Patrick Rambauds trilogie

Napoleon: de neergang van een keizer

Binnenkort start in Frankrijk de herdenking van de bicentenaire van het Eerste Keizerrijk van Napoleon I (1804-2004). Met ‹L’Absent› voltooide Patrick Rambaud zijn trilogie over de neergang van de keizer

«Aan mijnheer Balzac, met mijn excuses», luidt de aanhef van La Bataille (1997), de eerste Napoleontische roman van Patrick Rambaud en het boek dat hem de prestigieuze Prix Goncourt bezorgde. Niet geheel ten onrechte biedt hij Honoré de Balzac, want tot hem richt hij zich, zijn verontschuldigingen aan. Immers, aan deze negentiende-eeuwse schrijver is het idee ontleend een roman over Napoleon te schrijven. Halverwege de jaren negentig stuitte Rambaud op aantekeningen van Balzac waarin deze vermeldt een roman te willen wijden aan een Napoleontische veldslag. Voor zijn saga over de «gruwelijkheden» en «verbijsterende schoonheid» van een slagveld was zijn oog gevallen op Essling. Op 21 en 22 mei 1809 hadden bij dit gehucht, gelegen aan de overzijde van de Donau ten noorden van Wenen, Franse en Oostenrijkse troepen met ongekende heftigheid op elkaar ingebeukt. De confrontatie leverde geen overwinnaar op, wel sneuvelden er maar liefst veertigduizend soldaten. Hiermee markeerde Essling het einde van de eerdere, Blitzkrieg-achtige, campagnes van Napoleon en kondigde het begin aan van een serie slachtpartijen die het einde van het Empire inluidden en waarvan Borodino, Leipzig en Waterloo de bekendste zijn. Balzac heeft zijn project nooit kunnen realiseren, Rambaud is dat wel gelukt. Daarnaast is de referentie aan Balzac vooral ook veelzeggend voor de stijl van Rambaud: humoristisch, en hier en daar losjes paro diërend.

Dat juist Rambaud een romancyclus over generaal Napoleon Bonaparte heeft geschreven is eigenlijk heel ironisch. De kleine Corsicaan die zichzelf tot keizer kroonde, staat bekend om zijn verdiensten als staatsman (metriek systeem, wetboek, staatkundige hervormingen), als veroveraar van Europa en ook als verliezer van Waterloo. Op zijn beurt wordt degene die hem boekstaaft, Rambaud, in Frankrijk beschouwd als soixante huitard, dus als representant van de roerige en gemythologiseerde jaren zestig. Hij maakte deel uit van dat deel van de beweging dat met gevoel voor humor en publiciteit autoritaire gezagsverhoudingen aan de kaak stelde. Destijds werd deze cultuur belichaamd door Charles de Gaulle, ook al zo’n generaal die de macht had gegrepen. Voor Rambaud is deze Franse traditie een onuitputtelijke bron van inspiratie.

Het weefsel van zijn drieluik is niet zozeer het grote verhaal omtrent de persoonlijkheid Napoleon, maar veeleer de grappige, ontmaskerende en soms toch ook ontluisterende anekdote. Met oog voor details kruipt Rambaud tot op de huid van de keizer. Die benadering levert schitterende observaties op. Neem bijvoorbeeld de slag bij Essling. Zonder in uitvoerige psychologiserende uitwijdingen te vervallen, schetst Rambaud de stemmingswisselingen waar de keizer onder gebukt gaat. Nu eens is de keizer gespannen en gestresst, snuift hij de ene doos tabak na de andere, en scheldt hij zijn maarschalken de huid vol. Dan weer worden vlagen van hysterie en achterdocht afgewisseld met triviale beslommeringen: in het heetst van de strijd, tijdens een stafbespreking, maakt Napoleon zich druk over het feit dat de voor zijn avondeten gereserveerde kip is ontvreemd. Dat de keizer zijn generale staf niet kan vertrouwen, dat is tot daar aan toe, maar dat hij ook zijn keukenpersoneel moet wantrouwen, dat gaat er bij hem niet in.

