Naïef mooi

Maarten Asscher (staand) en zijn broer met hun oma in Kew Gardens, Engeland, 1961 © Foto privécollectie

Hoe bouw je je herinneringen op? Maarten Asscher vat het ergens in zijn nieuwe roman treffend samen: ‘In plaats van mij de werkelijkheid te herinneren, herinner ik mij mijn eerdere herinneringen.’

En in dit zachtaardige boek, een mengvorm van documentaire en roman, legt hij daar verantwoording over af. De roman bestaat uit een uitvoerige beschrijving van een huis plus omgeving in Engeland, met zijn bewoners, zijn grootouders, waar hij als kind graag kwam. De opzet is fraai. Tijdens slapeloze nachten van de volwassen ik-verteller, in het heden dus, herinnert hij zich dat huis waar hij tijdens zomervakanties in de jaren zestig en zeventig logeerde. En hoe gelukkig hij daar was. De ik verplaatst zich in dat jongetje en neemt ons mee door dit wonderhuis van zijn jeugd. Hij beschrijft tot in kleine details de verschillende kamers, wat er stond, wat er aan de muren hing, wie er kwamen, wat men deed en wat er allemaal gebeurde. Hij ziet zijn grootouders weer lopen, hij loopt mee en wij mogen erbij zijn. Dat levert zinnen op als deze: ‘Terwijl hij naar zijn studeerkamer loopt, zie ik nog juist vanaf de trap, kijkend door de spijlen van de balustrade, hoe de hoge deur zwevend op zijn speciaal door Oa (zo noemde hij zijn grootvader – kth) gemaakte scharnieren vanzelf geluidloos dichtdraait, als door een onzichtbare hand zachtjes aangeduwd.’

Hij wil het jongetje onwetend en gelukkig door dat huis laten dwalen

Kijk nog maar eens naar deze zin: een wonder van ritmiek en beeldende kracht. Zonder meer een gelukkige zin, hij is er bijna vanzelfsprekend, en hij roept dit huis, de sfeer ervan en van zijn bewoners, zomaar op. Daar gaat grootvader de trap op. Als herinnering. Een zachte zin is het, met golvende tussenzinnen, waarin verschillende zintuigen bij elkaar komen. De melancholie van de herinnering. De schrijver laat zich er onbekommerd in gaan en maakt op deze manier van zijn ik als jongetje van een jaar of negen een nieuwsgierig kijkend en luisterend ventje, dat in verwondering de wereld gadeslaat. De roman staat vol met deze beschrijvingszinnen en dan is-ie op zijn mooist. Naïef mooi. Je zou kunnen aanvoeren dat er in de scènes maar weinig gebeurt, we doen als lezer niet veel meer dan met dat jongetje meelopen En om dat tijdelijk nog te laten geloven ook? Kijk naar deze zin: ‘Vannacht kon ik ineens nergens de was vinden.’ Wat een merkwaardige zin, maar hij deugt. De ik kon zich als volwassen, slapeloze man ineens niet meer herinneren waar in dat huis de was werd gedaan. En vervolgens duiken we weer dat jongetje in. ‘Ik liep rond over de benedenverdieping en probeerde me in gedachten ergens een lijn met wasgoed of een volbehangen wasrek voor te stellen, maar nergens past het logisch.’

En dan stuit de ik ‘in de keuken, bij binnenkomst links, ineens op een grote rechthoekige vorm, die bij een volwassene tot het middel reikt’. De wasmachine! En de verteller voegt er, toch nog onzeker, aan toe: ‘Ik zou niet weten wat dit anders kan zijn dan de wasmachine, of het zou een vrieskist moeten zijn.’

Ik las de beschrijving van dit huis met zijn bewoners, dit jongetjesgeluk, met toenemende bewondering, de zachte herinneringen buitelen over elkaar, al is dit geen passende beeldspraak: ze volgen elkaar op, versterken elkaar en ze laten verwondering en nieuwsgierigheid toe. Ik werd zelf een herinneringsmachine. Tegelijkertijd verwerkte Asscher in zijn roman iets schrijnends. Het jongetje herinnert zich alleen maar. Hij kijkt en luistert en is gelukkig en als lezer werd ik het ook. Maar de slapeloze oudere ik die zich dat jongetje, zijn jongetje, herinnert, die hem in zijn herinnering in het huis laat ronddwalen, weet ook waarom zijn grootouders in Engeland wonen. Hij kent de tragische achtergrond ervan. Ze zijn na de oorlog uit Nederland verhuisd, ze zijn ternauwernood tijdens de oorlog aan de moord op de joden ontkomen. Hij bezit wat familiepapieren, zoekt uit wat er gebeurd is en waarom ze na de oorlog naar Engeland verhuisden. Maar deze oudere ik wil zijn ‘herinneringsjongen’ achteraf hiervoor sparen, hij wil hem uit de wind houden, omdat hij als jongetje altijd uit de wind gehouden werd. Niemand wilde hem lastigvallen met het verleden. Hij wil dit jongetje onwetend en gelukkig door dat huis laten dwalen en opnieuw laten rijden in die prachtige auto van Opa. Hij wil nog steeds dat gelukkige jongetje zijn. Ik vind dit mooi. En schrijnend. Want het kan niet.

Het is alsof Asscher het liefst zijn kop in het zand wil steken voor de verschrikkingen uit de oorlog die hij niet heeft meegemaakt. Ze komen ter sprake, natuurlijk, dat kan niet anders, ook de doden in zijn eigen familie, maar meer als iets zijdelings. Dat huis, dat geluk, daar gaat het om. Hij koos de omweg van het gelukkige jongetje dat zijn adembenemende tochten door het huis voor eeuwig zou willen blijven maken. En dat leverde fraaie, schrijnende literatuur op, ineens krijgen juist de gewoonste zinnen een wonderlijke bijklank: ‘Waar het buitengangetje bij de tuin uitkomt, staat aan de rechterzijde van het terras een manshoge, groengeschilderde vierkante tank waar stookolie voor de boiler en de centraleverwarminsinstallatie in zit.’