Namaak

Nabeelden van oude meesters, Arti et Amicitiae Amsterdam, tot en met 18 mei.
‘Het fysieke element dat alle kunsten bezitten, kan niet langer op de oude manier gezien en behandeld worden; het kan zich niet langer aan de invloeden van de moderne wetenschap en de moderne praktijk onttrekken. Noch de materie, noch de ruimte, noch de tijd zijn de laatste twintig jaar wat ze van oudsher zijn geweest.

Men moet erop voorbereid zijn, dat op deze manier grote vernieuwingen de hele techniek van de kunsten zullen veranderen, dat ze zo de inventie zelf beïnvloeden en ten slotte misschien zelfs het begrip kunst zelf op de meest fabelachtige wijze zullen veranderen.’ Qua profetie slaat dit citaat van Paul Valéry Marx’ voorspelling over de concentratie van de produktiemiddelen en Jules Vernes Reis naar de maan met stukken.
Bijna een eeuw geleden geschreven, legt het de vinger op een zere plek die door vele Europeanen in deze eeuw werd gevoeld. Zonder nou te willen beweren dat Valéry de verspreiding van kunstwerken via Internet heeft voorspeld, passen zijn overwegingen in een gestage beweging naar een uiteindelijke alomtegenwoordigheid van kunst via reprodukties van een technisch zo hoogwaardig gehalte dat het origineel er hoe langer hoe minder toe doet. Voor de studie naar oude meesters moesten kunstenaars in de achttiende eeuw nog verzoeken indienen bij particuliere schilderijenbezitters. Na 1800 werden overal musea ingericht, mede met het doel kunstenaars volwaardige studiemogelijkheden te bieden. Ook werden van beroemde schilderijen litho’s vervaardigd. Die hadden het nadeel dat ze geen kleur hadden, niet de originele lijnvoering bezaten en spiegelverkeerd waren, maar ze maakten van veel kunstwerken iconen van de cultuur.
Fotografie zou worden ingezet om kunstwerken te vermenigvuldigen, zonder in eerste instantie afbreuk te doen aan de uniciteit van het origineel, maar met een groeiend waarheidsgehalte, zo sterk dat uiteindelijk de reproduktie de plaats is gaan innemen van het origineel. Het vernietigende effect was al lang geleden voorzien, zo niet door Valéry, dan toch door Walter Benjamin in Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit (1936).
Is een reproduktie van een kunstwerk geen nieuw kunstwerk? Deze vraag borrelt meermalen op bij bezoek aan de tentoonstelling Nabeelden van de oude meesters in Arti et Amicitiae. Franck Gribling stelde een overzicht samen van in Nederland werkzame kunstenaars die zich de afgelopen twintig jaar hebben beziggehouden met het op een of andere manier verwerken van de schilders van voor 1800. Rob Scholtes Utopia is een vreemde eend in de bijt, want de gestrekte damesfiguur gaat terug op de Olympia van Manet en dat is geen oude meester, maar een (vroeg)moderne. Bovendien is het schilderij niet naar Manets werk gemaakt, maar naar een verwerking daarvan, Paul Spooners mechanische pop in het Cabaret Mechanical Theatre in Londen, of eigenlijk naar een foto daarvan. Aan de andere kant nam Manet Titiaans Venus van Urbino als uitgangspunt. Het klinkt natuurlijk absurd om te zeggen dat Utopia naar de Venus van Urbino is geschilderd; het is een op zichzelf staand kunstwerk, net als het schilderij dat Scholte maakte van de krantenpagina waarop de genoemde kunstwerken stonden afgebeeld.
Deze overwegingen liggen aan de basis van het werk van Peter Sansom op deze expositie. Volgens het principe dat een foto van een installatie of performance een nieuw kunstwerk oplevert, schilderde en tekende hij reprodukties na van details van schilderijen van Vermeer. ‘Er kan een punt bereikt worden waar de foto ons niet langer terugleidt naar een origineel moment of een oorspronkelijke ervaring, maar in plaats daarvan zelf een onafhankelijk object wordt dat op zijn beurt het onderwerp van reproduktie kan worden.’