Nederlandse kampliteratuur

Nagelaten onderzoek Nederlandse kampliteratuur

In zijn leesonderzoek naar kampliteratuur – van de sovjetkampen en de Duitse vernietigings- en concentratiekampen – betrok Jacq Vogelaar niet tot nauwelijks de Nederlandse kampdagboeken, documenten en herinneringen. Waarom niet?

Bij de kapo’s was de titel van een in 1945 door Sijthoff uitgegeven boekje van een zekere J. Engels, die zijn ooggetuigenverslag schreef in het kamp Vught. Het werd in de winter van 1944-1945 geschreven en meteen al in 1945 gepubliceerd. Naar de omstandigheden waarin het – nog in het kamp – geschreven werd, laat zich raden. Interessanter is misschien hoe zoiets indertijd gelezen is. In april/mei ’45 werden de meeste grote concentratiekampen bevrijd, sommige min of meer bij toeval, door de geallieerden die er in hun opmars op stuitten; de vernietigingskampen waren al eerder ontmanteld. Eind ’44 waren de doorgangskampen in Nederland nog volop in bedrijf. Een overzicht van al deze kampen is er niet, laat staan van wat er aan literatuur over geschreven is.In 2003 publiceerde Niek van der Oord een groot boek over joodse werkkampen in Friesland en Drenthe: Jodenkampen (Kok). Westerbork kent iedereen, maar dat er bijvoorbeeld in Blesdijke, waar ik dertig jaar lang af en toe kwam om te werken, in It Petgat een groot strafkamp was gevestigd, heeft niemand mij verteld. In Diever is een paar jaar geleden tenminste nog een informatiebord over het plaatselijke kamp geïnstalleerd. Maar ja, in Duitsland zijn het al gewone archeologen die opgravingen doen om een kamp bloot te leggen waarvan niemand ter plaatse nog weet heeft (of zegt te hebben).In Jodenkampen staat een kaart van Nederland waarvan de oostelijke helft met stippen is bezaaid: rond de vijftig werkkampen. De naam Vught is bekend. Vught/’s-Hertogenbosch was een door de Duitsers opgezet kamp ter aanvulling van het Polizeiliche Durchgangslager Amersfoort en van Westerbork. Er zaten joden en niet-joden; het was een complex van afdelingen met heel verschillende functies. Geeft het boekje Bij de kapo’s daarover voldoende informatie? Natuurlijk niet, evenmin als het bekende dagboek van David Koker, waarvan Presser in zijn hoofdstuk over Vught in Ondergang dankbaar gebruik maakte.Voor elk van de vijftig Nederlandse werk-, straf- en doorgangskampen is minstens een verzameling van ter plaatse geschreven verslagen en latere onderzoeksberichten nodig om een enigszins adequaat beeld van dat ene kamp te krijgen. Zulke monografieën bestaan er niet; een boek over Amersfoort uit 2003 is bij mijn weten het eerste in Nederland. Het boekje van Engels – Jacq Engels (1896-1982), een linkse socialist, na de oorlog betrokken bij De Vlam en wat toen De Derde Weg heette – is een document dat alleen te lezen is in combinatie met en ter aanvulling van andere geschriften; het is er een uit vele en dus in zekere zin inwisselbaar.Een heet van de naald geschreven boekje als dat van Engels is een document, daarmee lijkt het gerubriceerd; literatuur is het niet direct. De eerste vraag is dan: document van wat? In mijn onderzoek naar kampliteratuur – van de sovjetkampen en de Duitse vernietigings- en concentratiekampen – heb ik het boekje van Engels één keer, in een voetnoot, genoemd, vanwege een opmerking in het voorwoord. Engels begint met zich te verontschuldigen voor de «luchtige toon» van zijn verslag. Hij zegt er onmiddellijk bij dat zijn boekje aan «levendigheid» gewonnen had als hij had kunnen spreken van de martelingen bij het crematorium. Hij zou niet overdreven hebben, maar het was niet gepast «in een tijd, waarin de historie met zoveel bloed geschreven wordt». In vergelijking met de ware ellende van de grote kampen, waarover de eerste berichten binnenkwamen, leek het gênant om in dezelfde termen over een naar verhouding lichter soort kamp te spreken – zo kun je die opmerking lezen.Maar Engels gaf met zijn verontschuldiging voor de hilarische toon nog iets anders te kennen. Onder elkaar hielden gedeporteerden er een apart taalgebruik op na, speciaal niet alleen door typische kampwoorden en -begrippen, maar ook door hard cynisme of sarcasme; ze maakten grappen tot in de dood. Dat klinkt door in de dagboeken.De verhalen van de Poolse kampschrijver Tadeusz Borowski zijn om die harde toon door sommige critici abusievelijk gelezen als verhalen ván het kamp, als die van een halve of hele collaborateur. De Joegoslavische schrijfster van een dagboek over Bergen-Belsen, Hanna Lévy-Hass (En misschien was dat nog maar het begin…), schrijft in haar eerste aantekeningen na aankomst, begin september 1944: «Onze barak is je reinste gekkenhuis.» De vrouwenbarak is een heksenketel waar mensen die elkaar niet verdragen opeengepakt zitten, een en al stank, lawaai, ruzie, geweld, van de bewakers en tussen de gevangenen onderling. Dat is de basso continuo onder elk kampverhaal – om dat te weten moet de lezer wel meer in hetzelfde genre gelezen hebben. Dan spreekt de opmerking van Engels over de toon boekdelen.Wat de dagboeken onder meer documenteren is het nagenoeg ontbreken van elke privacy. Hoe daarin nog te schrijven? Veel dagboeken zijn dan ook pas naderhand, op basis van notities, geschreven; zeg maar gereconstrueerd. Dat maakt ook een begrip als «authenticiteit» betrekkelijk, zeker naar de maatstaf van een Israëlische literatuurtheoreticus die als houdbaarheidsdatum twee weken na de bevrijding stelde. Om de lezer/toehoorder niet te vermoeien vermeldt de gemiddelde kampschrijver niet meer dan een enkele keer dat hij schrijft in een permanente toestand van teringherrie, stank en vuiligheid, agitatie, angst, uitputting en honger. Een felrealistische beschrijving zou onvermijdelijk een onleesbare, gestoorde tekst geworden zijn. Des te verwonderlijker hoe de betere kampschrijver een toon vindt die onmiddellijke beleving en gedistantieerde ervaring verenigt.Realistisch is een nuchter taalgebruik niet, integendeel, alle frases over uitgebeende taal en tot het wezenlijke teruggebracht ten spijt. De hilarische toon van Engels is een echo van de taal in het kamp, die de Franse kampschrijver Robert Antelme een moerastaal noemde waarin elke vorm en elk onderscheid vermodderde. In zijn boek De menselijke soort, een verslag over een klein bijkamp van Buchenwald, is die taal onderwerp. Dat reflectieve aspect is een van de verschillen tussen een kampverhaal dat zijn eigen context schept en het merendeel van geschreven documenten; het is tevens een verschil tussen het opschrijven van belevenissen en het al schrijvend verwerken ervan tot ervaringen.Omdat ik op mijn leestocht door de kampliteratuur op zoek was naar teksten die ook nu nog – of juist nu – zonder uitleg en toelichting gelezen kunnen worden, omdat ze hun eigen context creëren, verhalen die niet door het kamp gedicteerd zijn maar er een persoonlijk tegenbeeld van geven, had ik moeite met teksten die vooral of alleen om hun documentaire waarde van belang zijn. Ze staan niet op zichzelf, maar zijn getuigenis, bewijsmateriaal, bevestiging, dus altijd met betrekking tot iets anders, afhankelijk ook van gebruiker en datgene wat hij gedocumenteerd wil zien. Ik formuleer het al te beknopt. En omdat de Nederlandstalige kampliteratuur hoofdzakelijk uit documenten bestaat, waarvoor een heel ander onderzoek nodig is dan de lectuur die ik beoogde, is ze goeddeels buiten beschouwing gebleven. Jacques Presser hanteerde het begrip egodocument voor het geschreven materiaal dat hij voor zijn boek Ondergang had gebruikt, misschien ook wel ter rechtvaardiging ervan. Onder het begrip egodocument rubriceerde hij gedenkschriften en brieven, dagboeken en andere persoonlijke getuigenissen: «documenten dus», zoals hij het in zijn Ten Geleide bij In dépôt: Dagboek uit Westerbork (1964) van Philip Mechanicus formuleerde, «waarin, meer dan in andere, een ‹ik› zich openbaart of… verbergt.» Met dat laatste woord kan de formulering meteen alle kanten uit, nog versterkt door het onderscheid tussen extraverte geschriften, «waarin de schrijver waarnemingen, feiten, uiterlijke ervaringen noteert» en het intieme dagboek «gevuld veelal met bespiegelingen en reacties op die buitenwereld».

