Nadenken over de wederopbouw van steden

In Beiroet komen architecten, kunstenaars, ontwerpers, activisten en schrijvers uit Nederland, Libanon en Syrië bij elkaar om zich over een onmogelijke vraag te buigen: hoe zou je de verwoeste steden van Syrië moeten herbouwen?

Medium gezin zakaria 1
Gezin Zakaria © Maurice Boyer

Zakaria vluchtte van Damascus naar Tripoli, in het noorden van Libanon, met zijn vrouw en twee kinderen. Vandaar stak hij op een boot over naar Turkije, toen naar Griekenland en daarna trok hij in een roes van acht dagen zo ver mogelijk Europa in. Hij werd wakker op het station van Zwolle. Nu woont hij in de Bijlmerbajes in Amsterdam, de voormalige gevangenis die sinds vorig jaar dienst doet als asielzoekerscentrum. Hij heeft een verblijfsvergunning, spreekt na dertien maanden al goed Nederlands en wacht op de hereniging met zijn gezin.

Zijn vrouw Alaa glimlacht als de twee kinderen, Yasmine (8) en Yahya (6), uit twee grote witte enveloppen de afdrukken te voorschijn halen van de foto’s die Maurice Boyer van hun vader heeft genomen. Boyer zelf, na decennia bij NRC Handelsblad nu onafhankelijk fotograaf, knielt op het kleed in de kale woonkamer om vast te leggen hoe Yasmine de foto van haar vader kust, die zelf op de mobiel van Alaa via Facetime meekijkt – lachend, maar met de tranen in zijn ogen. Hier liet hij zijn gezin achter, samen met zijn schoonouders, in een appartement zonder franje, uitkijkend op het kerkhof van het Palestijnse vluchtelingenkamp Badawi, dat sinds 1955 is uitgegroeid tot een kleine stad aan de rand van Tripoli, met een wirwar van steegjes waar de elektriciteitsdraden in trossen van huis naar huis zijn gedrapeerd.

De Palestijnen hier is het nooit gelukt om terug te keren. Maar mensen als Zakaria, Alaa en hun kinderen kunnen niet wachten. Zodra het veilig is willen ze terug naar Syrië. De vraag is: wat treffen ze dan aan?

‘We zouden 300.000 woningen per jaar moeten bouwen, tien jaar lang, om weer op het niveau van voor de oorlog te komen’, zegt Mohamad Mufti, een Syrische architect die je bij kennismaking de lichte schok bezorgt dat je de jonge Lenin tegen het lijf bent gelopen. Hetzelfde sikje, dezelfde wenkbrauwen. Zelfs de pet ontbreekt niet. ‘Maar er is bij lange na niet genoeg water, zelfs als Israël zijn reservoirs vrij zou geven, om het nodige cement te maken. En staal is er ook niet: alle fabrieken zijn gebombardeerd.’

K., een jonge journalist uit Syrië die op de dodenlijst van het regime staat: ‘En vergeet de ecologische schade niet die deze oorlog heeft aangericht. Die is angstaanjagend. Elke vorm van reconstructie die daar geen rekening mee houdt zou de situatie alleen maar verergeren – en onze identiteitscrisis nog verder verdiepen.’

‘Want ook de psychologische schade is enorm’, zegt Hassan Choubassi, hoofd van de kunstenfaculteit aan Lebanese International University. Met zijn zachte stem doet hij de hardste uitspraken: ‘Hier in Beiroet zijn we geestelijk zelfs 25 jaar na de oorlog nog steeds niet helemaal gezond. En in Syrië mag je dat met tien vermenigvuldigen.’

We treffen elkaar in een zaaltje met uitzicht op de hoogbouw die in Beiroet omhoogschiet als zonnebloemen na een regenbui: vijftien architecten, kunstenaars, ontwerpers, activisten en schrijvers uit Nederland, Libanon en Syrië. Niemand zit hier omdat het moet, er zijn geen instituten of overheden bij betrokken. Sommigen van ons hebben eerder samengewerkt. Allemaal weten we dat we ons twee dagen lang over een onmogelijke vraag gaan buigen. In dit gezelschap hebben scepsis en desillusie hun werk gedaan. En toch gaan we er voor zitten. Hoe zou je de verwoeste steden van Syrië moeten herbouwen?

