Dostojevski’s vrouw Anna dat Aleksej Michailovitsj uit De speler nogal wat trekjes heeft van de gokverslaafde Dostojevski zelf, en de mooie maar fatale vrouw Polina uit datzelfde boek van Dostojevski’s ex-vrouw Apollinaria Soeslova. Toergenjev herkende zichzelf in de literaire ijdeltuit Karmazinov, dat hilarische figuur in Boze geesten. Maar beter is het wellicht Joseph Frank erbij te halen, die keer op keer aantoont aan wie Dostojevski dacht bij het scheppen van zijn personages. Zo stond de 'nihilist’ T. N. Granovski model voor Stefan Trofimovitsj Verchovenski uit Boze geesten, die bovendien het 'poetische’ temperament van Alexander Herzen vertoont. Voor de demonie van zoonlief Pjotr Verchovenski kon Dostojevski de talloze publikaties over de extremist Sergej Netsjajev raadplegen - en hij hoefde niets te overdrijven. En laten we niet vergeten dat Dostojevski vier jaar had doorgebracht in een bar Siberisch strafkamp (wegens revolutionaire sympathieen) te midden van moordenaarstuig en geboefte. 'A propos: wat heb ik aan het kamp een schat aan volkstypes en karakters overgehouden! Ik heb met ze leren leven en ken ze daarom, denk ik, zeer goed. Hoeveel verhalen ken ik niet over zwervers en rovers en in het algemeen over heel dat duistere, ellendige bestaan. Genoeg voor hele boekdelen.’ Daar komt bij dat de figuren in het werk van Dostojevski eerder personificaties zijn, dragers van bepaalde ideeen, dan naturalistische portretten, wat ze alleen maar nog interessanter maakt, want wie is nou geinteresseerd in de burger Granovski?
Ach, Karel van het Reve wil er gewoon niets van weten: 'Als ik uit betrouwbare bron zou vernemen dat ik vandaag kans loop een van de gebroeders Karamazov op straat tegen te komen, zou ik de hele dag binnenblijven.’ Nu begrijp ik ook waarom Het Parool hem indertijd als correspondent in Rusland heeft teruggehaald.
Liever leest Van het Reve de brieven van de 'brave man’. Voor uitgeverij Van Oorschot stelde hij dan ook deel elf van de Verzamelde Werken samen, die zijn keuze uit Dostojevski’s correspondentie bevat. Ik ben daar niet blij mee. Want als je Franks biografie leest stuit je keer op keer op kwalificaties als 'an important letter’ of zelfs 'an extremely important letter’, en dat betreft dan brieven die je niet kunt terugvinden bij Van het Reve. De missive aan Majkov, 'one of the most angry and indignant that he ever wrote’? De bijna onmisbare brief waarin Dostojevski zijn beroemde artistieke credo van het 'fantastisch realisme’ uiteenzet? Niet in Reve’s editie. En een verantwoording van zijn keuze ontbreekt. Zelf vind ik de brieven overigens lang niet zo interessant als zijn bellettrie. Dostojevski stak zijn genie in zijn werk en niet, zoals Oscar Wilde, in zijn leven, of, zoals Flaubert volgens velen deed, in zijn brieven.
Ik vind Van het Reve een bovenste beste brave man, echt. Maar ik ben bang dat je dat van Dostojevski niet kunt zeggen, en Van het Reve doet dat. Wel is het terecht als Van het Reve schrijft dat Dostojevski zichzelf voor geen haar beter houdt dan zijn lezers. Maar dat is onvolledig. Ik geloof dat hij zich au fond niet voor beter hield dan zijn personages. Het waren zijn alter ego’s, zijn perfide dubbelgangers. Ook zijn demonie stak hij in zijn werk. Het is wellicht daarom dat de brave Karel, zoals hij zegt, nooit een gevoel van 'herkenning’ heeft bij Dostojevski.
