Nachtkijken

The Insult. Uitg. Bloomsbury, 406 blz., f34,60
Er staan een paar treffende zinnen in de nieuwe roman van Rupert Thomson, The Insult: ‘Onze eeuw heeft alles weggenomen waar we op vertrouwden. Onze eeuw heeft ons totaal uitgekleed. De godsdienst is verdwenen, het gezin ook. Wij zijn alleen, tussen afleidingen, en dan is het voorbij.’

Ik had net de toneelbewerking van Frans Kellendonks roman Mystiek lichaam gezien en was bezig te formuleren waar toneelstuk en boek volgens mij over gingen toen Thomson mij zijn zinnen aanbood. In Mystiek lichaam botsen dierlijk instinct (het bloed dat zijn eigen gang gaat) en kunstmatigheid (pose, manipulatie, vervalsing) hopeloos op elkaar; het boek is een theatrale zoektocht naar een verloren gegane gemeenschapszin door personages die hun individualistische eigenaardigheden niet kunnen verloochenen. Dat is de eeuwige paradox van de mens die wel ergens bij wil horen, maar tegelijkertijd zijn ego niet met huid en haar wil inleveren. Carry van Bruggen formuleerde het dilemma ooit bondig: ‘Eenheidsdrift is doodsdrift, distinctiedrift is levensdrift.’ Kellendonk gebruikt dat als motto, maar komt er niet uit - hij signaleert de twee driften maar heft de tegenstelling niet op. Wat te doen als we geen ideologisch dak boven ons hoofd meer hebben? Naar een nieuw dak zoeken, een andere kerk bouwen, of het beste maken van wat ons eigen ego te bieden heeft?
Rupert Thomson lijkt resoluut voor de flexibiliteit van het individu te kiezen. In The Insult wordt Martin Blom op een parkeerterrein getroffen door een kogel, afgevuurd door een onbekende. Het schot maakt hem blind. De dokter die hem behandeld, waarschuwt hem dat zijn genezingsproces gepaard kan gaan met visioenen, voortkomend uit de drang toch weer te willen zien. Martin Blom meent dat zijn ge zichtsvermogen weer terugkeert, 'snachts: 'De nacht was mijn bondgenoot en mijn zien was er hoe dan ook mee verbonden.’
Hij besluit zichzelf uit het ziekenhuis te ontslaan, zijn verleden de rug toe te keren en een nieuw, anoniem bestaan op te bouwen in een onbekende stad. 'Geen herstel, geen reunie, maar een afscheid…’
Hij verdwijnt, een manoeuvre die in alle romans van Thomson voorkomt. Er blijft echter een probleem: hij ziet dingen die anderen niet zien. Wat is er aan de hand? Wordt hij gek? Zijn de wellustige scenes die hij ziet eerder wens dan werkelijkheid?
De kracht van The Insult is dat Martin Blom steeds meer verwikkeld raakt in een hallucinerende droomwereld en dat Thomson de groeiende paranoia tot een spannend verhaal vol waanzinnige taferelen laat uitgroeien.
Wel zit er een knak in de roman die de verhaallijn op een ongelukkige manier in tweeen breekt. Martin Blom ontmoet de raadselachtige Nina en daar ontspoort het verhaal. De zoektocht naar haar en haar verleden komt volledig in de plaats van de paranoide hallucinaties. De lezer komt dan in een, op zich fascinerende, streekroman terecht met de bekende elementen: zwijgzaamheid, jaloezie, plotselinge verdwijningen, incest, familiaal geweld, moord en doodslag. Dat verhaal, een soort raamvertelling, breekt al wat voorafging af. Thomsons poging tot afwikkeling aan het slot is dan ook niet meer dan het vakkundig maar obligaat aan elkaar knopen van alle draadjes. Wat wil hij met die ingevoegde streekroman? Is het een verhaal over gemeenschapszin vol bloed en bodem dat commentaar levert op de hoogst individualistische capriolen van Martin Blom, wiens paranoide geestesoog groter en groter wordt? Misschien.