DUISTERNIS IN ZUID-AFRIKA

Nacht in de middag

De situatie in het Zuid-Afrika van vandaag is voor sommigen reden om het land te verlaten. Schrijver André Brink blijft. Voor hem is het noodzakelijk om juist in zijn land te schrijven en nergens anders. Het enige wat echt de moeite waard is, is datgene waarvoor je elke dag moet vechten, zei Goethe.

ZIJN VROUW MAAKT hem wakker, even voor drie uur ’s nachts. Er is iemand in huis, zegt ze.
Onzin, antwoordt hij, beneveld door slaap. Het is vast gewoon een muis.
Dat kan geen muis zijn, dringt ze aan. Het is veel groter.
Dan is het misschien een rat, mompelt hij.
En dan schiet de rat hem in zijn hoofd. Hij gaat dood in het bijzijn van zijn vrouw en dochtertje, en onder bedreiging van een pistool worden zij gedwongen met de inbrekers mee te lopen terwijl die het huis plunderen. Het dode lichaam laten ze op de grond liggen.
Hij is – was – de oudste zoon van mijn zus Elsabe. Een van de zachtmoedigste mensen die ik in mijn hele leven heb ontmoet. Hij zou geen vlieg kwaad doen. Ook geen rat. Ze woonden op een stukje grond even ten noorden van Pretoria – of Tshwane, in de nieuwe taal, die gangbaar werd toen het regime besloot dat alleen het ANC een geschiedenis heeft in dit land. (Geen weldenkend mens zou beledigende, ras-bepaalde, kortzichtige namen uit het verleden willen handhaven; maar de huidige golf van naamsveranderingen die riekt naar historische bijziendheid, zo niet paranoia, is een belediging aan het worden voor juist die denkwijze die ons nieuwe bestel mogelijk maakte.) Hun leven was altijd vredig geweest, tot voor kort. Toen er binnen één maand zestien gewapende overvallen werden gepleegd op huizen in een straal van nog geen kilometer van hun huis werd het jonge gezin schrikachtig. Elsabe’s zoon Adri was nummer zeventien.
Voor het eind van datzelfde weekend werd er nog iemand vermoord in diezelfde straat. Het leek erop dat de politie in dat gebied eindelijk in de gaten had gekregen dat er iets niet helemaal in orde was. Een paar dagen na de achttiende overval wisten ze zowaar een bende van zes te arresteren en ze vonden de spullen die uit Adri’s huis waren gestolen in hun bezit. Twee mobiele telefoons en een laptop. In deze tijd heeft een leven niet heel erg veel waarde.
Jammer genoeg lijkt het erop dat de politie nu de bewijzen heeft kwijtgemaakt, net als de vingerafdrukken die ze namen tijdens hun ongetwijfeld grondige onderzoek. Misschien missen ze het krachtige en voorbeeldige leiderschap van hun geschorste baas, de onberispelijke meneer Selebi, die op (betaald) verlof is gestuurd in afwachting van een rechtszaak waarin hij zal verschijnen op beschuldiging van corruptie, wat onder meer gaat over zijn nauwe banden met kopstukken van de georganiseerde misdaad. Als gevolg daarvan hebben de zes verdachten die na de moord op Adri werden gearresteerd heel genadiglijk toestemming gekregen om naar huis te gaan, en is er weer een open dossier toegevoegd aan de enorme berg van onopgeloste misdaden in het land.
Maar in elk geval heeft de minister van Veiligheid en Zekerheid, Charles Nqakula, ons verzekerd dat er tegenwoordig minder moorden en verkrachtingen en gewapende overvallen worden gepleegd dan in het vorige jaar (slechts 11,5 moorden per dag in het afgelopen jaar, slechts zestien verkrachtingen en aanrandingen per dag, en slechts veertig gewelddadige overvallen op woningen). Wie weet gaat hij straks een nieuwe discussieronde organiseren, of zelfs een keer een debat in het parlement. Het probleem is dat niet heel veel hooggeëerde leden van het parlement ruimte kunnen vinden in hun overvolle agenda’s om zo’n bijeenkomst bij te wonen. Ze hebben te veel andere verplichtingen: weer een reisje naar Dubai om boodschappen en sieraden in te slaan; een afspraak bij de bank om het laatste smeergeld van een half miljoen of een miljoen te storten; een bezoek aan het reisbureau voor een nieuwe stapel tickets voor de familie nu het idiote idee om parlementaire misdadigers te vervolgen is geschrapt; een snelle sprint naar Harare om te kijken hoe het met Oom Robert gaat; zelfs een bezoek aan de gevangenis om solidariteit te betuigen met een of andere hoge official die de paar weken die hij moet uitzitten van een langdurige gevangenisstraf doorbrengt in verschrikkelijke luxe, geheel overgeleverd aan de genade van pedicures en manicures en masseuses.
