Zijn misdaden zijn niet zonder meer te vergelijken met die van Hitler en Stalin, niettemin vormde Napoleon een verbindende schakel tussen de idealen van de Verlichting en de moorddadige praktijk van het twintigste-eeuwse totalitarisme.

Léon Bloy

De ziel van Napoleon

Aspekt, 126 blz., € 16,-

Steven Englund

Napoleon: A Political Life

Scribner, 575 blz., € 35,50

«Napoleon blijft onbegrijpelijk zolang je in hem niet een dichter ziet, een ongeëvenaard dichter van de daad. Zijn gedicht is heel zijn leven, en geen ander leven is daarmee te vergelijken. Hij dacht aan één stuk door als dichter en kon slechts handelen overeenkomstig zijn denken; de zichtbare wereld was voor hem louter begoocheling. Zijn verbluffende proclamaties, zijn eindeloze correspondentie, zijn visioenen op Sint-Helena, spreken boekdelen. Of hij nu het woord nam, of schreef, zijn taal hief alles naar een hoger plan.»

Zelfs een enkel citaat maakt duidelijk waarom Léon Bloy (1846-1917) «de pelgrim van het absolute» werd genoemd. In zijn kruistocht tegen de moderniteit, en vooral tegen de meest stompzinnige, egoïstische en laffe exponent daarvan, «de Burger», ontdeed deze woordvoerder van het katholieke «integralisme» zijn taal van elk voorbehoud, van alle mitsen en maren, zodat er stilistisch briljante en inhoudelijk ongenaakbare teksten overbleven.

Zo leest men ook het onlangs door zijn Nederlandse geestverwant Robert Lemm vertaalde boekje De ziel van Napoleon (1912), in weerwil van de dikwijls bizarre inhoud, in één adem uit. De stijl van Bloy werkt bedwelmend en het is niet verwonderlijk dat Borges en Kafka diep onder de indruk van hem waren. Tegelijkertijd zullen de meeste lezers Bloy’s boodschap – dat Napoleon door God werd gezonden om het revolutionaire Frankrijk te tuchtigen en te redden – als curieuze bijkomstigheid beschouwen. En zelfs als men in God meer ziet dan een metafoor is de visie van Bloy ook vrij merkwaardig. Want als er iemand is geweest die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het moderniseren van Frankrijk en de rest van de westerse wereld, als er iemand is geweest wiens heerschappij heeft bijgedragen tot de opkomst van die weerzinwekkende, slaafse «Burger», dan was dat wel Napoleon.

Ook Bloy’s geloofsgenoot en Napoleons tijdgenoot Chateaubriand zag in de kleine Corsicaan een bovennatuurlijk verschijnsel, wiens komst ruimschoots voor de staatsgreep van 1799 «in de lucht hing». De door de revolutie verarmde edelman en ambitieuze literator had zich enige tijd laten meevoeren door deze napoleontische storm, maar zag na enige tijd in welk verwoestend effect diens dictatuur had en schreef in zijn Mémoires d’outre-tombe: «Het vergrijp dat de ware Verlichtingsfilosoof Bonaparte nimmer zal vergeven, is dat hij de maatschappij heeft gewend aan het blindelings opvolgen van bevelen, dat door zijn toedoen de mensheid vervallen is tot een staat van morele verloedering, en dat er misschien wel een dermate verdorven mentaliteit is ontstaan dat er met geen mogelijkheid te zeggen valt of er ooit weer sprake zal zijn van een spontaan, genereus elan bij de mensen.»

Toch getuigt ook het Bloy-citaat van een opmerkelijk inzicht in althans één aspect van Napoleons heerschappij. Door Napoleon te zien als kunstenaar, als iemand die politiek in de eerste plaats beschouwde als een kwestie van vormgeving, plaatst hij Napoleon tegenover de gangbare, liberale opvatting waarin politiek wordt gezien als de handel in belangen. In de analyses die de laatste decennia zijn gemaakt van twintigste-eeuwse totalitaire stromingen als het fascisme en het nationaal-socialisme wordt in toenemende mate gewezen op het esthetische karakter van deze bewegingen. Tegenover het laag-bij-de-grondse gesjacher van de parlementaire democratie stelden Mussolini en Hitler het grote gebaar, het alomvattende visioen van een nieuwe maatschappij, en de opwinding van de politiek als spektakelfilm. En hierin was Napoleon hen voorgegaan, net als in het voeren van mensenverslindende oorlogen.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog was de neiging groot om Napoleon te zien als een directe voorloper van Hitler. In 1946 verschenen in Nederland twee boeken over Napoleon waaruit dit duidelijk bleek. Zowel in Pieter Geyls studie van de Napoleon-biografieën als in Jacques Pressers Napoleon-biografie was de vergelijking met Hitler en het nationaal-socialisme impliciet aanwezig. Bovendien leken beide boeken mede te zijn geschreven uit de angst dat, net als bij Napoleon, de bloed baden en dictatuur uit het collectieve geheugen zouden wegzakken, en er alleen nog een mythische Hitler zou overblijven, die vooral herinnerd zou worden als de man die de werkloosheid had opgeheven, de Autobahnen had aangelegd en zijn land weer zelfrespect had gegeven.

