Niels ’t Hooft, Toiletten & Richard Osinga, Bor in Afrika

Naïviteit versus raffinement

Niels ’t Hooft

Toiletten

Uitg. Querido, 84 blz., € 10,95

Richard Osinga

Bor in Afrika

Uitg. Querido, 239 blz., € 16,50

Van veel modern prozawerk krijgt men wel eens de indruk dat het haastwerk is, voortgejaagd door een niet zo nobele drang naar gelding en publiciteit, naar vluchtige roem of sensatie, om toch vooral niet vergeten te worden, en misschien ook uit overwegingen van commercie. Of wellicht is het mede de geest des tijds, op jachterigheid gericht, die hier schuldig aan staat. De onrijpheid viert triomfen, de literaire appels vallen in enorme kwantiteiten te vroeg uit de boom.

Bovenstaande regels dateren van 1969 en komen uit de pen van de — sedert twintig jaar overleden — dichter/publicist Willem Brandt. Ik heb ze ooit overgeschreven, verrast in eerste instantie door de actuele boodschap, en later bedenkend dat weinig toch zo vervelend is als cultuurpessimisme. Al minstens drie decennia, maar vast al veel en veel langer, zit men te zeiken over «te veel» en «te snel» als het op literatuur aankomt. «Weet u wat het is mevrouw» (het –tje werd nog net op tijd ingeslikt), zei vorige week een gekwelde boekeninkoper bij De Slegte, mede geïnspireerd door de stapel boeken waarvan ik mij dacht te kunnen ontdoen, «er wordt veel te veel uitgegeven in Nederland.»

Ondertussen ben ik ervan overtuigd dat zo gauw ik ook ga denken dat vroeger over alles langer werd nagedacht ik moet ophouden te schrijven over «modern prozawerk». Tot die tijd is het mijn heilige taak reikhalzend uit te kijken naar nieuwe boeken en nieuwe schrijvers. De afgelopen maand kon ik wat dat betreft mijn lol op met twee debutanten: Niels ’t Hooft (1980) schreef Toiletten, en Richard Osinga (1971) Bor in Afrika. Twee stijl- en smaakvol uitgegeven paperbacks — de ene dun en fluorescerend gekleurd, de andere kloek met een grappige tekening op het omslag — waarvan je mag hopen dat ze lang hun glans bewaren. Misschien zelfs een magische vonk teweeg weten te brengen bij aspirant-lezers, zoals ik ooit zeker wist dat ik het debuut van Mensje van Keulen moest kopen (Bleekers zomer, 1972).

Niels ’t Hooft schreef met Toiletten een ontwapenend boek dat de sfeer uitademt van het maniakale «ik voel me keigoed, ik voel me keigoed» van Hans Teeuwen. In luttele bladzijden wordt verhaald van de gekte en breekbaarheid van pure verliefdheid. Vooral dat «pure» doet het hem. Goedbedoelende jongen, die tot voor heel kort alleen maar opging in zijn nintendospelletjes, valt voor moeilijk meisje. Voor hij het weet loopt hij samen met haar in een supermarkt en wonen ze samen. «Ik zei: ‹Ik doe toch nooit jouw onderbroeken aan? Waarom zouden we onze onderbroeken bij elkaar gooien?› ‹Het is belangrijk dat alles van ons samen is,› stelde je.»

De kracht van Toiletten is de consequent naïeve verteltoon van ’t Hooft, die hij zo ver doorvoert dat het een stijl wordt. Eén passage schrijft hij bijvoorbeeld helemaal in een soort dictee-proza, met gedachtestreepjes voor iedere zin: «— Ik was bij je in de studentenflat. / — Je vertelde over … etc.» Iedere mededeling in dit boek is van een simpele kernachtigheid («Het kon me niet eens schelen wat je zei, ik luisterde ook maar half.») en toch schrijnt iets heel weemoedigs onder al die oneliners. «De wereld klopte, de puzzelstukjes vielen op hun plek. Er was nog maar één iemand.» De dreiging dat deze heerlijke wetenschap niet erg lang kan duren, neemt op subtiele wijze toe. «‹Je hebt mij toch?› zei ik zacht.» Niels ’t Hooft weet voelbaar te maken dat na een enkele week in ieder geval één leven nooit meer hetzelfde is.

Misschien dient zich hier een nieuwe generatie schrijvers aan, want ook Richard Osinga presenteert zich als een naïef met zijn roman Bor in Afrika. Hierin worden de avonturen opgedist van een jonge diplomaat, Bor, die wordt gestationeerd in het Afrikaanse Boujouboujou. De manier waarop Osinga zijn Bor door de wondere wereld van de diplomatie laat bewegen, houdt het midden tussen een schelmen roman en een rondzendbrief zoals je die wel eens krijgt van kennissen die enige tijd in den vreemde vertoeven. Het lijkt alsof Osinga niet goed heeft kunnen kiezen tussen het groteske en het realistische. Alle verpletterend dagelijkse beslommeringen, belemmeringen en verbazingen krijgen een soldaat Schwejk-achtig tintje, omdat Bor nu eenmaal Bor heet, geen last heeft van een gevoels- of gedachtenleven, en door wiens argeloosheid de corruptie en absurditeit van zijn werkomgeving des te scherper moeten uitkomen. Veel te veel bladzijden gaan echter heen met onbeholpen geformuleerde handelingen en observaties, in de trant van: «Bor kon zijn hoofd slecht bij zijn werk houden; het was gelukkig een rustige dag. (…) Bor kon dus zitten suffen zonder dat dat het lands belang of zijn carrière schade zou berokkenen. Bor bladerde afwezig door de stapel papier op zijn bureau. (…) Bor gaapte en nam nog een slok van zijn koffie.» Verfrissend onopgesmukt kun je zo’n aanpak ook noemen, maar onopgesmukt én oeverloos is geen gelukkige combinatie. Waar Niels ’t Hooft de naïviteit inzet als stijlmiddel en een geraffineerd eenvoudig boek schrijft, vertilt Richard Osinga zich aan de complexe opdracht een roman te schrijven.