Nader tot de sociale wetenschappen

Voor het onderzoek naar onderwerpen als taal, identiteit en emoties wordt steeds meer samengewerkt tussen neurologen, psychologen, antropologen, historici en cultuurwetenschappers. Economen zouden ook in dit rijtje moeten staan.

Onze nationale identiteit – wat is het en hoe komt het tot stand? – houdt de gemoederen al een flink aantal jaren bezig. Was dit tot voor kort vooral het domein van sociale wetenschappers als Eric Hobsbawm en Ernest Gellner, de laatste tijd brengen geesteswetenschappers de vernieuwende inzichten aan, schrijft de Amsterdamse filosoof Michiel Leezenberg. In plaats van specifieke auteurs met een grote naam gaat het om uiteenlopende wetenschappers die ieder stelselmatig de grenzen van hun vakgebied overschrijden: ‘Sanskritisten als Sheldon Pollock, taalkundig antropologen als Richard Bauman en Charles Briggs, en in Nederland literatuurhistorici als Joep Leerssen’, aldus Leezenberg. Zij hebben bijvoorbeeld laten zien hoe volkstalen wereldwijd zijn gebruikt voor politieke doeleinden en hoe het woord ‘volk’ van betekenis is veranderd. Betrof die vroeger het ‘lage’ volk, nu wordt de term verstaan als een natie met een eigen cultuur en traditie.

Het belang van taal voor sociale groepsvorming is een prominent thema geworden in de humaniora, zo blijkt ook uit andere bijdragen. De grens tussen gamma’s en alfa’s vervaagt. Hoogleraar taalcultuur Leonie Cornips en taalkundig antropoloog Vincent de Rooij van het Meertens Instituut beschrijven hoe de globalisering het oude idee onderuithaalt van een taalgemeenschap als kenmerk van gedeelde waarden en één grondgebied. De taalkunde neemt derhalve steeds vaker zijn toevlucht tot methoden uit de sociale wetenschappen. Daarmee gaat de discipline een rol spelen bij debatten over taalachterstand, schooluitval, burgerschap, enzovoort – ‘in plaats van vast te houden aan dat ideale Nederlands in ons hoofd’, schrijven ze.

Het abn is maar een van de vele varianten van wat we onder Nederlands kunnen verstaan, zeggen Cornips en De Rooij. Jos Swanenberg uit Tilburg geeft daarvan een fraai voorbeeld. Hij deed met een collega onderzoek naar taal, cultuur en identiteit onder middelbare scholieren in Noordoost-Brabant. Jongeren mengen elementen van de taal van het land van herkomst van hun ouders met regionaal dialect en met hedendaags Amerikaans. Elk individu maakt z’n eigen mix. Het resultaat? Een nieuw Brabants. Swanenberg: ‘We kunnen taal niet los zien van individuele en collectieve identiteit, maar ook niet van sociale netwerken en groepsvorming.’

Volgens Leezenberg moeten de universiteiten hieruit de consequenties trekken. De talenopleidingen zijn volgens hem mede zo noodlijdend omdat hun organisatie nog steeds berust op de romantisch-nationalistische aannames die nu ter discussie staan. Het enige antwoord is nauwere samenwerking tussen talen onderling en tussen geesteswetenschap en maatschappijwetenschap, vindt hij.

Jongeren mengen de taal van het land van herkomst van hun ouders met regionaal dialect en hedendaags Amerikaans

Dit zal diverse geënquêteerden uit het hart gegrepen zijn. Chantal Bax, onderzoeker aan het centrum voor Europese filosofie in Nijmegen, schrijft bijvoorbeeld dat de filosofie zich bezig moet houden met actuele wereldlijke problemen, in plaats van met ‘interne meta-filosofische debatten’. Ter illustratie voert ze haar eigen onderzoek aan, waarin ze probeert een nieuwe uitleg te geven van wat het betekent om lid te zijn van een bepaalde gemeenschap. Ze vindt daar Sjaak Koenis, sociaal filosoof in Maastricht, aan haar zijde. Deze voert aan dat Nederland een traditie kent van sociale filosofie, die stand zou moeten houden. Onderzoek moet op Nederland zijn toegesneden, vindt hij, met thema’s als sociale cohesie of gemeenschapsvorming. De geesteswetenschappen kunnen volgens Koenis ook een rol spelen bij het denken over democratie. Ideeën en waarden komen immers niet uit de lucht vallen, schrijft hij; ze hangen samen met tradities en praktijken die we moeten kennen.

Milieu-ethicus Marc Davidson, verbonden aan de UvA, opereert weliswaar in een ander vakgebied, maar bepleit dezelfde aanpak. Zijn onderzoek richt zich bijvoorbeeld op de vraag hoe kosten van milieubescherming internationaal verdeeld moeten worden. Dat is niet alleen een ethische maar ook een economische vraag. Davidson bepleit dan ook een dwarsverband met de economie. Maar daar is nog een weg te gaan, zo schrijft hij. ‘Ik heb ervaren dat het voor de buitenwacht vanzelf spreekt dat een economisch probleem economische inzichten vergt. Maar dat ethische problemen ethische reflectie vergen, is veel minder vanzelfsprekend. Ethiek is iets voor de dominee, de Tweede Kamer of voor de persoonlijke afweging.’

Arie van Steensel, historicus aan de Universiteit Utrecht, is zonniger gestemd. Hij ziet de erkenning voor zijn vakgebied juist groeien. ‘De gedachte dat cultuur bepalend is voor sociale relaties, identiteit en organisaties vindt in verschillende varianten gehoor onder geesteswetenschappers, maar ook onder sociologen, antropologen, politicologen en zelfs onder economen’, schrijft hij. Het is zelfs een stroming met een naam: New Institutionalism. Onder deze vlag beschrijven sociologen, politicologen en economen de wisselwerking tussen instituties en personen als achtergrond voor en verklaring van sociale en economische ontwikkelingen. Ze kijken daarbij vaker naar het verleden, schrijft Van Steensel. Zie het succes van boeken als Jared Diamonds Guns, Germs and Steel, of naar Why Nations Fail? van Acemoglu en Robinson. Het zijn inspirerende voorbeelden van een nieuwe methodologische benadering, waaraan de geesteswetenschappen zich zouden moeten laven, meent Van Steensel. Zonder een link met maatschappelijke thema’s is het maar de vraag of er een rol voor ze resteert.

Samenwerken met sociale disciplines luidt dus het parool. Nieuwe onderzoeksgebieden als emotiestudies, cultural economics en e-humanities geven daarvan al blijk, schrijft Inger Leemans, hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de VU. Voor het onderzoek naar emoties en zintuigen wordt samengewerkt tussen neurologen, psychologen, antropologen, historici en cultuurwetenschappers. Economen ontbreken vooralsnog in dit lijstje, en dat betreurt ze. Hoe heeft het publiek in het verleden gereageerd op financiële crises? Wat kunnen we daarvan leren? Economen zouden best meer aandacht kunnen schenken aan cultureel bepaalde, maar ook in de economie belangrijke concepten als ‘waarde’ en ‘vertrouwen’, schrijft Leemans. Wat haar betreft worden de banden met sociale wetenschappen enkel strakker aangehaald.