De genoeglijke revolutie

Nagloei en verlichting

De nostalgie naar de daadkracht van de zeventiende eeuw is een van de meest consistente tradities van onze cultuurgeschiedenis. Vergeleken met de wereldomspannende ambities van Rembrandt en De Ruijter is de achttiende eeuw sloom, ‘sloom als de trekschuit’, zei Ronald de Leeuw bij de presentatie van Nederlandse kunst in het Rijksmuseum, 1700-1800.

Daar valt weinig tegenin te brengen. De achttiende eeuw kende in Nederland onmiskenbaar minder dynamiek dan de zeventiende. De dominante positie op het wereldtoneel verdween als sneeuw voor de zon. Er was lange tijd geen centraal stadhouderlijk hof van enig belang, er werd niet op enige schaal gebouwd, zoals ten tijde van het Loo of het Stadhuis van Amsterdam. De agressieve ondernemers van weleer waren burger-bankiers geworden, met een hang naar fijnzinnige, kleinschalige luxe. De heersende mode was internationaal, met Frankrijk als dominante invloed, en niet ‘Hollands’. Dat maakte de cultuur van de achttiende eeuw in de ogen van latere beschouwers minder authentiek, minder oorspronkelijk. Net als Peter Hecht herkende De Leeuw de originele persoonlijkheid van Cornelis Troost, maar Troost overleed al in 1750. De Leeuw constateerde ook dat onder de meer actieve kunstenaars van de achttiende eeuw veel buitenlanders waren – de Zweed Johannes Schiotling, de Antwerpenaar Jan Baptist Xavery, de Duitser Matthijs Horrix. Bij de verkiezing van de Grootste Nederlander aller Tijden telde de achttiende eeuw dan ook niet mee. Er kwam bij de eerste honderd maar één volbloed achttiende-eeuwse voor: Belle van Zuylen (1740-1805), op de 98ste plaats. Antoni van Leeuwenhoek (1632-1732, vierde) en Herman Boerhaave (1668-1738, 77ste) kunnen ook bij de achttiende eeuw gerekend worden (maar Leeuwenhoek was al bijna zeventig toen die eeuw begon); lager in de klassementen figureren nog Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol (1741-1784, 127ste, direct na Sonja Barend), en de revolutionaire generaal Herman Daendels, (1762-1818, 185ste). In de Nederlanden bestonden geen tegenhangers, kennelijk, van Voltaire, Diderot, Montesquieu en Rousseau; wij hadden geen Rameau, geen Bach, geen Telemann, Haydn of Mozart. En ook geen Hogarth, geen Gainsborough, geen Tiepolo. Ook in Plaatsen van herinnering: Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw komt de achttiende eeuw er bekaaid af. Van de 41 hoofdstukken gaan er maar elf over achttiende-eeuwse lieux de mémoire, en daarvan liggen er nog vier buiten Nederland ook (Kaapstad, Suriname, Curaçao, Jakarta).

De achttiende eeuw is dus in de Nederlandse cultuurgeschiedenis geen eeuw van zichzelf: het is enerzijds een nagloei van de zeventiende en anderzijds de dageraad van de moderne, verlichte negentiende eeuw, toen het vaderland als verlichte eenheidsstaat herboren werd. In het midden van de achttiende eeuw zit een gat.

Een gevoel van stagnatie en verval bestond in de achttiende eeuw zelf ook al. De bloei was voorbij, dat kon iedereen zien. Het politieke systeem was gebaseerd op patronage en cliëntelisme; waar daadkracht was gevraagd, regeerde stagnatie. De energieke Amsterdamse reder en filantroop Guillelmus Titsingh (1733-1805) schreef in 1774: ‘Men noemt mij mogelijk te swaarhoofdig, als ik onze val nabij rekene, en onherstelbaar, dewijl ik geene dispositie zie in d’aankomende jeugd, om het werk weder op te bouwen.’

Het koene initiatief en de frisse blik van de zeventiende-eeuwse vaderen leek bedolven geraakt onder zelfverwennerij, pluimstrijkerij, decadentie, gesymboliseerd door het nutteloze vertoon van de pruik (het poederen daarvan, met meel, slokte een belangrijk deel van de graanoogst op). De breed uitwaaierende corruptie van Willem V en zijn entourage sloten aan op het algehele gevoel van verval.

Zoals Stephan Klein in Plaatsen van herinnering beschrijft groeide in het midden van de eeuw steeds sterker de notie dat de Nederlanders waren afgeweken van de oude vaderlandse deugden, die gericht waren op handel en nijverheid. Dat gold de elite en de Oranjes in het bijzonder. De elite teerde op het fortuin verdiend door haar grootvaders, investeerde alleen in buitenlandse ondernemingen en gaf haar geld uit aan een luxe Franse levensstijl. Deze egocentrische slapte bedreigde ook de zeden van de gewone burgerij en daarmee het voortbestaan van de republiek. Titsingh kon rond 1780 voor zijn schepen geen Nederlandse matrozen krijgen en geen gewapend escorte voor de retourvloot naar Suriname. Van de overheid kreeg hij geen enkele steun. Met de Engelse oorlog van 1780 verdween het laatste restje nationale trots naar de kelder.