Het is niet zo dat het in het Zuid-Afrika van vandaag alleen maar duisternis en dood is wat de klok slaat. Onze algemene euforie die volgde op de eerste vrije verkiezingen van 1994 was dan ongetwijfeld onrealistisch, toch was ze niet helemaal misplaatst. Zelfs onder de bezwarende omstandigheden waar we ons vandaag de dag in bevinden, is het mogelijk een paar passen achteruit te doen en onze huidige situatie te vergelijken met die van goed veertien jaar geleden – en wat is veertien jaar in het leven van een volk? Dan kan men niet anders dan erkennen dat we verrassend ver zijn gekomen. En ik ken niemand (behalve de hardnekkige primitievelingen uit het apartheidsverleden) die ook maar voor een moment het land waar we vandaag in leven zou willen inruilen voor de wreedheden en de ellende van een goede twintig jaar geleden. Maar dat wil nog niet zeggen dat we ergens zijn ‘aangekomen’. Op z’n hoogst zijn we nog steeds alleen maar en route – en niemand kan helemaal zeker weten waar we terecht zullen komen. Desondanks kan juist de onzekerheid van zo’n situatie stimulerend en inspirerend werken: en het is niet voor niets dat in veel situaties waarin Zuid-Afrikanen vroeger misschien zouden hebben gesproken over ‘problemen’, zij het nu liever zouden hebben over ‘uitdagingen’ – waaraan je kunt afmeten wat voor een afstand we hebben afgelegd.
Dat is allemaal voor een groot deel te danken aan een paar cruciale figuren. Wie met kop en schouders boven alle anderen uit steekt, is zonder enige twijfel Nelson Rolihlahla Mandela, die vrijwel in z’n eentje de duisternis waar we op klaarlichte dag doorheen strompelden wist te veranderen in een stralende nieuwe dageraad. In het besef dat we onderweg enkele iconische figuren zijn kwijtgeraakt – Steve Biko een hele tijd geleden, Chris Hani een stuk recenter, Beyers Naudé, Joe Slovo, Dullah Omar… – kunnen we er alleen maar dankbaar voor zijn dat de opmerkelijkste onder hen, Mandela, zijn negentigste verjaardag heeft weten te halen, dit jaar. Het tragische is dat hij maar één termijn president is geweest, hoewel de invloed van alleen al zijn aanwezigheid altijd onmetelijk was, zelfs nadat hij met pensioen was gegaan. En hoe treurig is het dat er niemand van enige statuur was die kon volgen in zijn voetstappen en dat het land het moest doen met Thabo Mbeki. Mensen met enorm talent en grootse ideeën werden in een vroeg stadium buitenspel gezet door de ambitie en het machiavelliaanse optreden van Mbeki, die begon met schitterende beloften en vervolgens alles smoorde in zijn groteske mismanagement van de situatie in Zimbabwe, zijn houding jegens aids en zijn toenemende gebruik van staatsmiddelen om persoonlijke rekeningen te vereffenen en problemen op te lossen.
Maar we hadden – en hebben – in elk geval Mandela, wiens licht nog steeds de weg wijst door een onheilspellend troebele toekomst. En er zijn nog een paar anderen, integere mensen met enthousiasme en visie. De eerste van hen is aartsbisschop emeritus Desmond Tutu, die door zijn bijdrage aan de Waarheids- en Verzoeningscommissie heeft meegeholpen om voor ontelbaar veel Zuid-Afrikanen wanhoop om te zetten in hoop. Dat wil niet zeggen dat de Commissie een onverdeeld succes was. In vele, vele opzichten schoot ze te kort in wat redelijkerwijs van haar verwacht had mogen worden. Maar waar zouden we zijn geweest zonder de Commissie? Ze bood talloze slachtoffers van de donkerste jaren van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis de mogelijkheid hun eigen verhalen te vertellen – en om mensen te vinden die ernaar wilden luisteren. Op z’n allerminst heeft dit Zuid-Afrika voortgestuwd naar een situatie waarin veel dingen mogelijk zijn geworden die voorheen ondenkbaar zouden zijn geweest.
