Ger Groot

Nalezen

Wie veel kranten leest, houdt veel kranten over en wat gelezen moet worden gaat de beschikbare tijdspanne van één dag veelal te boven. Dan stapelen de katernen zich op, vooral de bijlagen met de langere artikelen die niet ongezien mogen blijven en waar om de zeven dagen de weekbladen nog eens bijkomen.

Na een jaar begint het schuldbewuste nalezen, dat vergeefs probeert de achterstand weg te werken. Stapelsgewijs droeg ik in de afgelopen weken de eindelijk gelezen kranten naar het verzamelpunt voor oud papier. Wat ledige rust had moeten zijn zat plots weer propvol met de commentaren en overpeinzingen van gisteren en eergisteren, want het nalezen verloopt altijd omgekeerd in de tijd. Bovenop de stapel ligt het meest recente overschot.

Hoe groter de ijver in het inhalen van het verzuimde, hoe groter ook de afstand die het heden scheidt van het allengs vergeeldere en ten slotte zelfs verkruimelende papier. Nog onkundig van wat zich luttele jaren of zelfs maanden later zal gaan afspelen, tekent zich daarin een wereld af die al bijna oergeschiedenis geworden is en waartoe de herinnering nog slechts met de grootste moeite toegang vindt.

Toch blijkt dat soort tijdreizen onmisbaar voor een helder zicht op de actualiteit. Het heden betekent voor zichzelf altijd te véél en plet daarmee onwillekeurig ieder eigen begrip. Zo massief zijn de feiten van het loutere nu, dat ze zich, dimensieloos present, lenen voor iedere dienstige uitleg. Dat die als verklaring louter het gewicht heeft van het feit zelf, rekent hij zichzelf graag aan als de verdienste van de zakelijkheid.

«Feitelijk» heet dan: onwrikbaar – maar zijn onverzettelijkheid ontleent het slechts aan zijn eigen zicht op historie. De actualiteit beslaat het hele gezichtsveld – en de betekenis wordt slechts dwingend door haar al even massieve slagschaduw die de blik verduistert. Hoe groter de gebeurtenis, hoe kortzichtiger de actuele betekenis. In de dagen na 11 september 2001 dacht bijna iedereen hetzelfde en kromp de geschiedenis ineen tot de overzichtelijkst denkbare termijn.

De vernederende zwakte van de euro in diezelfde periode bleek bij een toenmalige opruimingswoede onder mijn krantenstapels bijna even onthullend. Onder economen en liberale politici mondde de jammerklacht erover steevast uit in de sirenenzang van de flexibilisering en liberalisering die het verstarde Europa weer concurrerend moesten maken. Een berichtje uit een economiekatern van enkele jaren dáárvoor bleek al even alarmerend getoonzet: niet over de zwakke euro, maar juist over de op dat moment wegzakkende dollar, die de westerse economieën ernstig bedreigde. Een lofzang op de verstarring, die je volgens dezelfde redenering op dat moment als Europese kracht had kunnen aanmerken, werd toen niet aangeheven.

In beide gevallen waren de feiten onweerspreekbaar, maar de betekenissen die eraan werden gegeven hieven elkaar gewichtloos op. Enkele jaren later blijkt de ironie daarvan nog eens dubbel zo groot. Terwijl de dollar inmiddels opnieuw is verzwakt, klinkt het flexibiliseringsdeuntje nog even opgewekt – onderbouwd met feiten die opnieuw ontleend zijn aan een actualiteit die niets bewijst maar dat in zijn massieve evidentie wel pretendeert.

Er zijn dan ook nog veel hogere krantenstapels nodig om eraan te herinneren dat het «China» van nu in de economische commentaren verdacht veel lijkt op het «Japan» van de jaren tachtig. Vervang de namen, en de opiniestukken kunnen cyclisch worden hergebruikt. Nog weer enkele tientallen jaren eerder verschenen de economische deugden van het Oosten als typische eigenschappen van de Engelse volksaard, die op zijn beurt het verbluffende succes van de Britse economie moesten verklaren.

Dat alles maakt het krantencommentaar niet overbodig en zelfs niet ridicuul. Wie pleit voor een blote presentatie van voor zichzelf sprekende feiten bedriegt zichzelf, zijn lezer of beiden. De evidentie daarvan is altijd slechts die van de heersende mode. Wie niet oordeelt, huilt onvermijdelijk mee met de wolven in het bos, die onder hun schaapskleren een allesbehalve naïef besef van hun eigen belangen koesteren.

Aan oordelen en verklaringen van de actualiteit ontkomen we dus niet. Maar zodra de actualiteit haar eigen verklaring wordt, ligt daarachter bijna automatisch een belanghebbend geloofsartikel. Niet de staat van de Nederlandse economie zelf, maar de wens van een economische school is de bron van een flexibiliseringswil die zich moeiteloos aanpast aan de meest tegenstrijdige omstandigheden – en dus bewijsmateriaal.

Een dogma blijft door de geschiedenis heen altijd gelijk: net zozeer als voor de godsdienst geldt dat voor de menswetenschappen, en zeer in het bijzonder de economie. Wie oude kranten naleest, ziet ze vanzelf opduiken als de constanten door de wisselende omstandigheden heen. Ze zijn eminent recyclebaar, zoals kranten zelf dat op emblematische wijze zijn. De oude, stofvergarende stapels die dat proces vertragen brengen dat even onverhoeds aan het licht als de analytischer waarheid die daaruit opduikt. Die vertraging van het proces van oordelen en meningen is de lakmoesproef van het maatschappelijke debat. Wat standhoudt, tekent zich alleen af in wat langzaamaan verkruimelt en vervalt: de pers van jaren her, geduldig wachtend in de hoeken van mijn kamer.