Nachtasiel in de graansilo

Volgens George Orwell kun je alleen schrijven als je jezelf wegcijfert. In een poging om dat te doen bracht Arjen van Veelen de nacht door in de daklozenopvang, precies zoals Orwell in 1931 deed.

Waarom we George Orwell moeten lezen

We slapen met zesenveertig man in de graansilo vannacht. We liggen in allerlei houdingen onder dezelfde Rode Kruis-dekentjes van blauw polyester op dezelfde aluminium stretchers. Vier kaarsrechte rijen van slapers, geelzwart plakband op de betonvloer markeert de grenzen rond elk veldbed. Bij de ingang van de hal staan mannen in gele hesjes, ze zien op ons toe.

Het is alsof we slaaptentamen doen.

De kale Hagenees, die als een van de laatsten binnenkwam, luid en vrolijk foeterend op de politie die hem van een bankje in de stad had verjaagd, sliep als een van de eersten. Hij vlijde zijn grote lijf op de stretcher, trainingsbroek nog aan. Nu slaapt hij als een baby.

Een rij verder ligt de donkere jongen in een Winnie the Pooh-jumpsuit, de muts met berenoren over zijn hoofd getrokken, alsof hij gecrasht is na een verkleedfeest. Hoe oud zou hij zijn, begin twintig? Ver voor het licht werd uitgeknipt, lag hij al onder het dekentje te wachten op de nacht.

Mijn buurman is een bleke jongeman uit Polen. Hij ligt op zijn rug zacht te ronken, een glimlach op zijn gezicht, als iemand die in vrede is heengegaan.

Zo zijn we één voor één in slaap gevallen toen om elf uur het licht werd uitgeknipt. We slapen wellustig, gretig, haast op commando lijkt wel. En inmiddels klinkt er een kikkerkoor van gelukzalige snurkers.

Ook ik moet uiteindelijk in slaap gevallen zijn, op mijn rug, met de essaybundel onder mijn kussen. Want tegen vieren schrik ik wakker en kijk ik recht in het gezicht van een man die over mij heen gebogen staat. Waterige ogen, glazige huid. Zijn gelaat dat tegelijk sip en gehaaid is. Ik herken hem meteen.

Laat ik hem Bram noemen. Een half etmaal geleden had hij zich aan me vastgeklampt. Dat was rond zessen in de avond toen we wolkjes blazend stonden te wachten in de Vijverhofstraat in Rotterdam-Noord. Om beurten schuifelde iemand naar voren, naar de beveiliger die een thermometer op het voorhoofd richtte als een pistool. Wie geen koorts had mocht door, wachten op de pendel naar de winteropvang. Bram was kort van stuk, droeg een nieuwe jas die te groot was en die ritselde en kraakte als een regenpak. Hij sprak met een plat Rotterdams accent.

‘Die lange wil me vermoorden, hij denkt dat ik een jas gejat heb’, zei hij tegen de beveiliger, knikkend naar een groepje wachtenden even verderop. De man in het oranje hesje leek niet meteen onder de indruk, maande hem vriendelijk door te lopen.

Toen kwam Bram met zijn nerveuze, waggelende loopje op mij af. We kwamen in hetzelfde busje terecht. Vanaf dat moment week hij niet van mijn zijde.

Het was vrijdagavond in december, koud en helder. In het busje klonken kerstliederen. We gingen dwars door de stad, van Noord naar Zuid, langs alle highlights. De drukke Coolsingel, de gezellige Koopgoot. Vanaf de heuvel van de Erasmusbrug keken we even uit over de Maas. In het water parelden de lichtjes van de nieuwe glimtorens.

Wat is de stad mooi geworden, dacht ik toen we de Tarwewijk inreden, waar ik op school zat toen het er nog naar meel rook. We reden om de Maassilo heen, de donkere kade op. Vroeger meerden hier de schepen aan met graan uit heel wereld, later kwam er een feestlocatie en vanavond worden hier de verschoppelingen van de aarde ontscheept. Ook uit alle windstreken: Polen, Antillianen en Roemenen; Bulgaren, Tsjechen, Esten. Maar ook een geboren Rotterdammer, zoals Bram, die in Feijenoord geboren is, op een paar kilometer van waar we stonden te wachten in de rij voor de beveiliging.