Napoleon heeft vele gezichten. De cartesiaans opererende veldheer blijkt eveneens een bijgelovige persoonlijkheid. Angstvallig bewaart hij een amulet met de afbeelding van een scarabeekever die hij aan zijn Egyptische avontuur heeft overgehouden. Misschien verklaart de combinatie van vertrouwen op strategisch inzicht en mystieke krachten wel zijn onverschrokkenheid: zelfs het paard dat onder zijn keizerlijke kont wordt weggeschoten, brengt hem niet van zijn apropos. De kracht van Rambauds romans ligt in de eerste plaats in dergelijke observaties. Ze maken van Napoleon een aanwezige en bij vlagen herkenbare persoonlijkheid. Nergens wordt hij gereduceerd tot een historische abstractie.

Bij La Bataille gaat het niet om een portret van Napoleon tijdens een van zijn (minder) bekende veldslagen alleen. De interne dynamiek van de roman heeft veel te danken aan de perspectiefwisseling tussen de keizer en zijn leger. Rambaud staat namelijk uitgebreid stil bij degenen die gaan sterven, geveld door kogels, gespietst door lansen, verbrijzeld door granaten. Het is alsof hij zelf op het slagveld aanwezig is en het warrige verloop van de gevechten optekent. Soldaten schieten hun geweren leeg in de lege ruimte waar ze veronderstellen dat de vijand zou moeten zijn, ze drukken zich in de modder om aan de kogels te ontkomen, doen alsof ze gesneuveld zijn en bevechten elkaar tijdens de schaarse pauzes in de slag op leven en dood voor etensresten. Na de eerste dag staren ze in de nacht omdat ze niet weten welke extra missie hun keizer de volgende dag voor ze heeft gereserveerd. De waanzin van de oorlog, de absurditeit van de catch 22-situaties, de misère van Jan Soldaat en het lijden van de kleine man — het zijn allemaal uitgekauwde thema’s, maar Rambauds misère en scène is overtuigend, niet in de laatste plaats vanwege deze realistisch-ironische observaties.

Aan de ene kant worstelt Napoleon met de situatie waar hij zich in gemanoeuvreerd heeft, zijn keuken en het overzicht van de strijd in de luxueuze omgeving van paleis Schönbrunn. Aan de andere kant worstelen kurassier Fayolle en soldaat Paradis met de hen opgelegde chaos van het gevecht, de wanorde van de terugtocht, en met hun eigen nutteloze leven in het aangezicht van de vijand. In dit panorama is geen plaats voor ethische overwegingen. Iedereen lijdt, iedereen lijdt op zijn eigen manier. Met elkaar delen Napoleon, zijn staf en zijn leger de ervaring van de situatie waar ze zich in bevinden. En die is vooral van een absurdistische leegheid. Dit maakt van de trilogie een marxistisch epos, niet zozeer in de traditie van Karl maar veeleer in die van Groucho.

Reliëf krijgen de romans door verschillende externe observatoren, die tegelijkertijd zowel in als buiten het verhaal staan. Ronduit komisch in dit verband is de historische persoon Henri Beyle, die in de eerste twee delen van de cyclus ten tonele verschijnt. Deze schrijver is vooral bekend onder zijn pseudoniem Stendhal. Beyle wordt door Rambaud geportretteerd als een dandy die, in het kielzog van de Napoleontische campagnes, door Europa doolt. Hij kan zich, zo verklaart hijzelf, alleen gelukkig voelen bij grootse gebeurtenissen. Slaughterhouse Essling slaat Beyle op veilige afstand gade, vanaf de daken van Wenen, onderwijl Weense dames (de vijand!) het hof makend. Hij ontpopt zich als een poseur die voldoende van de geschiedenis opsnuift om er verslag van te doen zonder zijn handen eraan vuil te maken. De verschrikkelijke aftocht van de Grande Armée in het tweede deel van de trilogie, Il neigeait (2000), maakt Beyle niet mee, omdat hij Rusland dan al heeft verlaten. Terwijl Moskou ten prooi valt aan de vlammen trakteert hij zijn vrienden, bij wijze van afscheid, op een exposé over Nero en het brandende Rome. De Romeinse keizers zijn geschiedenis, en dat lot zal Napoleon ook beschoren zijn. De trilogie is doorspekt met dergelijke verwijzingen naar de klassieke Oudheid.