Maar in de meeste andere opzichten heeft het land niet zo veel geluk gehad. We hebben dan wel, eerlijk is eerlijk, afstand genomen van het onrecht en de wreedheden en de anomalieën en absurditeiten van het apartheidstijdperk, waaronder de ridicule ‘tests’ om iemands ras vast te stellen, de moeite die de autoriteiten deden om leden van verschillende rassen gescheiden te houden (ze gingen zo ver dat ze op een bruiloft visnetten ophingen tussen de ‘gekleurde’ leden van de band en de blanke gasten), het uitroepen van Japanners tot ‘ere-blanken’ om de export van ruw ijzer naar Japan te vergemakkelijken (hoewel onze nieuwe regering onlangs Chinezen heeft uitgeroepen tot ‘ere-zwarten’ om ze makkelijker te kunnen laten profiteren van de speciale voordelen die worden genoten door mensen die vroeger benadeeld waren). Maar het blijft een maatschappij die wordt verscheurd door vele kwaden. En onder de ANC-regering zijn er meer mensen met geweld uitgezet en geherhuisvest dan tijdens de apartheid.
Scholen zijn opengesteld voor leerlingen van alle rassen, wat de mogelijkheid vergroot dat alle Zuid-Afrikanen samen kunnen opgroeien; maar nog steeds zijn er enorme verschillen tussen de geprivilegieerden en de armen, en slechte planning, verkeerde uitgaven, nepotisme en schaamteloze diefstal blokkeren de juiste evolutie van een eerlijk en op gelijkwaardigheid gebaseerd systeem dat nog steeds lijdt onder het verlies van duizenden van ’s lands best gekwalificeerde docenten vanwege bot beleid en blinde discriminatie.
Armoede blijft een cruciaal probleem in een land met grote verschillen tussen rijk en arm, en financiële reserves die zijn geschonken door regeringen en organisaties over de hele wereld om het probleem te bestrijden, worden nog steeds ingepikt door individuen en groepen met gemakkelijke toegang tot geld waarvan ze nooit hebben geleerd hoe ze ermee moeten omgaan. Zelfs een voorbeeldig leider van de Vrijheidsstrijd als Allan Boesak werd in de gevangenis gegooid wegens het stelen van geld dat was gedoneerd om het leven van kinderen in verarmde gemeenschappen iets makkelijker te maken.
Het rechtsstelsel wordt gehinderd door slecht bestuur en corruptie bij de politie en de gevangenisautoriteiten. Wanneer een parlementslid als Toni Yengeni, die ooit werd geprezen als een man die gruwelijk had geleden in de handen van de Veiligheidspolitie, later wordt veroordeeld als een crimineel, wordt hij naar de gevangenis gevoerd door collega’s (onder wie de voorzitter van het Lagerhuis); en wanneer hij vrijkomt na slechts een fractie van zijn straf te hebben uitgezeten, wordt hij onthaald als een held. Een van de weinige bureaus binnen de kringen van de macht – de zogenoemde Schorpioenen binnen de politie – dat consequent heeft geprobeerd misdadigers op te sporen en te straffen die hebben geprofiteerd van witteboordencriminaliteit wordt bedreigd met sluiting sinds het is begonnen met het vervolgen van Mbeki’s eigen vrienden.
Zelfs binnen het rechtssysteem kloppen de dingen niet. Als een Hoogste Rechter wordt bedreigd met afzetting wegens plichtsverzuim en zijn zwarte collega’s sluiten de rijen om hem te beschermen ongeacht de ernst van de beschuldigingen tegen hem, loopt de morele gezondheid van de hele gemeenschap gevaar.
Wanneer de man die is gekozen als president van de regeringspartij en dus waarschijnlijk als de toekomstige president van het land – iemand van twijfelachtige moraal, wiens reputatie grotendeels berust op het feit dat hij een demagoog en een onruststoker is – zijn meeste tijd doorbrengt met het proberen rechtsvervolging te ontlopen, werpt dat een donkere schaduw over niet alleen zijn persoonlijke toekomst, maar ook over de toekomst van het land als geheel. En onder zijn invloedrijkste aanhangers zijn schreeuwerige leiders als Julius Melema van de ANC Jeugdliga en Zwelinzima Vavi van het Congres van Vakbonden COSATU – van de generatie die de slogan First liberation, then education muntte (Eerst bevrijding, dan opleiding) en die nu publiekelijk verkondigen dat ze bereid zijn om te moorden en te doden voor Zuma (hoewel Kameraad Melema probeert uit te leggen dat ‘doden’ niet noodzakelijkerwijs ‘doden’ betekent). Opnieuw kunnen het afstand doen van moraliteit en een fundamenteel gevoel voor verantwoordelijkheid niet echt veel hoop voor de toekomst bieden.