Deze vrees bleek ongegrond, maar is daarmee ook elke vergelijking van Napoleon met het twintigste-eeuwse totalitarisme misplaatst? De historicus N.C.F. van Sas lijkt dat (NRC Handelsblad, 18 juni) althans te suggereren. Volgens hem is de vergelijking met Hitler «obligaat» en dient men «het fenomeen Napoleon meer in zijn eigen tijd en op zijn eigen merites te beoordelen». Uiteraard geldt dat voor elk historisch fenomeen, maar dat neemt niet weg dat Napoleon wel een belangrijke rol speelde in het proces van «modernisering» van de politiek, dat uiteindelijk resulteerde in zowel de liberaal-democratische rechtsstaat als in de totalitaire dictaturen van het fascisme en het communisme.

Van Sas maakte zijn opmerking in een recensie van Steven Englunds Napoleon: A Political Life. Uit dat boek blijkt duidelijk dat Napoleon de verbindende schakel vormde tussen de Verlichting en het politieke messianisme dat in de twintigste eeuw de vorm zou aannemen van ogenschijnlijk niets met elkaar gemeen hebbende bewegingen als het extreme nationalisme en het communisme. Napoleon was een heel andere figuur dan Hitler of Stalin, die andere misdaden pleegde, maar de opkomst van de laatste twee valt niet volledig te begrijpen zonder kennis van de politieke Werdegang van de eerste.

Reeds op negenjarige leeftijd werd de op Corsica geboren Bonaparte naar een militaire school in Frankrijk gestuurd. Dat zijn vader succesvolle pogingen had gedaan om in de adelstand te worden verheven, had niet in de eerste plaats te maken met snobisme, maar was een noodzakelijke voorwaarde om in de Franse maatschappij hogerop te komen. De jonge Napoleon kon hierdoor officier worden, maar zou bij promoties altijd telgen uit oudere en voornamere geslachten moeten laten voorgaan. Als zovele jongeren uit zijn tijd was hij aangeraakt door de ideeën van de Verlichtingsfilosofen; vooral Rousseau en diens notie van de «algemene wil» maakte diepe indruk op hem. Overigens was zijn mensbeeld minder rozig dan dat van de hyperemotionele Rousseau, en uit verschillende jeugdgeschriften blijkt dat Napoleon in dit opzicht meer had opgestoken van Hobbes. Zo schreef de negentienjarige artillerieofficier dat de menselijke natuur uiteindelijk wordt gekenmerkt «door het verlangen te domineren». Bovendien bleek de in abstracto vereerde massa tijdens de Franse Revolutie geenszins te bestaan uit «nobele wilden», zodat Napoleon een enorme afkeer van geweld van onderop kreeg.

Geweld van de staat was een ander verhaal, en hoewel Napoleon als een van de weinige officieren de kant van de revolutie koos, die hem de kansen bood die hij onder het ancien régime nooit zou hebben gekregen, was het duidelijk dat het nieuwe regime krachtig en resoluut diende op te treden. Dit uiteraard ten dienste van de res publica ofwel het algemeen belang: «Het doel van de overheid is het op krachtige wijze helpen van de zwakken tegenover de sterken, het mogelijk maken dat ieder mens de zoete rust smaakt, en op weg gaat naar het geluk.» In zijn staatsopvatting namen vrijheidsrechten echter geen prominente plaats in en lag het primaat bij de raison d’état. Ook Robespierre wilde de mensheid naar het geluk loodsen, en deinsde er hierbij niet voor terug om tienduizenden naar de guillotine te sturen. Napoleon was danig onder de indruk van zoveel energie en vastberadenheid, en reageerde nogal ontdaan toen Robespierre zelf werd onthoofd, omdat hij hem «wel mocht».