De schrijver is ontegenzeggelijk gefascineerd door de tragikomische kant van processen van neergang en verval. De ondergang van het Napoleontische Keizerrijk loopt als een rode draad door de drie romans. In de betekenis van burleske ondergangstrilogie lijken La Bataille, Il neigeait en L’Absent op het zogeheten Duitse drieluik van Louis-Ferdinand Céline. Deze ontvluchtte Frankrijk in het najaar van 1944 vanwege zijn vermeende collaborerende houding, en doolde vervolgens maandenlang door het in elkaar stortende nazi-Duitsland. Céline berichtte er na de oorlog over in D’un château l’autre, Nord en Rigodon. Rambaud en Céline delen dezelfde onbarmhartig humoristische kijk op de Geschiedenis en haar historische personages, Napoleon in het geval van Rambaud en Philippe Pétain, de leider van het collaborerende Vichy-Frankrijk, voor Céline. In deze situaties van chaos en neergang verliezen structurerende principes als conventies, gedragscodes en hiërarchie hun functie. Het zijn de momenten waarop Rambaud zijn keizer het liefst observeert omdat hij dan in zijn optiek het meest authentiek is.

Terwijl het idee voor La Bataille aan Balzac is ontstolen, ontleende Rambaud voor het vervolg Il neigeait inspiratie aan een ander literair monument uit de negentiende eeuw: Victor Hugo. Met «Het sneeuwde» opende deze republikeinse schrijver en tegenstander van Napoleon III (het neefje van de grote Napoleon dat de familietraditie in het Tweede Keizerrijk voortzette) zijn gedicht Les Châtiments, dat handelt over de desastreuze militaire campagne van 1812. In deze roman is de val van de keizer weer een stuk dichterbij gekomen. Napoleon lijkt zich daar ook van bewust. Bij Essling mijmert hij nog over de roemruchte successen van de Romeinse keizer Marcus Aurelius, tijdens de Russische campagne leest hij Voltaires boek over de Zweedse koning Karel XII. Deze ging in de achttiende eeuw tijdens een inval in Rusland reddeloos verloren. Iedere geforceerde dagmars die zijn leegbloedende leger verder van Moskou brengt, eindigt Napoleon met de lectuur van een nieuw hoofdstuk. Dat moet een bevreemdende ervaring zijn geweest: de eigen nederlaag te lezen. Napoleon weet dat hij hetzelfde traject zal doorlopen als de onfortuinlijke Karel.

In zijn portrettering van Napoleon is Rambaud onbarmhartig humoristisch. Zoals het keizerrijk kraakt in zijn voegen, zo toont de keizer fysiek tekenen van aftakeling. Zijn hypochondrische angsten worden bewaarheid. Bij Essling laat Napoleon zijn privé-arts uit Parijs overkomen om zijn eczeem te behandelen. De legerartsen vertrouwt hij niet, laat staan Duitstalige dokters. In Rusland stort hij bijna ineen bij het nieuws dat Moskou is geëvacueerd door de tsaar. De campagne in het oosten verteert de keizer vervolgens fysiek, met oedemen in zijn benen, zenuwtikjes, een opspelende maag en een moeilijke stoelgang. Terwijl Moskou brandt en zijn soldaten op de daken van het Kremlin de vonken regens uit de stad weren, neemt Napoleon in zijn appartementen zijn toevlucht tot steeds hetere baden om zijn protesterende lichaam enigszins te kalmeren.

Door de romans heen probeert Rambaud een antwoord te krijgen op de vraag: «Wie was Napoleon eigenlijk?» In de loop van de drie boeken blijft zijn visie op «zijn held» in feite ongewijzigd. Rambaud verafschuwt noch aanbidt Napo leon, hij wil slechts begrijpen hoe de keizer «functioneerde». En dit functioneren maakt hij meer dan aanschouwelijk. Zijn trilogie heeft niets van een hagiografie of revisionistisch werk. Voor de reconstructie van het historische kader en het plaatsen van de historische personages is hij nauwgezet te werk gegaan. Memoires, dagboeken en ooggetuigenverslagen, naast gravures uit de tijd zelf, zijn de belangrijkste bronnen. Achter in elke roman geeft de auteur een keurig overzicht van zijn werkwijze en de gebruikte materialen. De verteltechniek die hij hanteert, laat zich het best omschrijven als een vorm van «cinéma écrit», geschreven film. Rambaud visualiseert Napoleon, de veld slagen, de terugtocht uit Moskou en het verblijf op Elba.

