Napels aan de Schelde

In een Brussels restaurant liet ik eens achteloos vallen dat ik België meer op Italië vond lijken dan op Frankrijk of Nederland. Daarop veerde een Vlaming naast mij overeind.

Hij keek me fonkelend, gelukzalig aan, zeker zes seconden lang. Dat hij me nog net niet ging tongzoenen kwam alleen doordat we onze monden vol garnalenkroket hadden. België lijkt meer op Italië dan op zijn buurlanden! Dat was exact wat hij altijd had gevonden en hij had er zelfs een boek over geschreven, en wel het boek Mijn Italië van Luc Devoldere.

Telkens als ik in België ergens een zuil, fonteinrijk plein of een met krulvoluten getooide gevel zie, denk ik weer even aan dat moment. Laatst had ik het zelfs bij een boek, van een Italiaan. Daar zit een kronkelige voorgeschiedenis aan vast die ook bij een Vlaming begint, Tom Lanoye.

Tom Lanoye hield onlangs in de schouwburg van mijn geboortestad een vurig pleidooi om meer theaterteksten te lézen: Shakespeare, Vondel, maar ook hun hedendaagse collega’s als Quentin Tarantino.

Zonder het te weten had ik dit advies van Lanoye in Leiden al opgevolgd. Ik wilde de film Youth van Paolo Sorrentino gaan zien, maar die draaide nog niet in Nederland. Wel al in België trouwens, daar had je het al. Wij Hollanders moesten ons maar behelpen met de wel reeds beschikbare ‘verboeking’, die feitelijk neerkomt op een integrale uitgave van het script, in de typografie van lopend proza gegoten. Met Jeugd las ik dus voor het eerst een script voordat ik de bijbehorende film heb kunnen zien. Ik denk dat Lanoye gelijk heeft. Geschreven dialogen dringen beter tot je door. Sommige heb ik al meer dan vijftien keer gelezen, ook om erachter te komen wat nu precies hun kracht is.

Neem deze. ‘Werkt u voor de koningin?’ ‘Daar komt het wel op neer.’ ‘Mooi. Ik heb altijd een beetje te doen met monarchieën. Er hoeft maar één persoon weg te vallen, en opeens verandert de wereld. Net als in huwelijken.’

Of deze, tussen de twee hoofdpersonen, de componist en de filmmaker, tijdens een wandeling door de Alpen: ‘Ik las op Wikipedia dat je als jongen een tijdje bent omgegaan met Strawinsky.’ ‘Klopt.’ ‘Wat voor type was Strawinsky?’ ‘Een heel kalme man. Hij zei een keer: “Intellectuelen hebben geen smaak.” Vanaf die dag heb ik er alles aan gedaan om geen intellectueel te worden.’

Dit is de razernij van Céline met het coloriet van Veronesi

Het is mild absurdisme, gemixt met ernst, exact in de juiste verhoudingen. Die talige kant van Sorrentino zou op het doek best eens overvleugeld kunnen raken door alle visuele strelingen – Youth schijnt namelijk voort te gaan op de weg die Sorrentino met La grande bellezza insloeg.

Maar het belangrijkste gebeurde na het lezen van dit script. Toen pas ben ik Sorrentino’s roman gaan lezen, Iedereen heeft gelijk, uit 2010. Dit is een krankzinnig goed boek. Dit is de razernij van Céline met het coloriet van Veronesi. Dit is een feest, waanzin, leven. Ik laat een flard proeven, in de vertaling door Etta Maris, die ook weergaloos werk leverde door zulke muzikale zinnen naar ons moerastaaltje over te brengen:

‘Het is de ischias, die tweederangs sloerie. En dan komen, gewapend met onbetaalde facturen, legers gespierde osteopaten en fysiotherapeuten blakend van vitaliteit als doedelzakspelers de bergen af lopen. De nieuwe tovenaars. Ze vertellen een heleboel dingen en niemand, zelfs niet de Eeuwige Vader, weet of ze eerlijk zijn. Maar je kunt niet anders dan geloven, om te blijven hopen. Want je moet verder, omringd door een tonijnennet van kwaaltjes.’

Het ritme, de rijkdom, de exuberantie die toch in bedwang wordt gehouden door de meesterhand… Ik wilde Sorrentino tongzoenen. En tegelijkertijd ben ik hem gaan haten, echt intens gaan haten. Want dat doe ik met schrijvers wanneer ze echt overrompelend goed zijn. Dat is geen jaloezie. Het gaat veel dieper dan jaloezie. Dit boek komt zo dicht bij mijn ideale ooit te schrijven Gedroomde Boek in de buurt dat het me moedeloos kan maken en verlammen. Dat ik bij al die geweldige passages ook de aandrang moet onderdrukken het tegen de muur te slingeren, het daar tot op de bindtouwtjes te versnipperen, te verscheuren, eroverheen te pissen.

Afijn.

Waarom ik erbij aan Luc Devoldere moest denken, is omdat de vertelstem in dit verschrikkelijke boek voor mij absoluut Vlaams is. Ik hoor een mengeling van Lanoye, Mortier, Verhulst, Brusselmans… en eenmaal op dat spoor zie ik tal van overeenkomsten tussen Italiaanse en Vlaamse auteurs. Mogelijk delen ze dat katholieke gevoel voor rijke theatraliteit, vermengd met het carnavaleske, met ook altijd nog een zweemsel mystiek.

Eind deze maand zal ik dan eindelijk Youth zien, al sluit ik niet uit dat ik niet kan wachten en er al eerder voor afreis naar het Florence aan de Leie of het Napels aan de Schelde.