Peter Sloterdijk, Sferen

Nachtmerrie met airconditioning

Peter Sloterdijk, de Diogenes van deze tijd, wil gevaarlijk denken. In de eerste twee delen van de trilogie ‹Sferen› herschrijft hij de genesis-geschiedenis van de mens.

Al vanaf Kritik der zynischen Vernunft (1983) gedraagt Peter Sloterdijk (1947) zich als een moderne Diogenes van Sinope. Deze Griekse wijsgeer was een denkende dwarsligger, een onconventionele schoolmeester en voor de Atheense burgers vaak een onvoorspelbare cabaretier of een charlatan zonder meer. Hij morrelde permanent aan de ingesleten leef- en denk patronen. Diogenes, zowel Sloterdijks als Nietzsches kroongetuige, had geen huis maar bewoonde een ton. Wie de Duitse denker Sloterdijk wil vastpinnen op een vaste woon- of denkplaats kan niet om de term dakloosheid heen. Hij wil zich niet laten vangen, houdt zich verre van wetenschappelijke hokjesgeest en wenst een «vrolijke wetenschapper» te blijven die zich met Nietzsche blijft afvragen wat we deden toen we aarde en zon loskoppelden; is er nog wel een boven, onder of een middelpunt; dolen we niet als door een oneindig niets?
Wat is wonen? In zijn indrukwekkende trilogie Sferen — waarin Sloterdijk op de heideggeriaanse vraag: «Waar zijn we als we in-de-wereld zijn?» antwoorden zoekt op micro- (de baarmoeder) én macroniveau (de kosmos) — wordt Diogenes’ beruchte pithos naar het hier en nu verplaatst. De hedendaagse filosoof bevindt zich ook in een halve ballingschap. Hij woont niet meer in de empirische stad maar «in een lumineuze ton, de kosmos» (deel II: Globes). Met de tragediedichter Euripides stelt Sloterdijk vast dat de post-Verlichtingsfilosofen en «de nobele mens» op de hele aarde hun vaderland vinden. Als platoonse zielen zwerven zij overal rond, «als immigranten en mensen op doorreis…» Nadenken over het wonen in de stad veronderstelt dat men zich ook op andere plaatsen thuis kan voelen en elders wortel kan schieten. «Wonen zonder te wonen. Leven zonder rugdekking door huis of stad. Denken als in een vrije val.» Als de mens de idioot van de kille en stille kosmos is, die immer uitdijende ruimte, dan voelt de denkende en kwetsbare mens zich aan één stuk door vallen. Leven valt dan samen met de experimenteerlust van mensen met inzicht, met denkoperaties waarbij de filosoof zichzelf ook als proefkonijn beschouwt. Filosoferen is speelruimte scheppen tegen het vergeten. Het is geen toeval dat Sloterdijks beeldend denken doorspekt is met metaforen die met de heel- en geneeskunde te maken hebben: de filosoof als vroedvrouw, hartchirurg of homeopaat die de mens weerbaar en immuun wil maken tegen allerlei vergiftigings verschijnselen, of die nu door de media of door het klimaat (de aardse atmosfeer) opgeroepen worden.
Wie gevaarlijk denkt, de platgetreden paden mijdt en dus uitdaagt, heeft de plicht te schrijven. In Selbstversuch (1996) hekelde Sloterdijk de onschadelijke schrijvers. Meesters van het gevaarlijke denken als Nietzsche, Spengler, Kafka, Heidegger, Musil, Melville, Conrad en Mann besmetten zichzelf met de stof waarmee ze werken en stellen daarom iets voor. Denken is verhuizen naar de plaats waar verdere ontworteling niet meer mogelijk is: denken over de rand van de afgrond heen omdat de mens van zijn religieuze ankers is losgeslagen en de hemel krakend op hem is neergestort. Waar zijn we eigenlijk als er geen centrum meer is, geen goddelijk richtsnoer, geen overkoepelend denkhuis waarin we kunnen schuilen?

In Sferen heeft Sloterdijk zich de gigantische taak gesteld om rond het Griekse begrip sphaira (kogel) de hele genesisgeschiedenis van de mens op een nadrukkelijk narratieve, welhaast romaneske wijze te herschrijven. Bellen heet het eerste deel, en de lezer die nu de aarde voor zich ziet als het product van een onverschillige bellenblazende god, of als een kwetsbaar kogeltje in een ijskoude kosmos, zit op het goede denkspoor. De oerruimte is voor Peter Sloterdijk de baar moeder, de eerste beschutting van de hol bewoner die mens heet. En omdat Sloterdijk de ruimte of sfeer op platoonse wijze benadert — «de ruimte als vroedvrouw van het worden» — staat hij uitvoerig stil bij het trauma dat geboorte heet, de uittocht van de mens uit een primitieve symbiose met de moeder (koek): de liefdesstolp van moeder en kind.
Rilke dichtte al over de «ontsteltenis van een schepsel» dat, uit de schoot geboren, moet vliegen. De eenmaal «ter wereld gekomen» mens blijft op zoek naar een ronde ruimte die hem beschutting en identiteit biedt: het gezin, de familie, het dorp, de stad, de natie. Geïnspireerd door Plato gaat Sloterdijk zo ver elke geboorte te beschouwen als de geboorte van een tweeling. Ieder mens is tijdens zijn leven op zoek naar zijn verloren wederhelft, naar zijn andere pool, naar een nieuwe eenwording als intiem minimum. Wie zich buitengesloten voelt, wil weer naar binnen. Wie uit een paradijs is verdreven en de wereld als «hel» beschouwt, zoekt beschutting. De mens is een dier dat gemis kan voelen en daardoor de aarde als een thanatologische ruimte ervaart. Anders gezegd: omdat de menselijke geest door dood en afwezigheid wordt uitgedaagd, zijn beelden broodnodig. Geen wonder dat de Duitse dwarsligger in Sferen welhaast een handelaar in metaforen wordt.