‘Ik slaap naast hém’, zei Bram tegen de beveiliger. Hij wees met een priemende vinger naar mij. Hij kreeg een bed niet ver van het mijne. Maar toch nog te ver, vond hij. Dus sleepte hij zijn stretcher over het plakband naar mijn toe. Een man in een hesje wees hem weer op zijn plek.

Bij de winteropvang komen de moeilijksten van de moeilijksten, was me vooraf op het hart gedrukt door Siavash Montazeri van de Nico Adriaans Stichting, die voor de gemeente de noodopvang organiseert. Hier mogen ook de ‘niet-rechthebbenden’ naar binnen, zoals dat in jargon heet. De daklozen zonder pasje.

Want ook om dakloos te wezen heb je tegenwoordig een certificaat nodig. Eerst ga je op mondeling examen bij het Centraal Onthaal, waar een ambtenaar beoordeelt of je niet nog ergens een neef met een bankstel hebt. Slaag je voor die proef, dan doorloop je een langere test: de Zelfredzaamheid-Matrix®, een afvinklijst met dertien vragen om te ‘meten’ hoe het met je gaat. Daarna krijg je een pasje.

De winteropvang is voor wie daarbuiten valt. Bijvoorbeeld illegale arbeidsmigranten; die hebben bijna nergens recht op. Hier komen ook zorgmijders, zwaar verslaafden, zware psychiatrische patiënten, mensen met een strafblad, aan lager wal geraakte arbeidsmigranten – soms alles tegelijk en door elkaar. Ze slapen normaal onder snelwegtaluds, parkeergarages of parken, in zelfgemaakte tentjes. Je ziet ze soms in de vroege uren, als ze hun slaapzak oprollen terwijl even verderop de eerste bootcampers en buitensporters hun yogamatjes juist uitrollen, een wisseling van de wacht die de stad samenvat.

Als de gevoelstemperatuur onder het vriespunt daalt, gaat de noodopvang open. Dan komen ze uit alle hoeken en gaten van de stad. Mensen zonder pasje, die niets te verliezen hebben. Soms zijn er kleine opstootjes, de politie is altijd paraat. En de hygiëneregels zijn streng. Afgelopen jaar is er geen enkel coronageval geweest.

‘Ben je Turks of Nederlands?’ vraagt Bram. We zijn inmiddels gecontroleerd op drank, drugs, wapens; we hebben koffie gehaald. Dan vertelt hij me wat er gaande is. De ‘Russen’ daar in die hoek hebben slaapmiddel in zijn koffie gedaan, zodat ze hem straks iets aan kunnen doen. Gelukkig had hij het net op tijd door, hij gaat een nieuwe beker halen.

‘Er gaat vannacht iets gebeuren’, zegt hij. ‘Het is in Gods handen, ik heb dit nog nooit zo gevoeld.’

Hier komen ook zorgmijders, zwaar verslaafden, zware psychiatrische patiënten, mensen met een strafblad– soms alles tegelijk

Het eten is erg goed. Gul gevulde groentesoep en voor ieder ook twee belegde broodjes (kipfilet en tonijnsalade). We eten zittend op de bedden of aan de lange tafels, zwijgend als monniken. Naast me aan een lange eettafel lepelt een Chinees met ingevallen wangen zijn soep op. Voor me kauwt een blanke man in reflecterende bouwvakkersjas zwijgend een broodje weg. Er zijn dan nog drie uur te doden voor het licht uitgaat.

Even later staan Bram en ik buiten te roken. We kijken uit over het zilverzwarte bekken van de Maashaven. Er is een heldere maan. Stadsgeluiden waaien aan, het ronken van de metro. Op de kade zingt iemand een vrolijk-melancholisch lied in een taal die ik niet kan thuisbrengen. Bulgaars?

In de verte ligt het sneeuwwitte stoomschip Rotterdam, behangen met lichtjes, een prachtige kerstboom. Daarachter de verzameling torens van de Kop van Zuid. We hebben het over de nieuwe woontorens, net die week kwam het nieuws dat er aan de Rijnhaven weer een toren bij komt, tweehonderd meter hoog.

De jonge donkere man in zijn Winnie the Pooh-jumpsuit komt bij ons staan, bietst een sigaret, voegt zich in het gesprek.