Het revolutionaire Frankrijk voerde met vrijwel alle andere Europese landen oorlog, niet zozeer om de idealen van de Revolutie te exporteren, als wel uit economische en expansionistische motieven. Voor een ambitieuze officier lagen hier enorme kansen, die Napoleon dan ook met beide handen greep. In korte tijd klom hij op tot generaal en behaalde hij aanzienlijke successen. Andere generaals vergaarden ook roem en politieke invloed, maar Napoleon gold wel heel sterk als wat tegenwoordig een high potential wordt genoemd. Zo riskeerde hij bewust een nederlaag, door een bloedige veldslag aan te gaan terwijl hij dezelfde terreinwinst ook zonder confrontatie kon boeken. Zo’n zwaarbevochten overwinning telde immers veel zwaarder op zijn cv. Belangrijker was dat vrijwel iedereen onder de indruk kwam van zijn enorme intelligentie en van mening was dat hij beantwoordde aan de klassieke idealen van de «grote man», zoals totale zelfbeheersing en het vermogen zich niets van anderen aan te trekken. Hij vertrouwde slechts op zijn eigen oordeel, en wekte altijd de indruk precies te weten wat hij deed. Een medewerker vertrouwde hij echter ooit toe: «Ik voel me vaak uiterst opgewonden en opgejaagd, wat me echter niet verhindert op de mensen in mijn omgeving over te komen als bijzonder sereen. In hun ogen straal ik slechts, als een zwangere vrouw.»

Nadat hij tal van binnenlandse onlusten op hardhandige wijze de kop had ingedrukt, kreeg Napoleon het bevel over het leger dat Italië moest binnenvallen. De voorzitter van de toenmalige regering, het zogenaamde Directoire, overtuigde zijn aarzelende collega’s van de noodzaak van deze stap: «Promoveer deze man, anders zal hij zichzelf promoveren.» Uiteindelijk zou Napoleon dat ook doen, en zou hij eind 1799 een staatsgreep plegen en het zogenaamde «Consulaat» instellen. Op de dag zelf had hij overigens een typische off-day. Hij kwam onzeker over, koos de verkeerde woorden, sloeg de verkeerde toon aan, en viel voor het front van de troepen ook nog van zijn paard. De goden waren hem echter welgezind en zo kon hij Eerste Consul worden.

Sinds 1789 hadden de revolutionaire politici zich vooral druk gemaakt over de wetgevende macht. De ene partij kwam met nog radicalere voorstellen dan de andere en ondertussen waren besluiten altijd het gevolg van koehandel, intriges of terreur. Napoleon ging echter over tot wat Marx later zou noemen de Verselbständigung der Eksekutive. Hij nam de teugels strak in handen en zorgde eerst voor binnenlandse rust door het op een akkoordje met de kerk en de, veelal adellijke, ballingen te gooien. Daarna begon hij het overheidsapparaat te moderniseren. Hierbij voerde hij allerlei denkbeelden uit de Verlichting door, maar wel met de door Chateaubriand beschreven gevolgen.

Via een door zijn broer Lucien gemanipuleerd referendum werd hij al spoedig benoemd tot «Consul voor het leven», een logische stap op weg naar het uitroepen van het Keizerrijk in 1804. Na vijftien jaar leek Frankrijk weer terug bij af en was het land opnieuw een monarchie. Toch had het Empire van Napoleon I weinig te maken met de monarchie van de verdreven Bourbons. Het was een heel nieuw soort monarchie: met een democratische legitimatie, een stijl die was ontleend aan de toen zeer bewonderde Romeinen, liberale aspiraties, een dictatoriale organisatie en uitstraling van militaire glorie. Zijn titel gaf al het verschil aan: hij was geen «Keizer van Frankrijk» maar «Keizer der Fransen». Hij was geen monarch «bij de gratie Gods», maar «bij de gratie van het volk».

Dit had grote consequenties. Omdat hij in hun ogen een parvenu was wilden de Europese vorstenhuizen Napoleon verpletteren. Zodra hij geen angst meer inboezemde zou zijn rijk ten ondergang gedoemd zijn. Bovendien zou het volk, dat vroeger van de koning vrijwel alles accepteerde, hem afdanken als hij niet langer succesvol was. Lodewijk XIV had met zijn vele oorlogen het land aan de rand van de afgrond gebracht, maar omdat hij nu eenmaal het koningsschap had geërfd bracht dit zijn positie nauwelijks in gevaar. Napoleon besefte heel goed dat zijn troon heel wat minder stabiel was: «Gevestigde vorsten voeren oorlogen slechts om het veroveren van een provincie of het innemen van een stad; maar voor mij staat altijd mijn positie als monarch op het spel, zelfs de existentie van het gehele keizerrijk.»

Napoleon wordt vaak afgeschilderd als de doodgraver van de Franse Revolutie, maar zonder die revolutie was hij ondenkbaar. De Franse Revolutie had immers het leven geschonken aan de moderne politiek, namelijk een politiek die de massa’s mobiliseerde en dus vervolgens ook afhankelijk was van die massa’s. Napoleon was de eerste alleenheerser die op deze manier aan de macht kwam. Zijn neefje Napoleon III zou een halve eeuw later, na de revolutie van 1848, het kunstje herhalen, en in de twintigste eeuw zouden andere dictators eveneens door middel van revolutionaire massabewegingen aan de macht komen. Ook zij zouden voortdurend afhankelijk zijn van binnenlandse onderdrukking en militaire successen.