Die vraag, dacht Bengin Dawod, kon hij het best stellen aan zijn collega’s in Beiroet. Zelf is hij hier niet, omdat zijn voorlopige verblijfsvergunning hem niet toestaat te reizen. Maar hij opent de sessie met een videoboodschap. ‘Jullie hebben meegemaakt wat het is om te werken aan de wederopbouw van een stad na de oorlog’, zegt hij. ‘Jullie hebben ook gezien hoe belangrijk het is om daarvoor eerst terug te gaan naar de ziel van een stad, die verloren is geraakt in het sektarische geweld, voordat de buitenlandse investeerders binnenrollen met hun grote masterplannen. Wat kunnen wij, Syrische architecten en stedenbouwkundigen en onderzoekers, leren van jullie ervaring?’

Vanaf het scherm aan de wand kijkt Dawod ons vriendelijk maar dwingend aan. Hij is 32, maar ziet er ouder uit. Vier jaar geleden kwam hij naar Nederland. Hij was in Damascus afgestudeerd als architect, nam deel aan de protesten tegen het regime, werd opgepakt, vluchtte naar Beiroet, waar hij maanden nauwelijks de deur uit kwam uit angst om herkend te worden, kreeg een uitnodiging van een architectenbureau in Den Haag en studeert sindsdien aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam.

Hij weet dat miljoenen ontheemden terug zullen gaan zodra het kan. Zeker de mensen die naar de buurlanden van Syrië zijn gevlucht. Die ontvangen geen verblijfsstatus en hebben daar dus geen toekomst. Keren ze eenmaal terug, dan is er aan vakmensen geen gebrek. Al voor de oorlog werkten er bijna een miljoen Syriërs in Libanon in de bouw; dat aantal is nauwelijks afgenomen. Maar als het aan Dawod ligt beginnen ze straks niet meteen te metselen. Onlangs hield hij in het Nieuwe Instituut te Rotterdam een lezing over The Soul of the City, de ziel van de stad. Eerst, zei hij daar, moeten we beginnen met het verzamelen van de verhalen van mensen die in Aleppo, Homs, Raqqa en andere verwoeste steden gewoond hebben. Hun herinneringen, de geur van koffie en vers brood in de vroege morgen, de vaste wandelroutes naar de markt en naar school, de muziek uit open ramen, de familieverhalen, het oker van leem en het rood van de baksteen als de zon achter de huizen zakte, autogetoeter en het tikken van hamers op koper en tin – met het opslaan en analyseren van die herinneringen begint de wederopbouw, niet met stadsplannen en bouwtekeningen.

‘Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben’, zegt Nabil Menhem, de oudste in ons gezelschap, een Libanese architect met een clowneske glimlach en een wereldwijde praktijk. Voor de oorlog werkte hij aan een nieuw stedenbouwkundig plan voor Damascus; daarna ontwierp hij de pleisterplaatsen langs de gloednieuwe snelweg die in Sri Lanka meteen na de burgeroorlog werd aangelegd om het noorden weer met het zuiden te verbinden. ‘In Fukushima was het eerste wat ze aanlegden na de tsunami een ontmoetingsplek voor de vissers. Nog voor de haven zelf en voor de gebouwen in het stadscentrum. Zo konden ze herinneringen ophalen aan hoe de stad er altijd bij had gelegen, die vissers, en hoe ze er in de toekomst uit zou moeten zien.’

Artikel 4 van het Venice Charter of Reconstruction, onderdeel van een tentoonstelling die momenteel te zien is aan de Universiteit van Venetië, Sketches for Syria, met ruim honderd inzendingen van architecten, kunstenaars en ontwerpers uit de hele wereld, formuleert het zo: ‘De samenleving die de oorlog en zijn gevolgen heeft meegemaakt is zowel het middelpunt als het doel voor elke naoorlogse ontwikkeling. Daarom zijn de deelname en de betrokkenheid van die samenleving in de besluitvorming de basis voor elke wederopbouw. Ze zijn essentieel voor het proces, vanaf de allereerste fase. En die participatie mag nooit gezien worden als louter een voorrecht dat aan de bevolking verleend wordt.’