‘Geef mij zo’n penthouse en een goede computer en ik regel mijn eigen 3D gay parties’, mijmert Winnie the Pooh, onnavolgbaar maar opgewekt. Eventjes lijken we een groepje te vormen. Maar zodra Pooh weg is zegt Bram: ‘Hij deed nu wel aardig, maar hij hoort ook bij hun.’ Hij knikte naar een groepje even verderop.

Hij buigt zich naar me toe, vertelt dat ze misschien wel iets in de koffie in de thermosfles hebben gedaan. Wat dus betekent dat ik straks ook als een blok in slaap zal vallen. Hij maant me wakker te blijven, alert, anders nemen ze mij ook te grazen.

Ik ben zijn reddingsboei in de bange nacht of zijn – de gedachte schiet heel even door me heen – menselijk schild. Nog twee uur te doden voor het licht uit gaat. Ik pak het boek uit mijn rugtas, Waarom ik schrijf, een bloemlezing van essays en reportages van Orwell, en ga aan een van de tafels zitten.

‘We waren met zijn negenenveertigen. We waren te moe om veel te praten’, lees ik. ‘We lagen uitgeput, in allerlei houdingen, ongeschoren, zelfgerolde sigaretten te roken… Goor uitschot uit de stad leken we… een smet op het landschap, net sardineblikjes en papieren zakken op het strand.’

De regels komen uit het ‘The Spike’, vertaald als ‘Nachtasiel’. In het essay uit 1931 verhaalt Orwell over een nacht in de daklozenopvang. Het is een voorstudie op zijn bekende werk Down and Out in Paris and London.

Liefst 34 keer gebruikt Orwell in het essay het woordje ‘we’, tel ik.

‘De wijzers van de klok kropen ondraaglijk langzaam voort’, lees ik verder. ‘Je hoorde niets anders dan vloeken en luidruchtig gapen…’

De zinnen zijn dan toepasselijk en soms bijna te prachtig (‘De verveling stolde in ons hart als koud schapenvet’), maar ik kan me niet concentreren, mijn blik glijdt steeds naar de zaal.

‘Good prose is like a window pane’ luidt een bekend schrijfadvies van Orwell. Laat je schrijven helder zijn als een pasgezeemde ruit. Schrijf aanschouwelijk. Mooi natuurlijk. Maar veel relevanter is de zin die eraan voorafgaat: dat je niets leesbaars kunt schrijven ‘als je niet voortdurend je best doet om je eigen persoonlijkheid weg te cijferen’. Is dat niet precies waar het tegenwoordig misgaat? Schrijvers die hun eigen persoonlijkheid of wokeness voor het raam zetten en zo het zicht op de wereld blokkeren? Maar zou ik niet precies hetzelfde doen als ik daarover mijn mening gaf? En toen viel het kwartje: je kunt niet over Orwell schrijven zonder eerst naar buiten te zijn geweest.

Dus zit ik hier. Naast een oude man met een haardos als Tolstoj gebogen over een krantenpagina met sudoku’s. Tegenover een jongeman in een gebreide wollen trui wiens mobieltje in stukken op tafel ligt. Hij zit te peuteren met een ijzerdraadje, een onmogelijke missie lijkt me. Maar even later drukt hij het oortje van de koptelefoon tegen zijn oor en verschijnt er een glimlach op zijn gezicht.

Geritsel van een jas. Bram komt naar de tafel, wenkt me.

‘Ze gaan me vannacht in het gezicht branden’, weet hij. Hij smeekt me om niet te gaan slapen. ‘Ze zijn nu mensen aan het ronselen. Met coke en zo.’

Zijn paranoia is niet afgenomen, maar stelt me op een vreemde manier ook gerust, bang als hij is voor dingen die zeer onwaarschijnlijk zijn.

Ik beloof Bram dat ik vannacht goed op zal letten. Betrokken schrijven is een kwestie van goed uit je doppen kijken, dat is de enige les van Orwell die er toe doet.

Betrokken schrijven is een kwestie van goed uit je doppen kijken. Moeilijk genoeg: hoe weet je nu wat je ziet?

