MARLENE VAN NIEKERK

Nachtelijke herhalingsoefening

Tekening; Dick Tuinder

Gewoonlijk is de (innerlijke) monoloog een procédé waarbij de schrijver gebonden is aan het perspectief van die ene persoon. De Zuid-Afrikaanse schrijfster Van Niekerk demonstreert met datzelfde middel wat er gebeurt als iemand meer wil zeggen dan hij kan.
MEMORANDUMUit het Afrikaans (2007) vertaald door Riet de Jong-GoossensQuerido, 199 blz., € 17,95

Medium cover 20op 20maat kl

De Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene van Niekerk (1954) publiceert al sinds 1977 gedichten, verhalen en romans. Na vertalingen van Agaat (uit 2004) en vervolgens haar eerste roman, Triomf (uit 1994) is er nu de recente roman Memorandum. Je kunt je nauwelijks grotere verschillen voorstellen als tussen deze drie omvangrijke boeken. In Triomf zingt een in een soort uitdragerij van een huis bivakkerend gezin van blanke misfits z’n marginaal bestaan uit. Agaat is een zwarte vrouw die de oudere blanke mevrouw die haar ooit in bescherming nam in haar laatste dagen verpleegt of kwelt; deze hangt in een sterfbed van ijzeren stangen en kan nog maar met één oog communiceren. In de nieuwe roman schrijft in april 2006 een zekere Johannes Frederikus Wiid, gepensioneerd directeur Stadsverfraaiing, over een nacht in oktober 2005 op de intensive care van het Tygerberghospitaal, toen hij voor behandeling van zijn leverkwaal tussen twee oudere mannen kwam te liggen die, terwijl hij zich slapend hield, een nachtlang met elkaar in gesprek waren.

Medium niekerk bank

Drie romans: drie plaatsen van handeling – of is de plaats zelf al de handeling? Met enig wrikken kun je, ter vergelijking, alledrie de situaties sterfhuisconstructies noemen: uitgestelde sterfscènes die zich afspelen op het braakland tussen leven en dood. In meer realistische termen gaat het om overbodigen: het gezin in Triomf handelt in rotzooi en is zelf afval; de plaats van de verlamde Milla de Wet als baas van een grote boerderij gaat overgenomen worden door de kordate zwarte Agaat; Wiid is een afgedankte ambtenaar, en de twee intellectuelen met wie hij de intensive-carekamer deelt zijn doodziek en horen ook nog eens tot een uitstervend soort.

Medium niekerk marine 1

Verteld, of liever naverteld wordt het nachtgesprek tussen de twee mannen. De een is zijn ogen kwijt, van de ander zijn de voeten geamputeerd. Veel woorden worden daaraan niet vuilgemaakt: de een vraagt zich af hoe hij voortaan moet huilen, de ander wat er met zijn schoenen gebeurt. Een nieuwe verpleegster vraagt zich ’s ochtends vroeg af waar de twee stand-up-comedians op de intensive care vandaan komen. De luisteraar tussen hen denkt eerder met een ‘tweekoppige waanzin’ te maken te hebben. Hij duidt de twee aan als X en Y. Met enige moeite kan de lezer uit wat ze zeggen opmaken dat X (in het begin nog meneer Bril) een ornitholoog is en Y (eerst meneer Stoel) een architect. Wat ze gemeen hebben is hun woordenkraam en dito kennis; ze vinden elkaar in een boek van de Franse fenomenoloog Gaston Bachelard, dat ze alle twee van buiten kennen. Het boek heet Poetica van de ruimte en dat is ook hun voornaamste onderwerp: ruimte – in het algemeen (zo zijn beiden gebiologeerd door ‘het nest’), en hun benauwde veste in het bijzonder, het ziekenhuis waar patiënten thuishoren. Oorspronkelijk had de roman als ondertitel ’n verhaal met skilderye, wat sloeg op de samenwerking met de schilder Adriaan van Zyl. Van de zestien in- en doorkijkjes staan op de flap van de Nederlandse uitgave zes ziekenhuisschilderijen afgedrukt.

Medium niekerk marine 2

Twee mannen in een tweelingsterfbed, het literaire cliché is dat er dan terugblikkend levens worden doorgenomen. Mis, de mannen lijken zich alleen voor hun huidige situatie te interesseren; het is de luisteraar die af en toe, wanneer de twee even hun mond houden, door jeugdherinneringen overvallen wordt. Misschien speelt de lezer meteen een andere verwachting parten, gewekt door sommige recensies en op het eerste gezicht door het boek in de hand gewerkt. Het lijkt bol te staan van geleerde verwijzingen, namen en titels. Ook de vele, soms paginalange voetnoten versterken de indruk dat het een lexicon voor ingewijden zou zijn. Dat is een misverstand, daarom zo vervelend omdat het juist om inwijding gaat. Het is waar, X en Y zijn ingewijden, ze weten waar ze het over hebben, maar voor de kennis en interesses die ze delen hoeven ze natuurlijk geen titels en bronnen te noemen; zij hebben aan een half woord genoeg. En meneer Wiib begrijpt er in de eerste ronde zó weinig van dat alles het ene oor in en het andere uit gaat. Dankzij een feilloos geheugen, vanaf zijn jeugd geoefend (hij was altijd al een papegaai) en vervolmaakt in zijn beroep, kan hij de nachtelijke gespreksflarden een half jaar later integraal reconstrueren. Voor die tweede ronde, op de vooravond van zijn hernieuwde ziekenhuisopname, heeft hij op 11 april 2006 opnieuw een hele nacht nodig om op zijn Remington die andere nacht in eigen (zich toegeëigende) woorden over te doen.

