Nanda van der zee veegt de stoep goed schoon

De ongekend felle reacties op het boek van historica Nanda van der Zee, Om erger te voorkomen: De voorbereiding en uitvoering van de vernietiging van het Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, geven aan dat Nederland ook in het tweeënvijftigste herdenkingsjaar nog steeds niet toe is aan een kritisch onderzoek naar de eigen houding inzake de shoa. Wie alleen de paginagrote recensies van Van der Zees boek in de dagbladen tot zich neemt, zou denken dat het hier een ijdel doch geheel van historische relevantie verstoken publiciteitsstuntje betreft, waarmee de auteur een gooi wilde doen naar een plaats in het Guinness Book of Records vanwege het aan elkaar rijgen van zo veel mogelijk geschiedkundige onjuistheden.

Van der Zees boek werd door zowel NRC Handelsblad, Volkskrant als Telegraaf neergesabeld als een jammerlijk mislukte Daniel Goldhagen-kloon. Gerept wordt van ‘dwaze insinuaties’ (NRC Handelsblad) en 'onwetenschappelijke filippica’ (directeur Blom van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie). Blijkens een rectificerend rondschrijven van prof. dr. C. Fasseur staat deze Leidse historicus niet achter de uitspraak dat Van der Zee zich in haar boek laat leiden door de echo van de nazi-propaganda van Seyss-Inquart, iets wat De Telegraaf hem in de mond had gelegd. Maar voor de rest wil ook deze aanstaande Wilhelmina-biograaf niets weten van de frontale aanval die Van der Zee op de Nederlandse elites voor, tijdens en na de bezetting heeft gepleegd.
Het animo om gehakt te maken van Om erger te voorkomen is werkelijk verpletterend. Er is een ware mediamarathon aan de gang van critici die stellen dat Van der Zees bevindingen (a) niets nieuws onder de zon bieden en (b) historisch onjuist zijn.
De aard van de reacties komt nauwelijks als een verrassing. De actuele geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden leert dat er werkelijk geen volk op aarde is dat zo enthousiast een priemend-analytische blik op verrichtingen over de grens paart aan een totaal onvermogen om met dezelfde intensiteit de eigen stoep te vegen. Nanda van der Zee hangt de vuile was buiten met haar somber stemmende verslag over alle vormen van collaboratie die de Nederlanders hebben beoefend, het daarmee mogelijk makend dat het percentage vermoorde joden nergens zo hoog opliep als hier.
Natuurlijk, de bijzonderheden die Van der Zee geeft zijn niet alle 'nieuw’, maar naast elkaar gerangschikt leveren ze een beeld op dat niet minder dan onthutsend te noemen is. Anders dan de kritiek doet vermoeden, hoeft de Nederlandse geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog ook helemaal niet te zoeken naar 'nieuws’. Het is eerder de kunst om eindelijk eens zonder hypocrisie terug te kijken.
In 1965 schreef Han Lammers in De Gids een baanbrekend artikel over de houding van de Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. 'Tot in het zoveelste geslacht’ heette het stuk waarmee de toenmalige Groene-redacteur afrekende met de zelfgenoegzame weigerachtigheid van de Nederlander om het eigen falen cq de eigen schuld inzake de holocaust onder ogen te kunnen zien. Natuurlijk, Jacques Presser publiceerde zijn Ondergang, Abel Herzberg kwam met zijn Kroniek der jodenvervolging, en in die boeken werd de collaboratiegraad al aangestipt - maar niemand dorst een studie aan waarin die Nederlandse participatie in de fascistische heerschappij systematisch en over de volle maatschappelijke breedte werd beschreven. Door en masse bomen te planten in het Heilige land en de jonge staat Israel waar mogelijk van wapens te voorzien, werkte Nederland direct na de oorlog hard aan het imago van grote vriend van het joodse volk. Wat daarvoor was geschied, telde niet meer mee. De wandaden van de Nederlandse politie, de Nederlandse Unie, de grote populariteit van het fascistische gedachtengoed bij de Nederlandse elites (inclusief de hofhouding), het antisemitisme in brede lagen van de bevolking - het diende allemaal zo snel mogelijk vergeten en dus vooral niet opgeschreven.
'Het is van ons gezegd dat wij, toen de oorlog begon, een weerloos, niet-begrijpend, kinderlijk-onschuldig volk waren’, schreef Han Lammers. 'Ik geloof er niets van. We hadden ons uiterst bekwaam in het vage weten op te houden, we wisten precies waar in de buitenlandse politiek de klippen moesten worden omzeild; met bewust voorbijzien aan de eisen van menselijkheid stuurden we de joden die bij ons bescherming zochten, van onze grenzen weg. (…) Misschien is de generatie die alles in de meest letterlijke zin heeft meegemaakt, niet de aangewezene om het zelfonderzoek te verrichten. Maar dan zullen toch in ieder geval de volgenden, die nog genoeg wortels hebben in het oorlogsverleden van dit land, het schip moeten schoonboenen. Ik heb alleen het gevoel, dat de overgrote meerderheid daar geen zin in heeft. Wie hoort van een systematisch onderzoek naar de geschiedenis, het mechanisme van het falen? Wie schrijft de geschiedenis van de collaborerende pers, ambtenaren, politie, rechters, kunstenaars, secretarissen-generaal? Wie onderzoekt hoe het kwam dat ze handelden zoals ze hebben gedaan?’
Lammers’ oproep werd uiteindelijk door Van der Zee, bewonderaarster van Jacques Presser, gehoord. Zij besloot tot een eigen onderzoek, omdat 'leunen op voorgaande verklaringen en onderzoeken eerder remmend dan bevruchtend zou werken’. Het resultaat is een boek dat zeer resoluut breekt met de traditie van vaderlandse historici om het eigen blazoen schoon te praten en kwade zaken onbesproken te laten of tussen zoveel nuances en voetnoten te plaatsen dat er van een eventueel morele lading weinig meer overblijft.
Van der Zee krijgt nu het verwijt dat ze niet genuanceerd genoeg heeft gewerkt, en dat in haar werk de schrille toon van de verontwaardiging overheerst. Maar juist de oprechte verbijstering en woede die in alle ruim 250 bladzijden van Om erger te voorkomen doorklinken, maken dat dit boek nu al een geheel eigen plaats heeft in de geschiedschrijving van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is verbazingwekkend genoeg de eerste keer dat een dergelijk boek is geschreven en gepubliceerd.