24 augustus 1926 – 18 oktober 2009

Nancy Spero

Ze was breekbaar, en boos. Nancy Spero werd met haar tegendraadse, politiek geëngageerde ‘peinture feminine’ een voorbeeld voor jongere feministische en politiek geïnspireerde kunstenaars.

IN 1971 PUBLICEERDE het tijdschrift ArtNews een essay waarvan alleen de titel al aanzette tot revolutie, al was het slechts een revolutie binnen het domein van de beeldende kunst. ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ was de vraag die kunstcritica Linda Nochlin brutaal boven haar stuk plaatste. Die vraag was al een statement. Nochlin droeg een waslijst van redenen aan waarom ‘grootheid’ in de kunst gereserveerd is voor mannelijke ‘genieën’. De maatschappelijke verwachtingen waren er niet naar dat vrouwen een serieuze gooi deden naar het kunstenaarschap. Ze werden op veel kunstacademies niet toegelaten. Kort gezegd sloot ‘de hele romantische, elitaire, het individu glorificerende en monografieën producerende structuur waarop de kunstgeschiedenis is gebaseerd’ vrouwelijke kunstenaars systematisch uit.

Toen in 1979 The Obstacle Race: The Fortune of Women Painters and Their Work van Germaine Greer verscheen had de revolutie een deel van haar werk gedaan. Greer wees er opnieuw op dat het kunstenaarschap voor vrouwen een wedren met hindernissen was, maar ze kon ook gebruik maken van de stapel boeken en essays die sinds 1971 waren geschreven en heel wat kunstenaressen hun plaats in de kunstgeschiedenis teruggeven. In de acht jaar na het betoog van Nochlin zagen liefst vijf algemene geschiedenissen van vrouwen in de kunst het licht. Er werden tijdschriften opgericht als Women & Art, Chrysallis en Heresies, stapels artikelen over het thema geschreven en tentoonstellingscatalogi, monografieën en dissertaties gepubliceerd.
Na 1971 protesteerden kunstenaressen tegen het feit dat in de collecties van de vooraanstaande musea van moderne kunst slechts een paar procent van vrouwen was – protesten die in de jaren tachtig werden herhaald door de Guerilla Girls. Een van de kunstenaressen die in die jaren in de frontlinies liep was de vorige week overleden Nancy Spero. Ze was een van de oprichtsters van Women Artists in Revolution (WAR), een afsplitsing van de door mannen gedomineerde Art Workers Coalition. Met Joyce Kozloff knutselde ze The Rip-Off in elkaar, een nieuwsbrief vol horrorervaringen van vrouwen in de kunstwereld. En samen met een zestal andere kunstenaressen zette ze, als collectief, in New York de AIR Gallery op, de eerste vrouwengalerie van de Verenigde Staten. Ze onderwierpen het werk van meer dan zeshonderd kunstenaressen aan een kritische blik en kozen de beste. En het had succes. De tentoonstellingen in de vrouwengalerie trokken de aandacht van de serieuze pers en de kunstwereld. Naar verluidt zei een mannelijke bezoeker bij de opening tegen een van de oprichtsters: ‘Okay, you did it; you found twenty good women artists, but that’s about it.’

‘That’s about it’ – daar was geen sprake van. Veel van de kunstenaressen die in de jaren zeventig de tempel bestormden, veroverden hun plaats in de kunstwereld. Zo ook Nancy Spero. Werd haar werk aanvankelijk genegeerd, vanaf de jaren tachtig won haar tegendraadse, politiek geëngageerde ‘peinture feminine’ aan bekendheid, vooral ook omdat jongere feministische en politiek geïnspireerde kunstenaars haar als een voorloper begonnen te zien. Sindsdien geldt Spero als een van de belangrijkste kunstenaars van haar generatie. Ze had solotentoonstellingen in het MoMa in New York (1992) en het MoCa in Los Angeles (1988). Haar werk was in 1997 te zien op de Documenta X in Kassel en in 2007 op de Biënnale van Venetië.
Nancy Spero werd in 1926 geboren in Cleveland, Ohio in een seculier joods gezin, dat al snel naar Chicago verhuisde. Daar studeerde ze aan de kunstacademie en ontmoette ze haar man, de schilder Leon Golub. Het stel verhuisde in 1959 naar Parijs, waar Spero zich onderdompelde in het existentialisme. Ze maakte daar de Paris Black Paintings, olieverfschilderijen in sombere tinten vol erotiek, geweld, hoeren en moederfiguren.
In 1964 gingen ze terug naar New York, waar Spero voor het eerst echt werd geconfronteerd met de oorlog in Vietnam, waarvan ze de gruwelijke beelden tussen de soaps en reclame door op haar gloednieuwe tv zag. Het zou haar kunstenaarschap voorgoed veranderen. Ze zwoer de olieverf af en begon snel te werken, op kwetsbaar rijstpapier, waarop ze symbolen van de vernietiging – bommen, helikopters, oorlogsvliegtuigen – liet vliegen boven de slachtoffers. In de War Series, die ze tussen 1966 en 1970 vervaardigde, legde ze al snel het verband tussen mannelijkheid, seks en destructiedrang. Fallussen veranderden in kronkelende, giftige slangen; vuur en rook door bommen leken spermafonteinen. Naar eigen zeggen wilde ze shockeren, en de relatie tussen seks en macht was explosief.

Vanaf dat moment zwoer Spero de ‘macho-schilderkunst’ af en bleef op papier werken, juist omdat het efemeer is en makkelijk kapotgemaakt kan worden. ‘Ik wil niet dat mijn werk zo permanent, zo belangrijk is’, zei ze ooit. ‘There, you guys can splat on your big canvases, but I’m over here doing the fragile thing – with bite.’
Fragiel, dat was Nancy Spero in alle opzichten. Ze was een breekbare verschijning met een zwakke gezondheid. En fragiel was haar werk, ook in esthetisch opzicht. Vanaf de jaren zeventig ontwikkelde ze een alfabet van hiërogliefen dat ze steeds weer inzette: vooral idiomatische vrouwenfiguren, geënt op aloude beelden, van Egyptische godinnen tot de Griekse Artemis, van Maori-figuren tot Sheela-na-gig, de Keltische vruchtbaarheidsgodin die met beide handen haar vagina opentrekt. De figuren dansen en dwarrelen over het papier, met een lichtheid en speelsheid die je doet vergeten dat Spero altijd gedreven werd door boosheid over het onrecht in de wereld. De kop boven een van de laatste interviews met haar luidt: ‘Still angry in 80s’.

Vorig jaar verscheen Codex Spiro: Nancy Spero – Selected Writings and Interviews 1950-2008, onder redactie van Roel Arkesteijn, Roma Publications