Nadrukkelijk broeierig

Thomas Verbogt, Verkeerde sneeuw. Veen, 126 blz., f24,90; Huub van Haaren, De vrouw met de schaar. De Bezige Bij, 124 blz., f28,50
ALLEBEI ZIJN ZE rond de veertig, publiceerden ze in de tweede helft van de jaren tachtig hun literaire debuut dat door de kritiek welwillend werd ontvangen, en zijn ze nu toe aan hun derde of vierde boek. Allebei onderzoeken ze - zoals dat op de achterflapteksten zo fraai heet - ‘de duistere krachten van de erotiek’, die tot ‘panische ontreddering’ kan leiden. Hun novellen worden gekenmerkt door een subtiele stijl, maar dan wel een opzichtig subtiele stijl.

De novelle - de ondertitel spreekt van een roman - Verkeerde sneeuw van Thomas Verbogt laat zich lezen als een illustratie van het gezegde: ‘stille wateren hebben diepe gronden’. Op elke bladzijde van het verhaal wordt de lezer daaraan herinnerd: de personages bevinden zich in een 'stil’ landschap, leiden een 'verstild’ leven, 'de stilte deelt zich zorgvuldig aan hen mee’ of ze worden onrustig van 'een stilte die iets verborg, een stilte als de schaduw van een onbenaderbaar geheim’. De personages zeggen alleen het hoognodige, geven hun geheimen niet prijs. Dat leidt tot een reeks dialogen die voornamelijk bestaan uit een uitwisseling van one-liners, maar altijd zeer geacheveerd. Er is over nagedacht, ze zijn de uitkomst van een weloverwogen gedachtenhuishouding.
De hoofdpersoon van Verbogts roman is een veertigjarige vertaler, getrouwd geweest met de illustratrice Paula. Paula had zich op een gegeven moment teruggetrokken in het huisje achter de duinen, want 'ze snakte naar de stilte rond en in dat huis, de stilte die alleen door het geluid van de wind of een wilde zee of krijsende meeuwen kon worden verstoord, maar die geluiden hoorden bij de stilte die de hare was, ze hunkerde naar een eeuwig grijze lucht’. De hoofdpersoon was met zijn dochter Jessica alleen in huis achtergebleven. En net zoals Paula’s angst diep zat - zo diep dat het haar sprakeloos maakte -, van zo diep kwamen de rare liedjes die Jessica zong als ze aan het tekenen was. Bij zo'n gelegenheid ontvouwt zich dan de volgende dialoog, waarin een enkel woord de diepte verraadt: 'Vind je het gek, die liedjes?’ had ze wel eens gevraagd. 'Nee, dat weet je.’ 'In iedereen is een diepte. We praten met elkaar vanuit de hoogte. Maar voordat we daar kwamen zaten we in de diepte. De woorden van de liedjes heb ik uit die diepte onthouden. Niet gek, he.’ 'Niet gek, Jes.’ 'Jij snapt dat.’ 'Ik snap dat.’ 'Wij weten teveel. Zo is het toch?’ 'Teveel?’ ’ Kan dat dan niet?’ 'Weet ik niet.’ 'Wel. Weet je wel.’
Op zekere dag brengt Jessica Elze mee naar huis, zomaar, zonder enige toelichting. Ze was haar op een terras tegengekomen en er was zonder veel omhaal van woorden onmiddellijk een gevoel van verstandhouding geweest. Elze was van een Zwitsers internaat weggestuurd, dat wilde ze na enig aandringen wel kwijt, er was iets met een leraar geweest. Ze was niet naar huis gegaan omdat ze niet goed met haar moeder overweg kon. Haar vader had ze nauwelijks gekend. Dus wilde ze bij Jessica en haar vader blijven. Veel zei ze niet, maar wat ze zei bracht op een vreemde manier onrust teweeg. Haar ogen leken stille waters, maar verrieden diepe gronden.
OP EEN NACHT was ze de kamer van de hoofdpersoon binnengegaan en was naast hem gaan liggen. Hij had aan haar toegegeven, zonder goed te begrijpen waarom. De vertaler werd bezocht door dromen, waarin hij zich in een stil bos bevond. Hij deed daar iets maar kon niet goed zien wat. Hij kwam tot het besef dat diep in hem verborgen een ervaring lag opgeslagen die hij zich maar niet kon herinneren. Als het om zijn verleden ging, moesten anderen altijd vertellen wat er was gebeurd.
Zoals de herinnering aan die reunie van vrienden, twintig jaar geleden - de gedachte daaraan werd weer bij hem wakker geroepen toen een van die vrienden, Margriet Laan, contact met hem opnam met het voorstel opnieuw bij elkaar te komen: misschien om na te gaan waarom ze elkaar uit het oog waren verloren, terwijl zij gezworen hadden elkaar trouw te blijven. Wat was vriendschap waard? Maar misschien stak er iets anders achter: ze deed zo merkwaardig aan de telefoon.
Zo ontstaat in het verstilde huis een zekere spanning, een geheim dat beetje bij beetje wordt ontrafeld, al beseft de lezer al op pagina 35 dat de plotselinge entree van Elze en het verrassende telefoontje van Margriet verband met elkaar houden. De ontknoping zal voor de lezer niet geheel onverwacht komen: hij is zo ostentatief subtiel voorbereid dat het raadselachtige er al gauw van af is.