Lachwekkende extremen in de toepassing van positieve discriminatie hebben veel van de best gekwalificeerde en getalenteerde mensen van het land in ballingschap gedreven, aangezien de overheid en haar bureaus gestaag werkelijke verdiensten vervangen door middelmatigheid en inferioriteit: een uitgeversbedrijf ontslaat alle ervaren blanke werknemers en vervangt die door volkomen ongekwalificeerde zwarte arbeiders, neemt vervolgens het afgevloeide personeel weer in dienst als consultants tegen het dubbele van hun vorige salaris. Een prijzenswaardige poging om ongelijkheid uit het verleden goed te maken, maar een kromme zakenpraktijk.
Boven alles wat momenteel gebeurt in Zuid-Afrika hangt nog steeds de wolk van een beruchte en grotendeels onnodige wapendeal ter waarde van miljarden en miljarden, waarvan het meeste terechtkwam in de zakken van politiek leiders in Zuid-Afrika en elders, waardoor de arme en hulpbehoevende mensen in het land het nog slechter kregen. Onder veel meer: de hele achterstand in de voorziening van huisvesting, elektriciteit en stromend water aan de armsten der armen had verscheidene keren kunnen worden weggewerkt met het geld dat zo roekeloos over de balk werd gegooid voor deze slecht begrepen onderneming. En toch probeert de regering uit alle macht elk serieus onderzoek naar die deal tegen te houden, terwijl de gevolgen ervan zich blijven verspreiden tegen almaar toenemende kosten.
Tegen de achtergrond van deze duistere en vernietigende wolk, en volgend op de moord op Adri, heeft een verrassend aantal mensen, zowel vrienden als volmaakt vreemden, de veronderstelling geuit dat ik er nu over zou denken het land te verlaten. Velen van hen leven reeds in redelijke luxe in Nieuw-Zeeland of Australië, Groot-Brittannië of Canada. Ze lijken perplex als ik antwoord dat ik blijf waar ik ben. ‘Maar jij kunt je dat zeker permitteren?’ vragen ze. En als het alleen een kwestie van geld was, dan zou ik misschien wel blijven, ja. Wellicht als ik veertig of vijftig jaar jonger was, met mijn carrière nog voor de boeg en met kleine kinderen in mijn huis, zou ik er misschien serieus over hebben nagedacht. Maar geen moment neem ik de mensen die al zijn geëmigreerd of dat overwegen te doen iets kwalijk. Maar emigreren is niets voor mij. Je kunt weliswaar nooit nooit zeggen, maar er is veel meer voor nodig om mij van mijn plek te krijgen.
Er was een tijd, na de politieke verschuiving van 1994, dat ik zou hebben gezegd dat ik na een halve eeuw apartheid en Nationalistisch bestuur genoeg vertrouwen had in het ANC om hier te willen blijven en deel uit te maken van een geweldige historische overgang naar vrijheid en rechtvaardigheid. De kortzichtigheid en hebzucht van de nieuwe leiders van het land – en leiders zijn ze zeker, met een paar zeldzame maar opmerkelijke uitzonderingen, ook al belijdt de rest vroom de schibbolet van ‘democratie’ – hebben mijn vertrouwen uitgehold in die toekomst waar ik ooit in geloofde en waarvoor ik bereid was geweest mijn prijs te betalen. Op dit moment zie ik geen significante afname van de criminaliteit en het geweld in Zuid-Afrika in het verschiet; ik betwijfel ten zeerste dat onze leiders zelfs maar kunnen garanderen dat het WK voetbal in 2010 veilig en succesvol verloopt; ik geloof niet dat de corruptie en het nepotisme en de gangsterpraktijken en de incompetentie en onrechtvaardigheid en onacceptabele praktijken van ‘positieve discriminatie’ in het land minder zullen worden in de nabije toekomst. Integendeel, ik zie alleen maar de eindeloze proliferatie van de kwalen in die ‘zee van problemen’ die zo hartstochtelijk wordt opgeroepen door Hamlet – ‘the oppressor’s wrong, the proud man’s contumely, the pangs of disprized love, the law’s delay, the insolence of office (…)’.