Kort daarna verscheen Aan het volk van Nederland van Van der Capellen tot den Pol; daarmee had de revolutie een politiek-theoretisch denkbeeld én een aanjager. ‘Het komt mij voor’, schreef Titsingh in 1781, ‘dat het met de publicque zaken hoe langer hoe duisterder, en verwarder word, en men, in plaatze van de zaken te vinden met elkander, hoe langer, des te meer verwijdert. Ongelukkig vaderland waarlijk, ’t welk het slagtoffer zal zijn van oneenigheid!’ Hij en zijn generatiegenoten raakten verwikkeld in een periode van kleinere en grotere revoluties, die uitdraaiden op Goejanverwellesluis, een burgeroorlog en twee buitenlandse interventies.

Het is duidelijk dat de cultuur van de achttiende eeuw zeer te lijden heeft gehad van deze connotaties van decadentie en verval. In Plaatsen van herinnering schrijft W.M. Mijnhardt: ‘In de klassieke visie op de geschiedenis was de Gouden Eeuw het alfa en omega van de Nederlandse identiteit.’ Maar dat doet die elegante burgers toch te kort, en hun kunstenaars eveneens. Terwijl de burgers zich ogenschijnlijk onledig hielden met hun pruiken, hun Loosdrechts porselein, hun zilveren koffiekannen en hun snuifdozen, waren ze bezig zichzelf én de maatschappelijk constellatie van de grond af opnieuw uit te vinden.

De kunst weerspiegelt dat. Waar de zeventiende eeuw de tijd was van bravoure en spektakel, van ontdekken en tonen, van het schuttersstuk en de lakenkast, werd de achttiende eeuw de periode van de intimiteit, de roman, de brief, de omgangsvormen, de conversatie, de tuin, de garderobe, de kamer. Mijnhardt memoreert de toenemende invloed van ideeën omtrent de sociabiliteit van de mens. In de kleine kring van familie, vrienden en gelijkgestemde burgers, in beschaafde discussies, kwamen de sociale vermogens van de mens tot hun recht en kon een morele overeenstemming ontstaan die uiteindelijk kon leiden tot de natuurlijke harmonie waartoe de mens was voorbestemd.

Opvoeding werd om die reden buitengewoon belangrijk. Vriendschap werd nieuw gewaardeerd – de oude patronageverhouding maakte plaats voor een meer natuurlijke, affectieve omgang. En het openbare sociaal verkeer, in koffiehuizen, genootschappen en loges, droeg verder bij aan de totstandkoming van maatschappelijke vooruitgang en harmonie.

Het is vooral dat sociale element dat de achttiende-eeuwse kunst zo bijzonder maakt. Zeventiende-eeuwse schuttersstukken zeggen veel over de status van de afgebeelden, naam, rang en toenaam, maar weinig over hun persoonlijkheid, hun leven; in de meer intieme, meer delicate vormgeving van het achttiende-eeuwse bestaan, de zelfondervraging, de brief, de conversatie, is dat leven veel dichter te benaderen.

In Nederlandse kunst in het Rijksmuseum maakt conservator Reinier Baarsen zich bijvoorbeeld sterk voor het schilderij van Jan Gildemeester, die zich door Adriaan de Lelie liet afbeelden als de spil van een groep kunstliefhebbers, in zijn eigen huis, een elegant interieur voor schilderijen. Een moderne, open man, die zich vooral laat kennen aan de ongedwongen omgang met zijn vrienden.

Het is duidelijk dat in die elegante burgerlijke wereld de basis werd gelegd voor het moderne, verlichte Nederland dat aan het eind van de eeuw uit de as van de oude republiek verrees. Door de erosie van dat hardnekkige nationale perspectief – om Mijnhardt nog eens te citeren – wordt eindelijk duidelijk hoe zeer het moderne Nederland zijn wortels heeft in die zo lang verguisde, elegante burgerwereld van de achttiende eeuw.

Het jaar van de 18de eeuw. Rijksmuseum Twenthe, tot en met 6 januari 2008. www.rijksmuseum-twenthe.nl

De kroon op het werk: Hollandse schilderkunst 1670-1750. Dordrechts Museum, t/m 28 mei. Catalogus e _ __ 9,90. www.dordrechtsmuseum.nl_

Maarten Prak (red.), Plaatsen van herinnering: Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw. Prometheus.

Baarsen, Reinier, Robert-Jan te Rijdt, Frits Scholten, Nederlandse kunst in het Rijksmuseum, 1700-1800. Rijksmuseum Amsterdam/Waanders