Waar in de eerste twee romans het beeld domineert van de man die niet van mensen maar van de macht houdt, schildert Rambaud in het derde en laatste deel van de cyclus, L’Absent (De afwezige), een intiemer portret van Napoleon. Het is gedaan met spectaculaire campagnes en zenuwslopende veldslagen. De ex-keizer blijkt nu ook over sociale eigenschappen en zelfs affectieve kanten te beschikken. Meer dan voorheen is hij aan zichzelf overgeleverd. Zijn rijk is ten onder gegaan, zijn historische rol is bijna uitgespeeld. Rambauds camera zoomt in op de deprimerende troonsafstand, de poging tot zelfmoord in Fontainebleau en de tocht naar verbanningsoord Elba. Volgens de auteur is het verblijf op Elba een verwaarloosde episode, die in de literatuur rond Napoleon een bescheiden plaats inneemt. Veel meer dan een rotseiland van tweehonderd vierkante kilometer, ingeklemd tussen Corsica en Toscane, met tienduizend inwoners, is het niet. De Engelsen hebben de vleugellamme adelaar opgesloten in een gouden kooi. Alleen in zijn verhalen en in zijn lectuur kan Napoleon ontsnappen. En hij drijft zijn Engelse wachtmeester en Poolse escorte tot wanhoop wanneer hij in ijltempo de rotsen van Elba beklimt om pas tot rust te komen als hij aan de horizon Corsica, zijn thuisland, ontwaart.

In deze operetteachtige omgeving slaagt Bonaparte erin de draad van zijn leven weer enigszins op te pakken. Hij beschikt over een kleine (en in zijn ogen onbekwame) hofhouding, steekt zich in buitenissige circuskostuums, speelt verstoppertje met zijn Poolse maîtresse en blindemannetje met de vriendinnen van zijn zus Pauline. Gezeten op een geïmproviseerde troon, die in werkelijkheid een in alle haast met verguld papier beklede stoel van de burgermeester is, ontvangt hij de eilanders in het gemeentehuis van hoofdstad Portoferraio. Hij gedraagt zich precies als keizer, maar dan op micro niveau. Hij helpt zelf zijn onderkomen te verbouwen, participeert in de tonijnvisserij en onderneemt pogingen het ingeslapen eiland op te stoten in de vaart der volkeren. Wegen worden opgekalefaterd, bomen aangeplant, en oude mijnen opnieuw geopend. Napoleon besteedt veel aandacht aan zijn groentetuin met tomaten en courgettes, citeert doorlopend Latijnse verzen en leest klassieke schrijvers als Fénélon, Cervantes en Plutarchus. En hij bekommert zich, voor het eerst, om het lot van zijn voormalige soldaten. In brieven richten die zich tot hun gewezen leider om zich te beklagen over hun ellendige materiële omstandigheden en de rampzalige situatie waarin het moederland zich bevindt. Ze verzoeken «de afwezige» Frankrijk weer onder zijn hoede te nemen.

De roep om de keizer is op Elba nog niet verstomd. Nog is het niet gedaan met Napoleon. Zijn neergang is niet definitief. Tijdens zijn verblijf op het eiland, dat in werkelijkheid een klein jaar duurde, van 1814 tot 1815, krijgt een regelrechte cultus gestalte. Horden toeristen ondernemen dagtripjes naar het eiland om de gevallen keizer te bewonderen. Vaak vergeefs, Napoleon houdt er niet van en aan audiënties voor nieuwsgierige Engelse lords en Toscaanse gravinnen heeft hij al helemaal een broertje dood. Ze kunnen het doen met pijpjes met de beeltenis van hun held of gipsen bustes, die in de ontluikende toeristensector worden aangeboden. Aapjes kijken op Elba — Napoleon zou het zich niet lang laten aanleunen. Daartoe aangespoord door zijn getrouwen ontvluchtte hij begin 1815 het eiland, om zich nog één keer als keizer te doen gelden. Honderd dagen kreeg hij. Tot hij bij Waterloo definitief werd verslagen.

