© ANP / KINA / Domin Dalessi

Stel je eens voor dat je een zoetwatermossel bent. Je woont op de bodem van een rivier, samen met een hele hoop anderen. Met byssusdraden heb je je gehecht aan de grond. Je bent dan misschien weinig mobiel, maar wel in staat je byssusdraden te pakken en met je voet het terrein af te tasten naar een betere plek – al zal het niet ver zijn. Je leeft in een zogenaamd ‘menselijke’ omgeving terwijl je het liefst alle contact met mensen mijdt, maar een echt wild dier ben je ook niet. Hoe ziet jouw wereld eruit? Wat zijn jouw belangen?

Waarschijnlijk heb je als mens nooit eerder nagedacht over hoe het is om een mossel te zijn. Toch kunnen we ons er een voorstelling van proberen te maken. Wanneer we ons verplaatsen in iets of iemand anders kan er een betrokkenheid ontstaan; we gaan ons bekommeren om het welzijn van de ander, of die ‘ander’ nou bestaat uit vlees en bloed of schelp en kieuw. Verbeeldingskracht is een eigenschap die ons mens maakt en kan ons dichterbij andere vormen van leven brengen. Ook geeft verbeeldingskracht ons de mogelijkheid nieuwe dingen te scheppen zoals kunstenaars en ontwerpers dat doen; er wordt wel gezegd dat alles twee keer wordt gemaakt – eerst in onze verbeelding, dan in de werkelijkheid. Tevens kunnen we dankzij onze verbeelding reflecteren, bijvoorbeeld op de manier waarop wij als mens met de natuurlijke wereld omgaan (of zouden moeten omgaan). En gezien de ecologische crisis en het veranderende klimaat is het cruciaal dat we ons afvragen wat eigenlijk de behoeften en belangen van die ‘ander’ zijn. Dit essay is daarom een pleidooi voor kunst en verbeelding in het licht van klimaatverandering. En een uitnodiging in een andere schulp te kruipen.

Het domein van de kunsten bestaat bij gratie van verbeelding. De kunsten begeven zich ogenschijnlijk buiten de wetten en regels van de ‘echte’ wereld, maar hebben intussen een grote invloed op onze beeldvorming en datgene wat we beschouwen en bespreken. Of het nu om poëzie, theater, beeldende kunst of muziek gaat: de kunsten hebben het vermogen ons te raken in ons gevoel, terwijl grafieken en cijfers vaak enkel ons verstand bereiken. De Climate Clock, een gigantisch kunstwerk van Gal Golan en Andrew Boyd uit 2020, laat op Times Square in New York twee getallen zien: enerzijds in het rood verbeeldt het de jaren, dagen, uren en minuten die we nog hebben tot de 1,5 graad opwarming is bereikt. Anderzijds, in het groen, hoeveel procent van alle energie op dit moment uit hernieuwbare energiebronnen komt. Het kunstwerk herinnert iedereen in de publieke ruimte eraan hoeveel tijd we nog hebben om onze uitstoot terug te brengen naar nul. Vergeleken met een ingewikkeld wetenschappelijk artikel over de opwarming van de aarde laat dit kunstwerk in een oogopslag zien: dit is urgent.

De kracht van beelden is niet te onderschatten. De kunsten hebben het vermogen ons te helpen reflecteren op ingewikkelde kwesties als klimaatverandering of de relatie tussen ons mensen en de natuurlijke wereld. Kwesties die soms te gecompliceerd zijn om helemaal te bevatten of te doorbreken.