Van het laatste type ken ik niet één voorbeeld; ik zou zelfs durven zeggen dat een in het kamp geschreven dagboek per definitie een journaal in de eerste persoon meervoud is. Het eerste woord van «egodocument» is juist wat kampliteratuur betreft twijfelachtig. Om antwoord te geven op de primaire vraag: document van wat? heeft de lezer vergelijkingsmateriaal nodig: andere dagboeken en geschriften over hetzelfde kamp, in verschillende periodes; en informatie over de voorgeschiedenis van de schrijver, zijn positie in het kamp, over het kamp in kwestie en het systeem waarvan het deel uitmaakte. Op het kamp toegepast is het egodocument er per definitie een in het meervoud: één getuige is immers geen getuige.Presser maakt principieel onderscheid tussen ter plekke geschreven documenten en later geschreven of herschreven teksten. Merkwaardig, alsof het (ogenschijnlijk) onoverdachte verslag zelf een stuk werkelijkheid is. Zodra een dagboek bewerkt is, wordt het te persoonlijk om nog als authentiek document te gelden. Het is waar: opschrijven is inderdaad iets anders dan schrijven in de zin van (ver)werken. Maar met zijn onderscheid verklaart Presser wel alle kampgeschriften die ik kampliteratuur noem tot een aparte categorie, die voor de geschiedschrijving niet meer meetelt. Dan is ook niet de vorm, maar authenticiteit de voornaamste maatstaf – en wie oordeelt daarover? Het zou wel eens kunnen zijn dat de historicus met dit onderscheid tussen document en literatuur zijn eigen vrijheid verdedigt om met het document te doen wat hij wil, net als met alle andere ruwe materiaal. Een zelfstandige tekst vraagt erom in eigen termen gelezen te worden – dat bedoelde ik ook met te zeggen dat een goed kampverhaal zijn eigen context creëert, terwijl het (ego)document alleen gelezen kan worden als de lezer er een context bij krijgt of die zelf vergaart. Als ik met veel van wat er aan Nederlandse kampverslagen voorhanden is moeite had binnen mijn leesonderzoek was dat niet vanwege de vraag of ze wel de naam «literatuur» verdienen, maar juist omdat het egodocumenten zijn. Hoe die te lezen? Juist bij zulke teksten is het aandeel van de lezer groter dan bij verhalen die op eigen benen kunnen staan, omdat ze minder van externe informatie afhankelijk zijn.