Medium niekerk stoelen

Waarom begint hij eraan? ‘Het zou inderdaad gemakkelijker zijn om een onderzoeksverslag te schrijven over elk van deze afzonderlijke onderwerpen dan om woorden te vinden voor de onrust in mijn binnenste die sedert die nacht alleen maar is toegenomen.’ Wat heb je aan een goed geheugen bij het onthouden van een onbegrijpelijk gesprek? De oplossing is een spiekbriefje: een lijst van fonetisch genoteerde namen en begrippen, die hij de afgelopen maanden is gaan opzoeken, in de bibliotheek dankbaar geholpen door een rare snuiter van een bibliothecaris. Die lijst van ‘spookwoorden’ met uitleg (bijvoorbeeld ‘army-kist-mors/mot-iets’? wordt ontraadseld als ‘amicus mortis’, een vriend tot in de dood) vormt achterin Addendum 2, ook wel Memorandum 1. De lijst is het geraamte dat meneer Wiid deze nacht aankleedt.

Medium niekerk stoot push

Inmiddels weet hij beter. Door zelfstudie is hij een gelijkwaardige gesprekspartner van het tweetal geworden, iemand met eigen gedachten. Het ontzag voor de hoge vlucht die het gesprek van de twee soms nam, is hij ook kwijt. Maar tegelijk nemen zijn twijfels toe: nu pas ziet hij dat het eervol ontslag letterlijk afdanken betekende, en kijkend met de blik van de twee heren stelt de directeur Stadsverfraaiing vast dat zijn eigen omgeving niet om aan te zien was. In zijn wereldbeeld is die nacht een gat gevallen, lek gestoten. Het slot van het liedje is dat het gat alleen maar groter wordt. Hoe mager waren de ideeën waarop hij zijn beroep baseerde. Als de stroom van arbeid, kapitaal en informatie maar werd veiliggesteld, luidde zijn motto; het model was een buis waar alles vlot doorheen stroomt. Het nachtelijke gesprek leert hem de kunst van de belemmering, van de zijpaden, de omweg – hij wordt een woorden- of zelfs boekenmens.

Misschien gaat de roman van Van Niekerk dáár wel over: hoe deze man met zijn beperkte middelen nauwelijks te vatten gevoelens en warrige gedachten onder woorden probeert te brengen. Gewoonlijk is de (innerlijke) monoloog een realistisch procédé dat ruimte vreet, waarbij de schrijver gebonden is aan het perspectief van die ene persoon. Van Niekerk kan met datzelfde middel laten zien, je zou bijna zeggen: demonstreren, wat er gebeurt als iemand meer wil zeggen dan hij kan. In Agaat moet de oude Milla met woorden compenseren wat haar lichaam en haar zintuigen niet meer kunnen. In Triomf spuit de galbak Treppie in zijn rioolmonologen meer dan hij zelf beseft. De monoloog is hier in zoverre realistisch dat zichtbaar wordt wat personen met een beperkt bewustzijn niet kunnen formuleren, of alleen met heel veel moeite, maar ook hoe zij het op hun manier soms juist heel adequaat vertellen.

Medium niekerk trek pull

Meneer Wiid begrijpt heel goed wat X en Y zeggen. Hij heeft op een gegeven ogenblik in de gaten dat er een subconversatie gaande is, dat de intellectuele gesprekken ook dienen om de moed erin te houden, angst en pijn te overstemmen en het einde uit te stellen; hij neemt zelfs waar, en dat is niet mis, hoe ze elkaar met debating-_trucjes steunen, juist als ze jennen en elkaar tegenspreken. Geleidelijk aan beseft hij ook precies waar hun tweestemmige gedachtegang om draait – om het ziekenhuis, preciezer: de vraag wat er huis of thuis aan is. Ooit werden zieken in eigen huis of in dat van een gastheer verzorgd, in de door het lijden geobsedeerde Middeleeuwen werd de zieke uit huis geplaatst, in het gasthuis (het woord komt in de roman niet voor). X doet die geschiedenis uit de doeken om te laten zien dat er voor de persoon van een patiënt in het ziekenhuis, waar alles beweegt wat thuis vaststaat (zoals het bed), geen passende plaats is, voor de dood en de doden nog minder. Alle uitweidingen daarover wijzen in de richting van een _ars moriendi, die draait om de goede dood: voor elk individu een dood die hem staat, een dood die past. Dat wordt ook de voornaamste zorg van de hoofdpersoon tijdens het overschrijven – in die zin wordt het een echte herhalingsoefening.

Wiid schrijft zijn memorandum terwijl de koffer voor het ziekenhuis al klaar staat, maar hij besluit alsnog niet te gaan, hij is niet langer een lijdzame patiënt. Er staan achter in het boek nog twee memoranda: het eerste is de woordenlijst – de voetnoten zijn de voetsporen van zijn speurtocht in de boekenwereld. Het tweede is een tabel waarin hij met trefwoorden noteert hoe de operatie overmorgen zal verlopen, een memo vooraf, met in één kolom het positieve en in een andere het negatieve resultaat.

In het begin van zijn marathonschrijfsessie stelt hij vast dat zulke tabellen met alleen maar feiten niets zeggen. Dat bewijst de roman; toch levert na lezing ervan de tabel in kleine lettertjes nog enkele interessante details – maar hangt het hele boek niet van zulke met een vergrootglas te bekijken details aan elkaar?