Verbeelding kan omschreven worden als de capaciteit om onze huidige plaats, tijd, en omstandigheden te ontstijgen. Het menselijke vermogen om verhalen te vertellen, te fantaseren en ons daarin in te leven zorgt ervoor dat we sociale betrokkenheid en empathie kunnen voelen. Het mooie hieraan is dat zo’n denkbeeldige situatie niet per se realistisch hoeft te zijn om ons te raken. Het gebeurt bijvoorbeeld ook wanneer we ons laten meevoeren door een kunstwerk of onszelf een gedachte-experiment voorschotelen zoals dat van de mossel. Weekdieren kunnen zelden op veel aandacht van mensen rekenen: ze zijn niet aaibaar of aandoenlijk. Maar ze vervullen wel een essentiële rol in het gezond houden van ecosystemen, net als vele andere soorten. Mosselen filteren het het water waardoor het gezuiverd wordt voor alle medebewoners van de rivier. Eenmaal overleden bieden zelfs hun schelpen nog onderdak aan andere soorten. En nu zoetwatermosselen in Europa en de Verenigde Staten massaal sterven, maar niemand precies weet waarom, zou betrokkenheid van onze kant al helemaal op zijn plek zijn.

Met de mossel wordt ook het leven van miljoenen andere soorten bedreigd. Zo stelt het kunstwerk F/EEL de positie van de paling aan de kaak. Dit werk werd in 2020 gemaakt door de Taiwanese kunstenaars Sheng-Wen Lo en Yi-Fei Chen in opdracht van De Ambassade van de Noordzee, een Nederlandse organisatie die de Noordzee zélf als volwaardige politieke speler probeert te representeren. Het kunstwerk, een interactieve ruimtelijke installatie, liet bezoekers ervaren hoe het is om een paling in de Amsterdamse wateren te zijn. Het publiek werd met veiligheidsbril en beschermende kleding individueel een container ingestuurd, waar het vervolgens in het donker een parcours vol obstakels moest afleggen dat niet ontworpen was voor mensen. Net zoals de reis die de paling moet maken: de bedreigde diersoort legt zijn weg af door vervuild water, langs sluizen, dammen en gemalen, naar de Sargassozee zo’n 5000 kilometer van hier. Deze vertaling van een palingwereld naar een menselijke ervaring nodigt uit na te denken over ons mensgerichte handelen en stimuleert een tijdelijke perspectiefwisseling. De volgende keer denken we misschien wel twee keer na over het ontwerp van een sluis, of het bestellen van een broodje paling.

De kunsten hebben een unieke positie: ze bevinden zich in de zogenaamde ‘vrije ruimte’ waar ze grotendeels los staan van regels, wetten, restricties, praktische obstakels, gewoonten en verwachtingen. Vanuit de kunsten bezien heeft verbeelding ook nog diepere lagen. Het kent een meer abstracte betekenis gericht op zintuigen, emoties en ervaringen. Kunst heeft daardoor het vermogen de wereld, en vooral onze gevoelens in reactie daarop, opnieuw te vormen of aan te passen. De kunstenaar vertaalt de eigen verbeelding in iets zintuiglijks en dankzij het kunstwerk kan ook de waarnemer datgene wat verbeeld is zien, horen, voelen, proeven of ruiken. In kunstwerken verscholen liggen alle mogelijke associaties. Het kan dus voorkomen dat je een tentoonstelling bezoekt en thuiskomt met sympathie voor de paling.

Kunst kan zowel de schoonheid van bijvoorbeeld biodiversiteit als de ernst van het verlies daarvan uitdrukken. Ze kan op allerlei manieren reflectie, verwondering, waardering of afschuw teweegbrengen. Kunst kan ook aanzetten tot ethische overdenkingen. In dat geval heeft kunst, wat eigenlijk ontstaat in de ‘moreelloze’ vrije ruimte, het vermogen aan te zetten tot morele reflectie. Waarom is het eigenlijk van belang om de paling te behouden? Of de zoetwatermossel? En stel, we spannen ons daarvoor in, doen we dat dan omdat een gezond ecosysteem in het belang is van een toekomstige generatie mensen? Of omdat we inzien dat de paling intrinsieke waarde heeft en we dat hoe dan ook te respecteren en beschermen hebben?