De ziel van de stad, dat zijn de vissers van Fukushima, de tinsmeden van Aleppo, de verhalen van hun dagelijks leven en het even ongrijpbare als onmiskenbare amalgaam daarvan, dat uitmaakt waarom Amsterdam geen Rotterdam is en Aleppo geen Damascus.

Zeker is dat het, net als in Fukushima, moet beginnen met publieke ruimte, zegt Mohamad Mufti, de jonge Lenin. ‘In Libanon speelt het leven zich af op afgesloten binnenplaatsen en in huiskamers. Waarom denk je dat ze in Beiroet zelfs geen fatsoenlijke trottoirs hebben? Hier doken ze de schuilkelders in tijdens de bombardementen. In Syrië gaan ze de straat op om te zien waar de bommen vallen. En daarna leggen ze op het puin een kleedje, wat tomaten, een paar eieren – en kijk, het is een markt. Vanaf de eerste protesten in 2011, toen we versterkers op de pleinen plaatsten en de revolutionaire liederen afspeelden via bluetooth, voel je dat Syriërs na al die jaren van wantrouwen, bespieden en afluisteren nu hun publieke ruimte terug willen.’

Medium gezin zakaria 2
© Maurice Boyer

Even klaart de sfeer rond de tafel op. In 2006, direct na de oorlog met Israël, werkte dit gezelschap voor het eerst samen. Ook toen ging het ons, in een stad die nog wankelde van de laatste bommenronde, om het scheppen van publieke ruimte, fysiek maar ook digitaal en op papier, om iets van het vertrouwen te herstellen. We boekten bescheiden resultaten: een ontmoetingsplek die Studio Beirut heette, een speeltuin, een alternatieve stadsgids. Vrolijk werk, maar we zagen ook in dat je de gevolgen van een oorlog niet zomaar weg kunt plaveien. Nienke Nauta, de communicatiedeskundige die ons destijds bij elkaar bracht en dat nu weer heeft gedaan, herhaalt wat Bengin Dawod zei in de video: ‘Tot de ziel van de stad hoort ook het bloed dat door de straten is gelopen. De herinnering aan moord en verraad.’ Tien jaar geleden ontving Lilet Breddels van tijdschrift Volume een brief van Steve Eid en Rani al Rajji, twee jonge Libanese architecten. Vandaag zijn ze alledrie hier. Die brief was een uitnodiging om vanuit Amsterdam te komen nadenken over de wederopbouw van Beiroet. We moesten er alleen rekening mee houden dat het ging om een gewonde stad: ‘Als je de littekens niet verzorgt leidt dat tot nog diepere wonden.’

In Beiroet zijn de littekens nooit echt geheeld. Er bestaan verschillende versies van wat er in de oorlog is gebeurd. Die verhalen blijven diametraal tegenover elkaar staan. Dat zie je terug aan de harde scheidslijnen tussen buurten en wijken. En omdat ze onuitgesproken blijven werken die tegenstellingen verlammend op het bestuur. Het meest recente voorbeeld: in oktober werd na een impasse van ruim twee jaar eindelijk een nieuwe president gekozen. De keuze viel op Michel Aoun (81), een Maroniet en oud-generaal die zichzelf tijdens de burgeroorlog vergeleek met Napoleon, totdat hij in pyjama asiel kwam vragen bij de Franse ambassade. Nu zit hij op het pluche omdat hij de steun geniet van Hezbollah.

En dit soort krankzinnige verhalen mag je straks in Syrië, als de oorlog eindelijk is afgelopen, volgens Hassan Choubassi met tien vermenigvuldigen. Hoe onschuldig klinkt het verhaal van de vissers in Fukushima, als je je probeert voor te stellen hoe het leven moet terugkeren in steden waar hele wijken met de grond gelijk zijn gemaakt, het bloed door de straten heeft gelopen, mensen zelfs hun broers en neven niet meer vertrouwen en het trauma de enige is die alles heeft overleefd. Hoe moet je je daar een plein voorstellen waar mensen ’s ochtends vredig overheen slenteren op weg naar de bakker en het koffiehuis? Hoe zorg je ervoor dat buurten geen bastions worden, waar je al verdacht bent als je de bus in de verkeerde richting neemt?