Men zal deze novelle prijzen om de poetische sfeer die het verhaal ademt, maar dat komt dan door zinnen die er wel erg nadrukkelijk op uit zijn, zoals het begin van pagina 79: de hoofpersoon is met zijn medevertaalster en vriendin Sylvia naar Duitsland gereden, naar het woud 'dat in de diepte van de herfst een majestueuze tempel van verval is, vol stokoude kleuren en geuren die de melancholie een smaak geven. We hadden de hele ochtend gewandeld zonder veel te zeggen en aten tussen de middag in een restaurant aan de rand van een kleine, stille grensstad.’ Diep en stil, dat zijn de sleutelwoorden in dit poetische universum, waar zij de beletseltekens vervangen.
ZO OSTENTATIEF poetisch begint ook de novelle - de ondertitel spreekt van roman - van Huub van Haaren. Vera, de hoofdpersoon, zit in de kantine van het universiteitsgebouw waar zij werkt als assistente van drs. Ligthart. Ze moet artikelen uit de krant knippen ten behoeve van zijn promotieonderzoek, dat de 'vrouw als slachtoffer’ tot onderwerp heeft. Als de roman begint, dringt de geur van versgezette thee tot haar door, waardoor zij wordt herinnerd aan haar jeugd op het platteland.
Het poetisch universum wordt ontsloten door de vergelijkingen waarin de vertelster bijna verdrinkt: 'Als ik in de lente over de dijk fietste en langs de helling naar beneden keek, waarover de wallen van pasgemaaid gras gedrapeerd lagen als de plooien van een reusachtig gordijn, dan drong diezelfde frisse, prikkelende geur tot mij door. En dezelfde geur vulde de hooizolder, waar ik als kind met vriendjes gespeeld en gestoeid heb en die later het onvermijdelijke decor werd voor mijn eerste ervaringen in de liefde.’ Deze 'onvermijdelijke’ associaties van de geur met de jeugd hebben nauwelijks informatieve waarde; ze moeten de lezer in een stemming brengen, een dromerige atmosfeer oproepen, de sfeer van de 'melancholieke overpeinzingen’, zoals in de zin daarop onmiddellijk wordt bevestigd. Het zijn bladvullende zinnen, waarvan het clichekarakter door de auteur zelf al wordt bevestigd: ze vormen 'het onvermijdelijke decor’ van de geschiedenis die volgt. Overigens blijkt in de tweede alinea de geur van groentesoep die van versgezette thee al weer verdrongen te hebben, wat enigszins in tegenspraak lijkt met de daaraanvoorafgaande mededeling dat theegeur 'de kantine van de universiteit zo volkomen beheerste dat het leek alsof de vloeren en muren er iedere dag met thee werden schoongemaakt’. Zo vers, fris en prikkelend was die theegeur kennelijk ook weer niet.
DE OPENINGSZINNEN zijn representatief voor de compositie van de roman, die nogal gewild en bedacht is. De schrijver wist niet goed hoe hij zijn hoofdpersoon moest introduceren. Hij heeft daar achter zijn bureau een oplossing voor bedacht. Hij laat een enquetrice opdraven en zo krijgen we uit de antwoorden die Vera geeft een beeld van haar. Vera heeft geen hoge dunk van zichzelf, noch van haar werkzaamheden. Seksuele fantasieen dienen ter compensatie. Daar wordt haar volop de gelegenheid toe geboden door de artikelen die ze moet uitknippen; die gaan allemaal over mannen die zich aan vrouwen vergrepen, hen verkrachtten, hun hersens insloegen of aan stukken sneden. Maar ook door de uitgesproken saaiheid van het kantoor waar ze samen met twee collega’s haar werk doet. 'Ook al werkte ik nog zo hard’, deelt ze de lezer mee, 'toch bleef er voldoende ruimte over voor een knagende hunkering naar het moment dat ik weer vrij zou zijn.’ Maar als het dan zover is, zit ze alleen op haar appartement en voelt ze 'de minuten opeens als zandkorrels’ door haar vingers glippen. De weinige mannen die ze ontmoet, hebben allemaal iets griezeligs, of op z'n minst iets eigenaardigs. Ze krijgen iets van psychopaten in de castratiefantasieen van Vera, 'de vrouw met de schaar’.
Om het verhaal op gang te brengen (en te houden), krijgt Vera speciale belangstelling voor een artikel waarin het verhaal wordt gedaan van een zekere N.F., een elektromonteur te R., 'die niet kon aanvaarden dat de 22-jarige vrouw hun relatie beeindigd had’. De initialen brengen een vage herinnering bij haar naar boven: 'Ik voelde dat ik op het punt stond een belangrijke ontdekking te doen.’ De suspense is geboren, Vera gaat zich zozeer met de geschiedenis die zij in de kranten volgt, identificeren, dat voor haar werkelijkheid en fictie door elkaar gaan lopen. De roman mikt op de evocatie van een broeierige sfeer, die in sommige passages ook wel tot stand komt, maar die door een reeks van nogal gemakkelijke oplossingen - met name die aan het einde van de novelle - en door een nogal redundante stijl niet op spanning blijft.
Het zijn twee keurige novellen van Verbogt en Van Haaren: ze proberen allebei een onderhuidse spanning op te roepen, maar ze doen het wat mij betreft wat al te nadrukkelijk.