NIET ANDERS DAN BADINEREND laat Van het Reve zich uit over Dostojevski als 'denker’. Bij Toergenjev vind je honderd keer meer verstandige uitspraken, zegt hij. En misschien is dat wel zo. Dostojevski’s religieuze credo en zijn messianistische politieke opvattingen deel ook ik niet, ze zijn dwaas. Het aardige alleen is dat Dostojevski in zijn scheppende werk als geen ander de standpunten van zijn tegenstanders wist te beargumenteren. Bijvoorbeeld die van de atheisten. Of, nog beter, van de nihilisten. Want zoals Karel van het Reve, verklaard anticommunist, in zijn Het geloof der kameraden als geen ander de zegeningen van het communisme helder en klaar over het voetlicht wist te brengen, zo slaagt antinihilist Dostojevski erin het nihilisme van onweerlegbare argumenten te voorzien. Op die manier wist de kunstenaar Dostojevski als geen ander de meest complexe moreel- filosofische problemen tot leven te brengen in zijn raadselachtige maar desondanks overtuigende personages die zich, helaas voor Karel maar tot plezier van menig lezer, zeer onverstandig gedragen. Dostojevski was een aan de twijfel overgeleverd schrijver, geen van zichzelf overtuigd filosoof. Kunst is nooit verstandig. Het is dan ook niet terecht om hem, zoals Van het Reve doet, met Schopenhauer te vergelijken en te zeggen dat hij zich niet zo kort en duidelijk uitliet als de filosoof van het overigens vele duizenden pagina’s dikke, soms oervervelende maar mooi geschreven Die Welt als Wille und Vorstellung.
Maar net als Schopenhauer had Dostojevski een scherp oog voor het irrationele - en dat is zeldzamer. En interessanter dan 'verstandigheid’. Het is dan ook onbegrijpelijk dat Van het Reve in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur Dostojevski’s zeer oorspronkelijke, 'filosofische’ meesterwerk over de onmacht van de rede, namelijk Herinneringen uit het souterrain, slechts noemt in een opsomming. Onbegrijpelijk maar wel verstandig, zullen we maar zeggen.
Veel begrijpelijker is dan de afkeer die Karels lichtend voorbeeld, Nabokov, heeft van Dostojevski. Nabokovs roman Wanhoop is een slechte imitatie van bovengenoemd meesterwerk van Dostojevski, terwijl zijn misschien wel meest geslaagde boek Lolita de meest dostojevskiaanse van zijn boeken is. Nabokov duldde geen andere 'meester’ naast zich .
Van het Reve schreef het nawoord bij de speciale uitgave van het Nabokov-verhaal 'Het scheermes’ (1991), dat is verschenen ter gelegenheid van de complete nieuwe Nabokov-uitgave. Hij vertelt er van zijn kleinzielige wederwaardigheden met, jawel, 'de meester’. De uitsmijter - en de reden waarom hij geen gelegenheid voorbij laat gaan om propaganda te maken voor Nabokovs boeken - betreft Sigmund Freud. Want voor zover Van het Reve weet, zijn 'Vladimir Vladimirovitsj en ik’ de enige twee publicisten die Freud ronduit een kwakzalver noemen. Dat is natuurlijk schromelijk overdreven: Freuds tijd- en stadgenoot Karl Kraus merkte al op dat de psychoanalyse zelf de geestesziekte is waarvan het de oplossing beweert te zijn. Maar anders dan Nabokov heeft Van het Reve tenminste een beschouwing gewijd aan deze kwakzalver: 'Freud over Dostojevski’ (opgenomen in Freud, Stalin en Dostojevski). Wat hij er helaas niet bij vertelt, is dat Joseph Frank hetzelfde al veel eerder, en ook grondiger, te berde had gebracht. Namelijk in het essay 'Freud’s Case-History of Dostoevsky’ zoals gepubliceerd in Times Literary Supplement van 18 juli 1975 en als 'Appendix’ opgenomen in het eerste deel van zijn biografie (1976). Maar ik geef graag toe dat Van het Reve het veel leuker doet en het smakelijker opschrijft: 'Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat het Freud ontbreekt aan wat in de wandeling “psychologisch inzicht” wordt genoemd.’
Om Van het Reve kun je lachen. Hij doet mij altijd denken aan Lambik, op wie hij niet alleen uiterlijk sprekend lijkt. Alleen, Lambik is werkelijk dom en Van het Reve speelt het; willens en wetens houdt hij zich van de domme. Soms is dat heel verstandig.