Om te beginnen heb je een overzicht nodig van wat er is; afgezien van enkele bibliografieën bestaat dat niet. In de literatuurwetenschap is men niet verder gekomen dan «de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in de literatuur», zoals de ondertitel luidt van Een halve eeuw geleden (1994, red. Ester, De Moor). Ook Dresden heeft lang gewerkt met het begrip «oorlogsliteratuur». Hij was vervolgens de eerste die kampverhalen – niet zonder aarzelingen – om hun literaire kwaliteiten las, al beperkte hij zich tot de joodse kampliteratuur. Aangezien veel van de teksten uit dagboeken, brieven en memoires bestaan, moet je om te kunnen gaan lezen – dat wil zeggen uitlezen, sorteren, vergelijken et cetera – enig idee van het dagboek als genre hebben.Afgezien van enkele deelonderzoeken ken ik maar één studie: een Amerikaanse dissertatie, geschreven door de Nederlandse Renata Laqueur, wier eigen dagboek uit Bergen-Belsen in 1965 gepubliceerd werd. Laqueur behandelt daarin enkele veel voorkomende thema’s en karakteriseert een serie kampschrijvers, onder wie Floris Bakels, Abel Herzberg, David Koker, Philip Mechanicus, Nico Rost en Loden Vogel. Ook al gaat het over Nederlandse auteurs, het is geen toeval dat het niet in het Nederlands (wel in het Duits, als Schreiben im KZ: Tagebücher 1940-1950) vertaald is. Het was een studie van een ex-gedeporteerde, zoals tot voor kort bijna alleen schrijvers van kampverhalen zelf over kampliteratuur geschreven hebben – de literatuurwetenschap, niet alleen in Nederland, heeft vijftig jaar lang verstek laten gaan. Ik zeg wel dat de Nederlandse kampliteratuur vooral uit dagboeken en herinneringen bestaat, maar er zijn uitzonderingen. Dat zijn de boeken die passen bij de literatuur van de eerste generatie waar ik mijn aandacht op gericht heb. Een wezenlijk kenmerk daarvan is de combinatie van beschrijving, vertelling en beschouwing, zoals ook in de vroege studies vaak analyses en feitenverzamelingen samengingen met ooggetuigenverhalen – dat geldt zowel voor de literatuur over de sovjetkampen als over de Duitse vernietigings- en concentratiekampen.

Als ik de ruimte had gehad zou ik zeker nader zijn ingegaan op boeken die ik nu alleen terloops heb vermeld, zoals Amor fati van Abel J. Herzberg; Het Duitse concentratiekamp, een medisch proefschrift uit 1952 van E.A. Cohen, gebaseerd op eigen kampervaringen; Moeder was niet thuis (1982) van M.S. Arnoni, het verslag van zijn bezoek aan zijn geboorteland Polen, waarin hij laat zien hoe moeizaam herinneringswerk is. Daar hoort ook het werk van Hellema bij, aan wie ik net als aan Arnoni graag een apart hoofdstuk gewijd had. Maar ik was al zoveel onbekende namen en geschriften tegengekomen die ik voorrang heb gegeven. Om die reden heb ik ook geen aparte hoofdstukken gewijd aan auteurs als Primo Levi, Imre Kertész, Jean Améry en Jorge Semprun. * Jacq Vogelaar is schrijver en criticus. Zijn boek over kampliteratuur verschijnt bij uitgeverij De Bezige Bij