Nachtresten

Ik wist het even heel zeker: vandaag was het de dag om mijn haar af te knippen, mijn nagels te vijlen, mijn zus te appen. Om tien uur kon het allemaal nog steeds, om half elf was elke kans verkeken, gesneuveld in werk en werkjes, huisdieren, lijstjes, stof. Ik dacht aan de keer dat ik bij de tramhalte stond op de Westermarkt, het sneeuwde en het stormde, ik was in verwachting, geen weersomstandigheid die vat op mij kon krijgen.

Er is een fase in de zwangerschap dat het een gelukzalige wetenschap is dat je nooit meer alleen bent, dat er iemand bij je is. Ik weet dat het officiële verhaal is dat jij zorgelijk wordt, maar ik voelde me beschermd, als in voorgoed. Ik stond rotsvast bij die tramhalte, en dacht: na morgen kan ik nooit meer zeggen dat ik in deze stad woon.

Ik ben goed in morgen zeggen, en overmorgen. Morgen kan ik zeggen overmorgen komen ze terug. Ik prevelde het toen ik elf was en mijn ouders een paar dagen naar Parijs waren. Ik lees een boek van Rita Verschuur over haar moeder, die haar een keer vergat op te halen van de kleuterschool. Vanaf dat moment waren haar dagen gevuld met angst, schrijft ze. Elke ochtend begon ze iets eerder naar het raampje in de deur te kijken, om pas tot rust te komen als ze haar gezicht voor dat ruitje zag verschijnen.

Eerder deze week fietste ik midden in de nacht voor het eerst sinds bijna drie decennia opnieuw door de stad als een bewoner, van oost, de Watergraafsmeer, naar het centrum. We hadden naar Maxim Februari als Zomergast gekeken, een van ons lag zwanger achterover in de kussens, mooier nog dan Margot Robbie in Once Upon a Time… in Hollywood. Ik kon het niet laten even af te wijken en het Linnaeushof mee te nemen op mijn tocht. Ik hoefde de laatste trein niet te halen, kon rustig al fietsende en zonder op mijn horloge te kijken een blik werpen op de donkere contouren van de kleuterschool waar ik ooit binnenhuppelde, toen het hof nog zo groot was dat ik niet wist dat er ook een einde aan kwam.

‘Beter acht dronken mensen dan één gek in een wit golfje’

Er was geen reden me te haasten, maar ik fietste alsof ik elk moment van de fiets geslagen of getrokken kon worden. Wat is er veranderd in 27 jaren, dacht ik terwijl ik in de donkerte de versteende gedaantes achter de hekken van Artis voorbij racete, mijn park van Bomarzo. Ik ben nog steeds een angsthaas, aarzelend tussen de drukke en de stille route.

‘Altijd de drukke route kiezen’, zei mijn zoon gisteravond, even in het land.
Ik zei: ‘Maar daar is iedereen dronken.’
‘Beter acht dronken mensen, dan één gek in een wit golfje.’

Hij sprak kennelijk uit ervaring, leende mijn fiets om de stad in te gaan. Ik hield hem zo lang mogelijk vast toen hij de deur uitging, er is een fase in het ouderschap dat je je momenten weer kunt kiezen. Morgen kan ik zeggen overmorgen is hij jarig.

’s Nachts voelde ik mezelf onder de hanenbalken verschrompelen, harde regendruppels hielden niet op het dakraam te teisteren. Ik zal niet zeggen dat er tranen uit mijn ooghoeken drupten, maar ik voelde iets heets sijpelen langs beide slapen. Woman! dacht ik. Soms helpt het om jezelf even te bezien voor wat je bent. Wat niet helpt is denken aan slechte mensen, witte golfjes.

Ik stelde me voor dat ik met mijn zus over de Noordermarkt zou lopen, wat al eeuwig het plan is, en dat ik haar uitleg hoe het met me gaat. Alsof we ooit zo met elkaar praten, we weten het zo ook wel. Dat de wereld groot is, ook als je in je bed ligt, de regen hoort, je afvraagt of iedereen binnen is. Morgenochtend zou ik haar een appje sturen, de kapper bellen, bij de nagelsalon hier om de hoek naar binnen lopen.