En toch wens ik te blijven. Het is niet dat ik geloof, ook maar een seconde, dat mijn gezin of ik het verdient, of er op een of andere manier recht op heeft. Gedurende de bijna vierhonderd jaar dat we hebben weten te overleven in Zuid-Afrika, hebben we altijd, hoe spijtig ook, vanwege de kleur van onze huid, aan de kant van de geprivilegieerden gestaan. Ook al zijn vele van mijn voorouders arm geweest en moesten ze worstelen, op de een of andere manier hebben ze altijd deel uitgemaakt van de haves en niet van de have-nots. Ze zijn slaveneigenaren geweest, en niet slaven. Bij ten minste één gelegenheid had een voorouder verscheidene kinderen bij een slavin, en verkocht die kinderen op een veiling. Nee, we hebben geen recht op een speciale behandeling.
Maar we zijn hier geweest. In de prachtige woorden van Rilke: ‘Oh, nicht weil Glück ist (…)/ Aber weil Hiersein viel ist, und weil uns scheinbar/ alles das Hiesige braucht, dieses Schwindende, das/ seltsam uns angeht (…)’
Wat betekent het om hier te zijn, om hier te zijn geweest?
Het betekent zonder meer dat ik met anderen, zwart en bruin en wit, dit gedeelte van de aarde deel waar mijn moeder en mijn vader begraven zijn, en mijn grootouders, en hun voorouders, sinds generaties en generaties. Het betekent dat wij geassimileerd zijn door bijna vier eeuwen van leven op dit continent, en op ons beurt die eeuwen hebben geabsorbeerd in onze botten en in ons bloed: de ritmes van droogte en overstroming, de hongersnoden en overvloed, de onmenselijke wreedheden en moorden en ontberingen, het lachen en de liefde en de genade en de gulheid. Dat alles heeft een prijs gehad, en die hebben we betaald, soms met tegenzin of zelfs met spijt, vaak graag en met overgave. We zijn hier geweest, niet ergens anders; en we willen hier zijn. Het gaat om ons, en ik geloof dat door simpelweg hier te zijn, en hier te blijven, dat ik op mijn beurt iets terug kan geven. Ik weet dat ik niet onvervangbaar ben: maar ik kan hier zijn, en door dat te doen kan ik bevestigen dat hier-zijn iets kan betekenen: als deel van een grotere betekenis die alleen kan bestaan door ons samen-zijn op deze plek. Ze ligt in dat belangrijke gezegde dat dit volk bijeen houdt, umntu ngumntu mgabantu: een mens is een mens door andere mensen.
Er bestaat geen samenleving ter wereld die geen uitdagingen kent, of problemen, of gevaren; maar er is een urgentie en een noodzakelijkheid aan het leven in Zuid-Afrika die het een gevoel van betrokkenheid en relevantie en belangrijkheid geven die ik me eigenlijk nergens anders kan voorstellen. Het is die urgentie die het belangrijk en zelfs noodzakelijk voor mij maakt om juist hier te willen schrijven en wonen en nergens anders. Het enige wat echt de moeite waard is, zei Goethe, is datgene waarvoor je elke dag moet vechten.
Ik bied hiermee niet een verklaring voor mijn keuze. Een liefde die kan worden verklaard is geen liefde. Maar het feit dat het niet rationeel kan worden verklaard maakt het niet minder waard. Het is even geldig en even waar als de structuur van mijn DNA. Noch de intimidatie noch de botheid of de verleidingstechnieken van het huidige regime kunnen mij een beslissing opleggen. De keuze is aan mij, en die maak ik in vrijheid. Het is meer dan alleen maar ergens horen, het is een commitment en een verantwoordelijkheid die ik op me neem. Voor mijzelf, voor mijn kinderen en mijn kleinkinderen, voor mijn vrienden, voor de vrouwen en mannen en kinderen die ik liefheb en zonder wie ik niet ik kan zijn.

Vertaling: Rob van Erkelens

Van André Brink zijn de volgende boeken leverbaar: De bidsprinkhaan en De blauwe deur. In september verschijnt bij Meulenhoff De spiegel