De algemene opvatting, of beter gezegd misvatting, dat de mens bovenaan de piramide van al het leven staat en de natuurlijke omgeving naar eigen hand kan zetten, is dominant. Maar ook een illusie. Nu de wereld overhoop ligt door een virus, de ijskappen smelten door te veel CO2 in de atmosfeer en de bestuiving van gewassen in gevaar komt door het uitsterven van insecten, wordt de onlosmakelijke verbondenheid van alle vormen van leven op aarde weer eens benadrukt. Of zoals filosoof Alain Badiou terecht stelt: ‘To exist, is to be an element of.’ Maar omgeven door bakstenen is het vaak moeilijk ons onderdeel te voelen van de natuurlijke wereld of de aarde als geheel.

De verregaande invloed van de mens op deze aarde maakt dat er zelfs over een nieuw geologisch tijdperk wordt gesproken: het Antropoceen. Dit ‘tijdperk van de mens’ zorgt er onder andere voor dat de superieure positie die de mens zichzelf heeft aangemeten in twijfel wordt getrokken. De mens bedreigt met deze positie immers ook het voortbestaan van de eigen soort. Overal op aarde is het menselijk handelen zichtbaar, zelfs in de aardlagen. Dit doet beseffen dat het denkbeeldige onderscheid tussen cultuur en natuur, tussen mensen en niet-mensen, een valse realiteit is. We komen erachter dat het benutten van de natuur en haar grondstoffen zijn tol eist, maar vooral dat ons eigen bestaan afhangt van de gezondheid van de aarde als geheel. Al het niet-menselijke leven en levenloze dat de aarde rijk is, zoals bomen, rivieren, bergen of vissen, wordt in het Westen bijna enkel gewaardeerd voor haar ‘gebruikswaarde’. Het is een raadsel waarom we het bewustzijn zijn verloren dat we bestaan dankzij zuurstof, microben, planten of water.

Het denken in cultuur versus natuur is een van de oorzaken van klimaatverandering en de ecologische crisis. Tegelijkertijd is het óók de reden waarom veel mensen deze crisis niet kunnen erkennen of bevatten. Zolang we de natuurlijke wereld als achtergrond voor ons menselijk handelen beschouwen, zullen we de dieper liggende oorzaak van het probleem niet kunnen inzien. Klimaatverandering behoeft uiteindelijk een verschuiving in onze waarden.
Maar voordat er een verschuiving in waarden kan plaatsvinden moet het voorstelbaar worden gemaakt. Hoe zou bijvoorbeeld de geschiedenis worden verteld vanuit het perspectief van niet-mensen? De Finse kunstenares Terike Haapoja en schrijfster Laura Gustafsson maakten hierover verschillende tentoonstellingen onder de naam The Museum of Nonhumanity, waarin een collectie niet-menselijke verhalen centraal staan die evengoed vormend zijn geweest voor de historie van de wereld. Hoe zouden koeien en varkens vertellen over het verloop van de geschiedenis? Sinds het prille begin van de landbouw is vee immers aanwezig geweest in de samenleving, waarna het altijd is beschouwd als menselijk bezit. In een poging zich te verplaatsen in het perspectief van ‘de uitgeslotenen van de geschiedenis’ proberen Haapoja en Gustafsson een reflectie te bieden op de reductie van levende wezens tot ‘dingen’, tot consumptiegoederen, tot eigendom.

In het invloedrijke essay Should Trees Have Standing? uit 1972 doet Christopher Stone, toen een piepjonge professor in de rechten, een nog verregaander voorstel. Hierin pleit hij niet alleen voor de erkenning van de inherente waarde van natuur, maar ook voor de uitbreiding van rechtspersoonlijkheid naar natuurlijke entiteiten als bomen. Hij beargumenteert dat zolang een wezen of entiteit geen inherente waarde wordt toegedicht – met andere woorden, zolang we iets of iemand beschouwen als object – datgeen enkel gebruikswaarde voor ons zal hebben. Toegegeven, het is voor veel mensen ondenkbaar om een kip, insect of boom dezelfde rechten te geven als een mens. Het idee dat een gelijk misdrijf zou worden begaan met vervuilen van een rivier als het vergiftigen van een mens druist hard tegen ons gevoel en verstand in. Maar de geschiedenis leert ons dat soortgelijke waardeverschuivingen wél kunnen plaatsvinden. De erkenning van de vrouw als gelijke aan de man leidde bijvoorbeeld tot de invoering van het vrouwenkiesrecht.