In Kobane lukt het. Sinds de voornamelijk Koerdische YPG/YPJ twee jaar geleden de stad heroverde op Isis, geholpen door zware Amerikaanse bombardementen, is een groot deel van de bevolking teruggekeerd. Er is twee miljoen ton puin geruimd. Import van goederen, vrachtwagens, bouwmateriaal en experts is vrijwel onmogelijk, omdat de grenzen aan alle kanten zijn gesloten – en toch worden er woningen, scholen en ziekenhuizen gebouwd. Omdat iedereen werkt vanuit dezelfde ideologie: het antikapitalistische, feministische, ecologische en seculiere gedachtegoed waarop Rojava gevestigd is.

In andere delen van Syrië ontbreekt die eensgezindheid. ‘En dus’, zegt Mohamad Mufti, die zelf voor de oorlog een serie betaalbare scholen bouwde, ‘zullen het daar juist niet de scholen, ziekenhuizen en sociale woningen zijn die straks als eerste gebouwd worden. De grote investeerders zullen alles wat sociaal is overslaan.’

Acupunctuur, zegt Bengin Dawod, meer kunnen we op dit moment niet doen. Onder de radar blijven, beaamt Bernard Maillat. In het dagelijks leven leidt hij een architectuurfirma in Beiroet die uitblinkt in het spectaculaire, maar hij denkt dat dit gezelschap er het best aan doet om bescheiden in te zetten. Ja, zegt Steve Eid, de architect die er tien jaar geleden ook al bij was: laten wij ons richten op het speelse, het culturele, het subversieve. Wat wij in Beiroet goed kunnen, moeten we ook in Syrië doen, zegt Choubassi met die zachte stem: het saboteren van die onzalige masterplannen.

‘Zonnepanelen, koeling zonder elektriciteit, puin promoveren tot bouwmateriaal, mensen de kennis aanreiken waarmee ze hun eigen woningen goedkoop en duurzaam kunnen terugbouwen’, zegt Christiaan Fruneaux, ontwikkelaar van toekomstscenario’s in Amsterdam. ‘We brengen het leven in de stad terug tot de menselijke maat’, zegt Bengin Dawod. Na vier jaar in Amsterdam weet hij alles van fietsen. Hij maakt ze zelf, met losse onderdelen die hij op straat vindt. ‘Fietsen is de goedkoopste vorm van transport’, zegt hij, ‘en fietsenmaken is werkgelegenheid.’ Het idee van daktuinen, dat wil hij ook meenemen als hij teruggaat. Zelf je voedsel verbouwen en verkopen, zegt hij, dat houdt de markt lokaal.

Er gloort iets van hoop als we opbreken. De combinatie van hippe westerse stadsecologie met Syrische tradities en vakmanschap klinkt als een alternatief voor de imponeerbouw die na Beiroet niet ook Aleppo en Homs moet gaan overwoekeren. Zouden we niet een kleine stad kunnen vinden met een burgemeester die ervoor openstaat om samen te werken met de terugkeerders?

‘De waarheid van steden ontgaat ons altijd.’ Dat is de laatste zin van een onderschrift bij een foto in de tentoonstelling On Becoming Two van Tony Chakar, waar we de dag besluiten. Zijn werk is een droomachtige tocht door zijn verbeelding, die de vorm heeft van de stad waar hij tegen zijn wil al zijn hele leven van houdt, de stad waar zijn vader werd neergeschoten toen hij de frontlijn wilde oversteken, de stad waar de ruïnes ademen tussen de mastodonten van staal en glas, waar de doden rondlopen alsof de straten van hen zijn – Beiroet. Na twee dagen lang gepraat te hebben, tegen beter weten in, over de wederopbouw van steden waarvan de ziel onder het puin begraven ligt, staan we nu voor een foto van een engelenbeeld in een kathedraal. Om haar lippen krult een vage glimlach. Ze doet me denken aan de glimlach van Alaa, de vrouw van Zakaria in het vluchtelingenkamp Badawi. ‘Hoe gelukkig zal de fotograaf zijn’, schrijft Chakar erbij, ‘die de eerste glimlach weet vast te leggen na de val van de Arabische regimes van onderdrukking.’