Het is moeilijk genoeg. Hoe weet je nu wat je ziet? Sommigen hier ogen te oud voor dit leven, tegen de zeventig; anderen juist veel te jong. Er zijn vast boeven bij en braven, er is een enkele vrouw (zij mogen apart slapen), in elk geval één overduidelijke homo. De meesten hier zijn witte mannen, maar geen witte mannen zoals ik.

Veel mensen in de slaapzaal zijn Midden- en Oost-Europese arbeidsmigranten. Ze kwamen hier om paprika’s te plukken, pakjes te sorteren, huizen te bouwen.

Mensen op wie onze levens draaien, ze pakken de tomaten in die je bij de Appie koopt, vertelde Anna Bartmann me eerder die avond. Ze bezocht de winteropvang namens Stichting Barka, die Poolse daklozen wil helpen terug te keren naar Polen, om daar een bestaan op te bouwen. Ze zijn hier vaak naartoe gelokt onder valse voorwendselen, gijzelaars van malafide uitzendbureaus. Of eigenlijk: uitbuitbureaus. De meesten waren of raakten verslaafd, struikelden over het ritme van de havenstad, raakten hun baan kwijt – voor jou tien anderen – en daarmee hun bed.

De hele carrousel blijft draaien omdat de uitzendbureaus alles kunnen maken, ze worden slecht gecontroleerd, want alles draait om geld.

In de doucheruimte bij de wasbakken tref ik mijn buurman, een jonge, kalende Pool. Hij is naakt, op een blauwe korte broek na. Maanbleke huid met wat blauwgroene tatoeages. Ik poets mijn tanden. Hij zet zijn voet op de wasbak, verzorgt zijn tenen als een edelsmid.

Ik maak mijn bed op voor de nacht. De essays leg ik onder het te dunne kussen.

Bram loopt heen en weer langs zijn bed. Hij zingt. Eerst ‘Let It Be’ en daarna flarden van, ik vermoed, een gospellied – ‘to tuuurn my life around’.

Hij komt naar me toe.

‘Wat bleef je lang weg?’ zegt hij. ‘Er gaat iets gebeuren vannacht. Ik weet het, jij weet het, wij weten het straks allemaal.’

Dan stuurt een man in een hesje hem terug.

Om elf uur stipt gaat het licht uit. Een groengele schemering blijft hangen. En als op commando stijgt er van het ene na het andere bed gesnurk op.

Soms schuifelt er nog iemand langs. Soms klinken er kreten, soms flarden van zinnen, murmelend uitgesproken in de halfslaap.

Jaha… dat krijg je er nou van als je ghb gebruikt.

Was soll ich machen? Junkie life, weisst du.
Kankerzooi op z’n Haags.

Maar het is nog geen twaalf uur als de zaal zo stil lijkt als de cabine van een nachtvlucht boven de oceaan. Niemand slaapt hier voor zijn lol, had een gemeenteambtenaar me gezegd – maar wie hier komt valt als een blok in slaap.

Dit is wat er vannacht gebeurt: er klinkt geronk van mannen die slapen als kinderen. Hun zagen en reutelen en raspen stijgt op langs de betonnen wanden, naar het hoge plafond – ja, als een dankgebed stijgt het geronk op naar de nok van de oude graansilo.

Het komt vast door de loden vermoeienis die op deze lichamen drukt.

En het komt misschien door de indrukwekkende vriendelijkheid van de mannen in hesjes, die weliswaar zeer streng toezien op de regels – mondkapjes op als je rondloopt, niet bijeen klitten – maar die tegelijk vrolijk blijven en bewonderenswaardig humaan optreden. Helemaal niet als beveiligers, eerder als nachtverplegers, en juist daardoor scheppen ze in deze hal een veilige haven.

Toch slaap ik niet. De 100% polyester dekentjes van het Rode Kruis zijn maar dun. Net als de kussens. Ik leg het boek eronder. Lang lig ik te woelen. Soms doezel ik een seconde weg, om schrikachtig als een jong katje mijn hoofd op te tillen bij elk gek geluid.

Het slapen lukt niet, ik ben niet een van hen: ik weet niet wat het is om de loden zwaarte van deze stad tot in mijn botten te voelen. Ik zak nog voor dit slaaptentamen, denk ik. Tot ik wegzak.

En daarna al gauw weer wakker schrik. Geritsel naast m’n bed. Bram. O ja, ik moet wakker blijven. Goed blijven kijken, het enige dat telt.