Nachtdier

Te midden van de zwijgende kooien en hokken was het winter geworden. Geruisloos, op soms een teer en vleugelig waaien na, een briesje dat de zwarte cape van de schrijver even opbolde, dat zijn rug vleugels gaf. Als een gevallen engel. Hij was op weg naar het achterste gebouw.

Het was avond. De schrijver had zich tegen sluitingstijd achter het nachthok van de luipaarden verscholen, en had gewacht tot de duisternis inviel. Toen de laatste gasten waren vertrokken - ‘Mama-a-a! Ik wil nog naar de olifanten!’ 'Ander keertje, jongen’ - dorst hij zijn bergplaats te verlaten.
Stram kwam hij overeind. Zijn verkleumde botten schrijnden in zijn lichaam. Hij rechtte zijn rug. In de verte het zware zuchten van de wind, die geleidelijk sterker werd. In de verte het logge loeien van een beer, het geluid van afzondering en leegte.
De schrijver spiedde om zich heen om te zien of hij alleen was. Hij was alleen. Vanmiddag, bij zijn onopvallende bezoek aan de dierentuin, was hij in het onderkomen van de nachtdieren geweest. Zijn hart, eerst rusteloos en opgewonden, werd stilaan rustig bij zijn wandeling door de verduisterde gangen. Het duurde enkele minuten voordat zijn ogen aan het donker gewend waren.
Traag werden ze zichtbaar, begonnen hun silhouetten zich af te tekenen in het gesmoorde licht: kleine woestijndiertjes die met grote ogen naar hem leken te kijken; dikbonte luiaards, zwaar aan een boomtak; neurotische aapjes wegschietend in een hol in de grond. De schrijver zag zijn gezicht weerspiegeld in de ruit van het hok. Hij zag de holle wangen, de diepliggende ogen. Hij zag de zwarte schaduw op zijn kin. Hij keek, en hij bleef kijken. Vermoeid. Vermoeid. Vermoeid. (Jeroen Brouwers schreef eens dat lange tijd niet-scheren de zelfmoord vooraankondigt.)
De schrijver had aan de binnenkant een kleine deur van het slot gehaald, ongezien.
Nu, in de avondstilte van de wintertuin, liep hij langs de hokken van zijn dieren naar die deur. Zijn hart was opnieuw rusteloos. De deur was open, en de schrijver betrad het vertrek van de nachtdieren.
Zijn zwarte cape hing zwaar om zijn schouders. De schrijver liep naar het hok van de vleermuizen, sloop door de verzorgersingang naar binnen en trok zijn cape uit. Legde die opgevouwen op het zand.
In het diepgrijze licht hing de schrijver ondersteboven aan een tak, zijn voeten sterk en vast om het hout gekromd. Aan weerszijden de andere vleermuizen.
Alles was stil. De schrijver, zijn vleugels gevouwen voor zijn borst, voelde zijn hart langzaam maar definitief rustig worden, kalmer, kalm. Het was winter. Alles was stil.