Naima El Bezaz, 3 maart 1974 – 7 augustus 2020

Naima El Bezaz leek in een staat van constant verzet. Haar schrijven was een manier om gehoord te worden. Ze weigerde samen te vallen met haar identiteit.

‘Ik ben erachter gekomen dat mensen vergeten wat je zei, ze vergeten wat je deed, maar mensen zullen nooit vergeten how you made them feel’, aldus schrijfster Maya Angelou. Inderdaad herinner ik me van mijn interview in 2006 met Naima El Bezaz sterk het gevoel dat ze me gaf. In haar hartelijkheid zat iets verstopt wat ik niet anders kan beschrijven dan als een appèl op solidariteit dat het schrijverschap oversteeg. Haar strijdlust was aanstekelijk; ze was een vrouw met een mening en een missie, en nam met gevoel voor theater vanzelfsprekend ruimte in. Ik was ook een beetje bang voor haar. Ze had een kracht die ik kende van mensen die worden gedreven door hun rechtvaardigheidsgevoel en zich daardoor moeilijk lijken te kunnen verzoenen met de wereld. Een kracht die me overdonderde. Ze was een strijder, ingegeven door waar ze vandaan kwam.

In 1978 volgde het gezin El Bezaz Naima’s vader, die al in Nederland woonde toen Naima geboren werd. Naima was vier. Ze botsten niet zozeer met de Nederlandse cultuur als wel met de cultuur van Marokkanen die uit het noorden kwamen. De vrouwen uit Naima’s familie waren vrijgevochten, de Marokkaanse vrouwen in Nederland zaten thuis. Naima behoorde nu tot ‘de Marokkaanse gemeenschap’, terwijl die niet bestond, legde ze me uit.

Ook haar vrouw-zijn ervoer ze als een vorm van onrechtvaardigheid, ze ontdekte al vroeg de ongelijkheid tussen man en vrouw en was ervan overtuigd dat haar niet hetzelfde lot beschoren zou zijn als de Marokkaanse vrouwen om haar heen.

Lezen en schrijven werden haar overlevingsstrategieën. Vanaf haar achtste ‘woonde’ ze in de bibliotheek, een rustige, geordende wereld, een groot contrast met thuis, vertelde ze in een interview met Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer in 2008. Ze verslond boeken en probeerde vanaf haar tiende een dagboek bij te houden. Toen ze in de klas vertelde later een boek te zullen schrijven, werd ze uitgelachen. Ze kon niet wennen aan dat nuchtere, calvinistische, dat behoudende. ‘Alsof mensen wilden zeggen: denk maar niet dat zoiets jou gaat lukken.’

Ze won een gedichtenwedstrijd op haar achttiende en toen ze vervolgens voor een paar honderd jongeren mocht voorlezen uit haar eerste boek De weg naar het noorden, over een Marokkaanse man die naar Europa wil komen, sprak Yvonne Kroonenberg haar aan en bracht haar in contact met uitgeverij Contact.

Na publicatie van de verhalenbundel Minnares van de duivel werd ze voor nestbevuiler uitgemaakt vanwege de expliciete seksscènes in het boek. In de roman De verstotene voerde ze Mina op: een jonge vrouw met een Franse moeder en een Marokkaanse vader. Het gezin is orthodox in de leer, en wanneer Mina als jong meisje te veel vragen stelt en zich te kritisch uitlaat over haar geloof, wordt ze verstoten uit het gezin.

In haar schrijven zat de ontembare behoefte het schijnheil bloot te leggen

Toen ik het met haar had over in hoeverre ze op haar hoofdpersoon lijkt (Mina uit haar roman De verstotene zoekt haar heil in drank, pillen en anonieme seks, Naima noemde zichzelf preuts en had nog nooit een druppel gedronken) zei ze niet over zichzelf te kunnen schrijven. ‘Alles wat ik schrijf, wordt meteen een verhaal.’

Toen ze vanuit de conservatief-islamitische hoek werd bedreigd, trok ze zich voor een tijd terug uit de publiciteit. De jaren erna kampte ze met een depressie. Haar psychiater raadde haar aan te schrijven, waarop ze de verhalen per alinea naar haar redacteur stuurde. In 2008 verscheen Het gelukssyndroom, een boek dat opnieuw een taboe aansneed, een Marokkaanse vrouw met psychische problemen.

Twee jaar later brak ze door met Vinexvrouwen, gevolgd door Meer vinexvrouwen – onbarmhartige zedenschetsen over het leven in een Vinex-wijk (dat ze goed kende) waar overspel en schone schijn regeren. Ook toen werd ze lastiggevallen, deze keer door buurtbewoners die zichzelf zeiden te herkennen in het boek. Haar laatste roman, In dienst van de duivel, verscheen in 2013. Nog maar vorige maand kondigde El Bezaz een nieuw boek bij een nieuwe uitgever aan. ‘Mijn leven wijd ik volledig aan schrijven en daarbij zal ik geen enkel taboe schuwen. Bij Lebowski mag ik knallen en knallen zal ik!’

El Bezaz was in de Nederlandse literatuur een van de eerste schrijvers met een migrantenachtergrond, samen met Abdelkader Benali en Hafid Bouazza. Haar werk werd met de meeste kritiek ontvangen, omdat ze geen bijzondere stijl zou hebben. Haar schrijverschap kan misschien beter op een andere manier beoordeeld worden. Ze leek in een staat van constant verzet, schrijven was een manier om gehoord te worden, en dat leek verlossing en troost te bieden. Genoegdoening ook. In een tv-interview waarin ze praatte over de ophef rond Vinexvrouwen vonkten haar ogen van plezier.

Maar soms schrok ze zelf van wat ze had geschreven, zoals van de passages in De verstotene waarin Mina seks heeft met een joodse man, en die waarin ze stukken uit de koran wil herschrijven. ‘Ik ben voorzichtig, maar niet als ik schrijf’, antwoordde ze op de vraag wat haar grens was. Ze vertelde dat iemand ooit had gezegd: ‘Die El Bezaz moet oppassen, want woorden zijn als hagel, die kunnen onschuldige omstanders raken.’ Daar was ze het mee eens, maar vanuit angst wilde ze niet schrijven.

En dat was misschien de kern van El Bezaz als schrijver: een ontembare behoefte het menselijk schijnheil bloot te leggen, geboren uit de weigering samen te vallen met haar identiteit. Omdat ze niet over zichzelf kon schrijven, werden dat verhalen.