Ger Groot

Naïviteit

Ger Groot

Naïviteit

Me voorbereidend op de bespreking van Juan Carlos Onetti’s roman Het korte leven lees ik zijn verhaal De zo gevreesde hel uit de bloemlezing De put. Waarom blijft juist deze vertelling, toegankelijker dan de meeste van Onetti’s verhalen, in mijn hoofd zo ongemakkelijk doorzeuren? De plot en de ontvouwing ervan zijn simpel genoeg. Een journalist ontvangt op gezette tijden foto’s van de vrouw die hem verlaten heeft. Het zijn afbeeldingen van haarzelf in compromitterende poses met andere mannen. Na de eerste keren gooit hij de brieven ongeopend de prullenbak in.

Het pleit voor Onetti’s schrijfkracht dat de slotregel van dit verhaal niet eens als een fatale slag komt. Begrijpend dat haar zendingen al snel geen uitwerking meer hebben, stuurt de vrouw er ten slotte een naar de school van hun jonge dochtertje. Deze keer was ze er zeker van, zo besluit Onetti, dat ze hem daarmee op zijn werkelijk kwetsbare plek zou treffen.

Het harteloos cynisme van die stap zou ieder hart doen bevriezen. Onschuldig kind tot pion gemaakt in een wrede oorlog van gescheidenen: zo samengevat krijgt het slot zelfs iets larmoyants. Maar het onbehagen dat het verhaal wekt, ontspruit niet aan die ontknoping. Het had zich al veel eerder genesteld.

De gestage seksuele kwelling van het jaloerse gemoed is in het scheidingsverkeer waarschijnlijk maar al te gangbaar, niet in de laatste plaats omdat ze zo simpel is. Ze is even eenvoudig te voltrekken als voorstelbaar – en heeft in haar doeltreffendheid zelfs aan de schijn al voldoende.

Precies daarom heeft dit verhaal, anders dan zo vaak bij Onetti, baat bij een simpele lijn. De eenvoud toont zijn effectiviteit in een (ook daardoor zo trefzeker) huwelijk van stijl en vertelling. Daaruit blijkt de grootheid van de schrijver Onetti. Die vaststelling kan ik voor mijn bespreking van Het korte leven vast noteren.

Maar er zeurt iets anders door mijn hoofd, waarvan mijn literaire geweten eigenlijk niets weten wil. Het weet maar al te goed hoe onthutsend het menselijk verkeer kan zijn, des te meer wanneer dat ooit uit liefde is voortgekomen. Maar het zou aan die wetenschap genoeg willen hebben. Het hoeft het niet nogmaals als nodeloze literaire ervaring ingewreven te krijgen.

Plotseling botsen hier twee gewetens op elkaar. De cultureel geverseerde veellezer kent de parolen van het literaire universum van haver tot gort. Lezen moet schuren en kunst mag niet verward worden met behaagzieke of luie ornamentalistiek. En als het gemoed gebruuskeerd wordt door de waarheden die zo worden opengelegd, eist de intellectuele eerlijkheid daar een open blik voor: en een franke confrontatie zonder vrees of blaam. Wat zou tenslotte een kunst die niet wringt nog kunnen voorstellen?

Ik weet het en het is allemaal waar. Maar toch schuilt er in mijn ongemak met deze kunstverschrikking iets dat zich verzet tegen een esthetische verzoening, bijvoorbeeld in de bewondering voor Onetti’s onbetwijfelbare schrijfkunst. Wat is er dat in de kunst aan de kunst ontsnapt – en dat ik niet kan slikken omdat het mij eenvoudigweg teveel is?

Is literatuur er, met andere woorden, alleen voor de gelukkigen, die in hun blijdschap wel tegen een stootje kunnen? Of zijn juist dit de «tevredenen of legen» voor wie de kunst nooit meer is dan een artefact dat de realiteit zelfs niet meer raakt – en daarin nota bene zijn hoogste eer bezit?

In de weigering van dit estheticisme schuilt misschien het buitenstaanderschap van wie nooit helemaal gecultiveerd is geraakt. Hij wil de kunst niet als kunstmatig zien en schort zijn ongeloof daarin niet eindeloos op. Ergens schuilt in deze elegante mimesis een kern die hij wel geloven moet en waarvoor zijn ontsteltenis echt is. Op een ongeciviliseerde wijze wordt hij geraakt door wat de artistieke blik slechts als grondstof voor haar sublimatiewil kan zien – en blijft daarin onboetvaardig naïef.