En het gebeurt al. De film Forest Law (2014) van kunstenares Ursula Biemann laat bijvoorbeeld zien hoe in de grondwet van Ecuador de rechten van de natuur zijn opgenomen dankzij jarenlange inzet van inheemse volken van het Amazoneregenwoud, ter bescherming van verdere ontbossing, vervuiling en exploitatie. De film neemt de kijker mee het woud in, waar het gedachtegoed en de leefwereld van deze mensen beeldend invoelbaar wordt gemaakt. Voor de inheemse bevolking heeft het regenwoud een diepe spirituele betekenis, terwijl de uitbuiter hetzelfde gebied enkel als grondstof ziet. Zo schept de film de mogelijkheid voor de toeschouwer om zich te verplaatsen in een andere belevingswereld en een dergelijke waardeverschuiving te onderzoeken.

Kunst kan iets dus waardig maken voor overweging door datgene aan het landschap van wat zichtbaar is toe te voegen. In feite gaat het om inclusie en exclusie in de samenleving: wie of wat representeren we, en wie of wat niet? En waarom? Kunstenaars kunnen laten zien, voelen en ervaren wat waarde heeft; zij verbeelden en bevragen de wereld om ons heen. Hoe zou de wereld eruit kunnen zien? Wat brengt een andere verhouding tussen mens en ‘natuur’ ons? Hoe zou een niet-mensgericht wereldbeeld kunnen werken? Zo kan kunst een rol spelen in het aanzetten tot morele reflectie op het heden, het verleden en bovenal de toekomst. Door gewoonten, relaties en principes bloot te leggen, en door speculatieve realiteiten, toekomstscenario’s en mogelijkheden te verbeelden. Maar ook door simpelweg onzichtbare (bestaande) verbindingen tussen mensen en de natuurlijke wereld zichtbaar te maken.

Misschien lijkt het invoelen in een zoetwatermossel ver van een oplossing voor klimaatverandering. Toch hebben ze een directe verbondenheid: zolang we geen betrokkenheid voelen bij de mossel of bij andere levende en zelfs niet-levende wezens zullen we in ons denken en handelen nooit echt rekening met ze houden. Zo is het een oefening om eens niet van ons eigen – menselijke – belang uit te gaan. Daarbij zijn de structuren in onze samenleving ingericht op basis van de dingen die we belangrijk vinden. Pas wanneer de inherente waarde van andere dieren, planten en dingen inherent aan ons eigen denken en handelen wordt, zullen we tot een ecologische balans komen en kunnen we structuren in de samenleving veranderen. De kunsten bieden ons hierin de verbeelding en de ethische reflectie die we nodig hebben om zulke stappen te zetten. De poging van kunstenaars om dit alles waarneembaar en invoelbaar te maken, onthult ook de vele dingen die we niet weten: wij mensen kunnen simpelweg niet ervaren hoe de wereld eruit ziet vanuit twee schelpen. Want, als we het wél zouden weten, zouden we dan bezwaar maken namens de mossel?

Julia Kantelberg is assistent-curator bij het Rijksmuseum en specialiseerde zich in haar onderzoeksmaster op hedendaagse kunst en milieu-ethiek. Afgelopen jaar was ze onderdeel van de ‘Klimaatambassadeurs van de Toekomst’, een groep jongeren die onder leiding van toenmalig Klimaatgezant Marcel Beukeboom ieder op eigen wijze het klimaatverhaal uitdragen