La Bataille, Il neigeait en L’Absent zijn in Frankrijk verschenen bij uitgeverij Grasset

Napoleon: de chroniqueur, Patrick Rambaud

Al dertig jaar woont Patrick Rambaud in de voormalige volkswijk Montorgueil, gelegen in het Tweede Parijse arrondissement, om de hoek bij het Forum des Halles. Hij omschrijft zichzelf als een «kind van de overwinning», want hij kwam ter wereld in april 1946, in het Frankrijk van de wederopbouw en politieke vernieuwing. De middelbare school bracht deze babyboomer door op het prestigieuze Condorcet Lyceum, waar jongens en meisjes nog gescheiden onderwijs kregen en waar kledingvoorschriften golden. In 1966, vlak nadat hij zijn diploma had behaald, manifesteerden de eerste barsten zich in de als verstikkend ervaren schoolcultuur. De leerlingen van Condorcet speelden een vooraanstaande rol in de totstandkoming van de scholierenactiecomités, die hun hoogtepunt zouden beleven tijdens mei 1968.

Rambaud ging aan de roerige jaren zestig voorbij of, juister geformuleerd: de opstanden van 1968 gingen aan Rambaud voorbij. De mei-juni-revolte die ontvlamde op de campus van Nanterre beleefde hij gekluisterd aan de radio, weggestopt op een militaire basis bij Evreux, in Normandië. De ontruiming van de haastig opgeworpen barricaden in Quartier Latin op 10-11 mei, gevolgd door het arbeidersoproer dat het land in rep en roer bracht en zowaar de onverstoorbare president Charles de Gaulle aan het wankelen kreeg — Parijzenaar Rambaud was er geen getuige van. De onrustige lente van 1968 stond voor hem in het teken van de verveling, in het leger was niets te beleven. Hij sloeg zich er doorheen met een baantje als bibliothecaris. Naar eigen zeggen heeft hij, in de hoedanigheid van «bibliothecaris van de kolonel» in tien maanden tijd maar één boek hoeven uit te lenen.

In 1969 keerde Rambaud terug naar Parijs. Hij ondernam pogingen een carrière als schrijver te starten en slaagde daar aanvankelijk maar half in. In 1970 stond hij samen met zijn neef Michel-Antoine Burnier alsmede Jean-François Bizot, die zich had ondergedompeld in de Amerikaanse tegencultuur, aan de basis van een nieuw ironisch tijdschrift: Actuel. Frankrijk maakte, rijkelijk laat weliswaar, maar toch, kennis met de tegencultuur. Die was in de Angelsaksische wereld en in Nederland al lang en breed tot de main stream-cultuur doorgesijpeld, maar Frankrijk was met artikelen over seks, drugs en rock-’n-roll in weerwil van 1968 bepaald niet verwend — en al helemaal niet als dat nu eens niet quasi-intellectueel, maar juist met spot en gevoel voor schandaaltjes gebracht werd. Het bont vormgegeven periodiek was tevens de voornaamste tegenhanger van het eclectische, extreem linkse idealisme zoals dat politiek verwoord werd door jonge maoïsten en trotskisten die geïnspireerd waren door structuren en klassentegenstellingen. Rambaud heeft niets van doen met de scherpslijperij die zo kenmerkend was voor dit gauchisme. In de vijf jaar van haar bestaan groeide Actuel uit tot een cultverschijnsel. Rambauds specialisme werd grote geschiedenis met een vleugje van ironie: hij schreef met humor over tirannen, alchimisten en historische personages als Atilla de Hun. Voor het in 1977 samen met Burnier geschreven 1848 kreeg hij de Prix Lamartine toegewezen. Tot 1984 zou hij aan het blad verbonden blijven.

Nadien ontwikkelde Rambaud zich tot ghostwriter. Namens beroemde landgenoten tekende hij autobiografieën op. Meer dan dertig werken heeft hij in de jaren tachtig en negentig op deze wijze geschreven. Welke dat zijn, blijft vooralsnog een beroeps geheim. Tussen de memoires en herinneringen door leefde Rambaud zich uit in het genre van de parodie. Onder het pseudoniem Marguerite Duraille dreef hij de spot met het werk van Marguerite Duras, de koningin van de nouveau roman. Voor zijn in 1988 gepubliceerde pastiche Virginie Q ontving hij de Prix de L’Insolent. De doorbraak naar het grote publiek, nationaal en internationaal, volgde in 1997 met La Bataille. De Prix Goncourt die hij voor deze Napoleontische roman ontving, maakte het hem mogelijk zich te concentreren op een schrijvers carrière onder eigen naam.

Rambaud maakt nu deel uit van de literaire Franse elite, en ook dat is een ironisch gegeven.