Sloterdijk doet in Sferen de nog nooit ondernomen poging het epos te vertellen van de twee-eenheden die verloren lijken maar nog net niet zijn vernietigd. Hij schrijft er beeldend en meeslepend over: «We storten ons in een verdwenen geschiedenis die verhaalt van de opbloei en de ondergang van het intieme Atlantis; we exploreren een geademd continent in de matriarchale zee…», een werelddeel dat de mens heel vroeger bewoond heeft maar dat hij in de huidige historie verlaten schijnt te hebben. Als gevaarlijk denker die opgewekt manoeu vreert tussen logica en bijgeloof, Verlichting en mystiek of taoïsme en mesmerisme, en die ook nog eens van vele wetenschappelijke en artistieke walletjes eet (biologie, antropologie, rechten, psychologie, literatuur, enzovoort) is hij voor veel rechtlijnigen in welke leer dan ook een glibberige, ongrijpbare, niet te vatten filosoof. Sloterdijk wil nadrukkelijk de «vergeten era van de metafysica en de klassieke imperiums» als tradities nieuw leven inblazen. Zowel de theologie als de ontologie koesterde vanaf het begin de metafoor van de bol. De kosmos is een cirkel, een kogelvormig reservoir. Waarna Sloterdijk olie op het vuur gooit: «Laat de theologen zich maar rustig inbeelden dat hun god dieper is dan de god van de filosofen; maar dieper nog dan de god van de theologen is de god van de morfologen.» De mens voelt een morfologische dwang om hoe dan ook te overleven, ondanks ondraaglijke verliezen. De rouwtocht door de historie is het eeuwige rouwverhaal. Zoals Peter Sloterdijk de genesis van de mensheid en haar bestaansstrijd beschrijft, is dat een geschiedenis van bezielingsverhoudingen én van de strijd om «de sferen uit te breiden».

Maar wat heeft Sloterdijk over het hier en nu te melden, om toe te geven aan de historieloze terreurinstellingen die Actualiteit of Media heten? Als filosofie à la Diogenes betekent dat de denker dakloos is en nieuwsgierig blijft («het buiten-zijn begint met de verwondering»), wat moet hij dan met een door fundamentalisme vergiftigde wereld waarin immuniteitssystemen het laten afweten en hekken om heilige huisjes, steden of zelfs landen worden gebouwd? Fundamentalisme komt voor uit intolerant monotheïsme: «de uiterste zekerheid in het schokkende en de definitieve fundering in de afgrond te zoeken». Zeker, de «geschiedenis van de muur hatende volken moet nog geschreven worden» en de filosoof blijft een soort verhuishulp in een woning of samenleving waarvan de wanden poreus worden. Wanneer er geen middelpunt meer is, alles op z’n kop staat en niemand meer weet waar hij nog enige zin kan zoeken, wat blijft er dan over? Conrads innerlijke wildernis in Heart of Darkness; Melvilles hel in Moby Dick oftewel de wereld als een «onverschillige machine van het worden»?
Wat te doen? Temmen of ontremmen? De mens domesticeren, genbiologisch verbouwen of hem traditieloos laten verwilderen in onleefbare antisferen? In zijn pas verschenen Sferen-slotdeel Schäume vervangt Sloterdijk het begrip globalisering door «verschuiming». Er is niet één bol of bel meer, maar duizenden bellen, wolkenstapelingen, of schuim dat een flexibele dam opwerpt tegen vreemdelingenhaat, fundamentalisme en terrorisme? Als alle vervreemdingstheorieën pogingen zijn het feit van «afwijzende muren en de zin van scheidende wanden» te begrijpen, hoe kunnen we dan het huidige Babylon beschouwen? Ook wat betreft die veeltalige reuzenstad in Mesopotamië wil Sloterdijk de historie herschrijven. Het optrekken van de ronde toren van Babel weerspiegelde geen grootheidswaan maar vormde een reactie op een omvangsprobleem. Architectuur als het opnieuw tekenen van de innerlijke landkaart in een samenleving met dunne wanden. De toren midden in een smeltkroes van volkeren was geen vesting tegen externe vijanden maar elastische schuimarchitectuur, «zelfregulering ten overstaan van de naar binnen gehaalde wereldcomplexiteit».
Peter Sloterdijks Sferen zijn voor doemdenkers wellicht te frivole of brutale verkenningen in de helse sphaira die aarde heet. Zelf noemt hij zijn denkoperaties «de kunst van het mogelijke». De Duitse Diogenes is een wijsgerige zwerver die licht wil brengen in onze goddeloze existentie, onze nachtmerrie met airconditioning. Verlichting begint met opklaren, anders pleeg je massabedrog in een kafkaëske samenleving zonder koningen maar vol (media)koeriers die slechts betekenisloze boodschappen rondbrengen. De filosoof als verloskundige, niet als verlosser.

Peter Sloterdijk
Sferen (deel I: Bellen, microsferologie; deel II: Globes, macrosferologie)
Vertaald door Hans Driessen
Boom, 950 blz., € 45,-