Nagelaten bekentenis

JORIS VAN CASTEREN
LELYSTAD
Prometheus, 318 blz., € 17,95

‘Alles wat in dit boek staat is waar gebeurd’, meldt de Verantwoording plompverloren achterin. Ik kan me de grijnzende kop van de schrijver toen hij dit schreef er goed bij voorstellen, want het is nog waar ook: alles is in een roman altijd waar gebeurd, al was het alleen maar omdat het er staat en omdat de schrijver het allemaal als ‘waarheid’ uit zijn duim heeft gezogen. Maar of het ook ‘echt’ gebeurd is, en wat precies ‘echt’ en ‘niet echt’ is, blijft natuurlijk een vraag waar wij recensenten bij een boek als dit dan maar uit moeten zien te komen. De eerste vraag bij dit boek is of het een ‘roman’ is. Schrijver Joris van Casteren heeft deze aanduiding zorgvuldig van kaft, flap en binnentekst verwijderd, geen roman dus, maar een ‘reportage’ is het ook niet, anders had hij het er wel op gezet. Hoe je het wendt of keert, waar of niet waar, echt of niet echt, Van Casteren zet in dit boek een zeer specifieke literaire stijl in die met beide benen midden in de traditie staat van de moderne romankunst. De stijl van de gefingeerde autobiografische roman zoals we die kennen van Stendhal, Sartre, Mulisch, Roth et cetera.
Waar gebeurd? Ja, mijn neus. Eerste zin: ‘Ik lag in Rotterdam in een couveuse toen mijn vader besloot dat we naar Lelystad zouden gaan.’ Zeer fraaie eerste zin die sterk doet denken aan Mulisch’ fameuze eerste zin ‘Ik was achttien toen er gebeld werd.’ Een zin die verschillende werelden met elkaar verbindt en die direct bij de lezer een stortvloed aan verwachtingen schept over een milieu, een ruimte en een vader. Even later staat er: ‘Hij vertelde mijn moeder dat Lelystad een nieuwe stad was, op de bodem van de Zuiderzee.’ Die moeder is hiermee direct door de schrijver veroordeeld tot een afwezige, een bijwagen, of hoe je het noemen wilt. De vader die zich later ontpopt tot betweter neemt de besluiten en de moeder moet het allemaal aanhoren: het oedipale complex in een paar zinnen doeltreffend ter tafel gebracht. Als dit geen romankunst is, weet ik het ook niet meer. Hoe weet dat couveusekindje het allemaal zo goed over zijn vader en zijn moeder? Luisterde hij de gesprekken tussen zijn ouders af die ze aan zijn wieg voerden? Van Casteren probeert ons erin te laten geloven dat hij dit ‘later’ allemaal heeft achterhaald toen hij een ‘onderzoek’ instelde naar zijn jeugd in Lelystad en naar het ontstaan en bestaan van Lelystad zelf. Alsof zijn vader zichzelf inderdaad later beschreef als een betweter en een netheidsfreak en zijn moeder als een geflipte lesbo die zich ondanks alles en tegen de verdrukking in staande weet te houden. Het zijn beelden die we voorgezet krijgen, beelden van een jeugd, een maatschappelijke jeugd, laat ik het zo maar noemen.
Mooie literaire truc natuurlijk: iemand stelt een ‘onderzoek’ in naar gebeurtenissen van vroeger en schrijft daar een ‘verantwoording’ over. In Nederland is hét schoolvoorbeeld van deze literaire constructie Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants en Van Casterens boek sluit moeiteloos bij deze literaire traditie aan. Achterin heeft hij een veertien pagina’s lange verantwoording van bronnen opgenomen, waarin hij niet alleen de notulen van allerlei adviesraden over het ontstaan van Lelystad heeft opgenomen, maar ook werken noemt rond het leven van Cornelis Lely en een uitputtende opsomming geeft van de krantenberichten over moord, doodslag en vandalisme in Lelystad. Dit uiteraard ter versterking van de geloofwaardigheid en het realistisch gehalte. Maar deze recensent liet zich geen rad voor ogen draaien. Het gaat in deze roman helemaal niet om het ‘echte’ Lelystad, laat staan over het ontstaan daarvan. Lelystad is metafoor van alle steden en dorpen waarin wij allemaal onze jeugd hebben moeten doorbrengen, waarin we ons overgaven aan allerlei initiatierituelen en onbegrijpelijke voorschriften, ons opgelegd door ouders, instanties en andere autoriteiten, die het verder ook niet wisten. Waarin we ons tevergeefs probeerden te verzetten tegen wat achteraf zo mooi door allerlei figuren ‘volwassenheid’ is genoemd.
Van Casterens boek is een hartstochtelijke aanklacht tegen opgroeien in het algemeen. Hij is erin geslaagd zijn grote literaire ambitie aan het oog te onttrekken via zijn gedurfde opzet en via zijn consequent volgehouden droge, beschrijvende taal die hij de geur en kleur mee heeft gegeven van de ‘documentaire’ en waarmee hij uitermate geestige effecten weet te bereiken. Zie hoe in de volgende beschrijving een jeugd en een vader subtiel en tegelijk vernietigend zijn samengebald: ‘Op een grasveld in de buurt van zijn huis oefenden we met het opzetten van de tent. Met een rubberen hamer sloeg mijn vader haringen in de polderklei. Hij spande de scheerlijnen in het verlengde van de naden.’ En soms dringt ineens tussen alle Lelystad-verschrikkingen waar Van Casteren zo onverbloemd en zonder zichzelf te sparen over schrijft, iets door over de mogelijkheid van geluk. Ja, ook in Lelystad. ‘Na de film gingen we naar de kermis. Bij de botsauto’s leunde Nynke tegen mij aan. Ik fietste met haar over de fietspaden. In de rechte sloten weerkaatste de maan. We stopten op een fietsbrug. We zwegen en staarden. Een uur ging voorbij, toen kuste ik haar. Zingend fietste ik naar huis terug.’ Dit is een zeer geslaagd boek.