Maaike Kroesbergen, Watertanden

Naïeve hoogdravendheid

Maaike Kroesbergen

Watertanden

Augustus, 223 blz., € 16,95

Maaike Kroesbergen (1973) studeerde Nederlands. Watertanden is haar ro man debuut. Je hebt debuten en je hebt debuten. Dit debuut is er een van de kwetsbaarste soort, en dat is duidelijk vanaf bladzijde numero één, regel numero vijf: «En heel even leek het geen vreemde gedachte dat ze vanaf haar veertiende naar hem was blijven zoeken.» Veertien dagen laat de schrijfster haar protagoniste Lee vertoeven in het dorp van haar jeugd, Ossenfoort, op zoek naar de man van haar jeugd. Ze heeft hem al meer dan tien jaar niet gezien, is ook niet meer terug geweest in het dorp nadat ze in Amsterdam is gaan wonen en studeren. Als ze op een dag echter een foto in de krant ziet die hij gemaakt heeft, van een massaslachting van ganzen, kan ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. Onder de vlag van de journaliste die uit wil zoeken hoe het zit met die ganzen – wie heeft ze gekeeld en waarom – keert ze terug naar Ossenfoort. Daar ziet ze klasgenoten van vroeger terug in nieuwe gedaantes, zoals die van barjuffrouw en restauranteigenaar, en herbeleeft ze het een en ander uit haar verleden.

Langzaam worden de contouren van de geheimzinnige man om wie deze tocht eigenlijk werd begonnen scherper. Hij heet Vir, is veel ouder dan zij en is boswachter of iets dergelijks. Haar ontmoeting toentertijd met hem viel samen met haar inwijding in de grote literatuur, in de vorm van D.H. Lawrence’s Lady Chatterley’s Lover en Nabokovs Lolita. Niet toevallig romans die in het teken staan van grensoverschrijdende seksualiteit. De veertienjarige Lee vat een obsessie op voor de zoveel oudere man, die hij niet wil beantwoorden. Later wordt duidelijk waarom: hij is ervaringsdeskundige op het terrein van ongelijke liefde, zij het omgekeerd, en wil niemand ooit nog in zo’n positie brengen. Toch weet zij hem mee te tronen naar een Grieks eiland, en misschien zelfs tot verregaande intimiteiten te verleiden. Hij laat haar daar echter tamelijk jammerlijk in de steek. Waarom? Het is een van de vragen die Lee zoveel jaar later graag alsnog beantwoord wil zien.

Iets in deze roman zet aan tot doorlezen, en dat iets is het beste te benoemen als: de belofte. De belofte dat het straks duidelijk wordt. De belofte dat het straks spannend wordt. De belofte dat het ergens op af gaat. Watertanden blijkt echter op zo veel gedachten te hinken dat het geheel steeds wankeler wordt. Allereerst is er het ontrafelen van een mysterie. Welke gek brengt zo veel ganzen zo gewelddadig om het leven? Om de een of andere miraculeuze reden wordt Lee door niemand van haar vroegere intimi herkend, en kan ze dus aanvankelijk rustig wat speurwerk verrichten. Er blijken allerlei belangengroepen actief te zijn in Ossenfoort en de ene heeft nog meer last van de ganzen dan de andere. Maar niemand die zich openlijk wil uitspreken over de mogelijke dader. De geheimzinnigheid is zo verstikkend dat Lee heuse dreigbrieven ontvangt op haar hotelkamer. Dat ze maar gauw moet stoppen met haar naspeuringen, want anders…

Dan is er de confrontatie met de vrienden uit het verleden. Mensen blijken nog allerlei rekeningen te willen vereffenen, waar Lee nooit enig idee van heeft gehad. Veel oud zeer is te herleiden tot het nooit-echt-mee-willen-doen van Lee, en dat leidt dan weer tot het volgende: de verhouding met Vir. Ook Vir herkent haar niet, sterker nog: ze liggen al bijna met elkaar in bed, en nog heeft hij geen idee wie zij is. Dit is niet eens meer ongeloofwaardig te noemen, dit is surrealistisch. Misschien opzet, misschien is deze Vir geen man van vlees en bloed, maar de gedroomde reïncarnatie van Vladimir Nabokov. De vele verwijzingen naar zijn persoon en werk brengen deze roman pas goed uit evenwicht.

Lee’s groei als lezer en haar liefde voor de literatuur denkt haar geestelijk moeder gestalte te moeten geven in een verliteratureluurde roman. De compositie van Watertanden is helder genoeg, maar in de afzonderlijke hoofdstukken wordt een ingewikkeld spel gespeeld met tijdsverloop, perspectiefwisseling en literaire verwijzingen. Alles is te verdragen, zolang er maar een duidelijke of verleidelijke vertelstijl tegenover staat. Ook op zinsniveau echter is de schrijfster begoocheld door het idee dat iedere associatie er één is – of het nu gaat om het ooglapje van een passant of het doosje waar vroeger de melktanden in werden bewaard – en dat vooral vermeden moet worden om iets recht voor z’n raap te vertellen. Het heeft tot gevolg dat nogal wat scènes buiten gewoon vreemd worden opgebouwd en afgewikkeld. Zo sta je bij wijze van spreken nog aan de bar, en zo is iedereen starnakel dronken; zo heb je nog een aftastend gesprek met iemand, en zo staat hij je naar het leven.

Nogmaals: kwetsbaar allemaal, inclusief de citaten van Nabokov waarmee de hoofdstukken beginnen, de opzichtige verwijzing naar leermeester Adriaan van Dis en de literatuurlijst achterin. Zonder pretenties kom je nergens en schrijf je zeker geen boek. De sterkste indruk die nu echter blijft hangen na lezing van Watertanden is er een van naïeve hoogdravendheid.