Briefwisseling: Recepten voor de kunstkritiek

Narren met een scherp oog

Hoe dient de criticus zich tot kunst te verhouden? Altijd geëngageerd? Mag kunst dan niet gewoon mooi zijn? De academicus vertelt de critica hoe het moet, en andersom.

Helen Frankenthaler, 10/29/52, 1952. Olieverf op canvas, 164,8 x 168,3 cm © Rob McKeever / courtesy Gagosian / 2019 Helen Frankenthaler Foundation, Inc. / Artists Rights Society (ARS), New York

Beste Thijs,

Laatst bevond ik mij in een sushibar in wat eens gold als een typische Amsterdamse volksbuurt, maar waar de architecten nu in hink-stap-sprong door de straten gaan en bouwen aan nieuwe gevels voor nieuwe bewoners. Het was een vrijdagavond en de barkrukken aan het raam waren bezet, wat mij noopte mijn bestelling mee te nemen, toen ik een opgewonden gesprek opving. Drie jonge vrouwen, aan hun accent in het Engels te horen ieder afkomstig uit een ander deel van de wereld, bediscussieerden de steeds marginalere rol van kunst in de samenleving. Ze waren het eens over wat er moet gebeuren om het tij te keren: het claimen van public space. Naar huis lopend moest ik denken aan jouw nieuwe boek, Kijken, proeven, denken, met essays over kunst, kritiek en filosofie.

Het ‘veroveren’ van de ‘openbare ruimte’ zijn buzz-woorden in de hedendaagse kunst, in combinatie uitgesproken een spreuk die de kunst terug in het hart van de mensen moet brengen. Ik waag te betwijfelen of het wel zo slecht gesteld is met de mensen en de kunst, maar denk als criticus natuurlijk ook na over hoe kunst aan de man te brengen, zonder hen erover te laten struikelen.

In Kijken, proeven, denken lever jij een ‘recept’ voor de kunstkritiek. In je voorwoord benoem je man en paard op een manier die de gevestigde orde compleet op z’n kop zet. Het kunstwerk heeft geen passieve rol, maar is wat je noemt ‘zelf een vorm van denken, een denkvorm, een denkbeeld, een ding-dat-denkt’. Het is iets, of iemand bijna, om rekening mee te houden en draagt zijn betekenis al in zich. Denken over kunst wordt daarmee denken door kunst, onderhevig aan een kunstwerk dat ‘terugdenkt’, een gedachte die zo nauw let dat ik hem hier citeer: ‘Een confrontatie met iets wat niet het eigen denken is, de confrontatie met een vorm, een gestalte, of een object dat zelf spreekt maar niet vanzelfsprekend is, en dat juist daarom te denken geeft.’

De cirkel is rond en in deze nieuwe situatie sta ik, de kunstcriticus, tegenover het kunstwerk, een ding-dat-denkt, als gebogen over een rebus. Je stelt voor om ‘de kunstcriticus niet te beschouwen als iemand die van buitenaf oordeelt over het werk, maar die met het werk meebeweegt, diens denkproces volgt en het daar tracht te brengen waar het heen wil’, maar voor de rol van lakei van de kunst voel ik niet. Ik wil duiden aan de hand van wat een werk te bieden heeft, maar moet tegelijkertijd een afstand bewaren om over wat ik vind te kunnen oordelen.

We dragen de kunstkritiek beiden een warm hart toe, jij als kunst- en cultuurfilosoof, ik als uitvoerend kunstcriticus, en het is niet zonder reden dat je me hier een zetje geeft. Er wordt meer dan ooit naar kunst ‘gekeken’, maar de kunstkritiek wordt minder bedreven, minder gelezen en minder gehoord. Ze verliest, jawel, aan publiek terrein. Er moet iets gebeuren en jij stelt voor dat de kunstkritiek baat kan hebben bij een ‘coup’ van filosofen, sociologen en andere theoretici. Er is een behoefte aan nieuwe woorden en zij zouden over een vocabulaire beschikken dat het publiek weer kan bereiken. Wil de kunstcriticus mee, dan zal hij buiten de muren van de kunst moeten treden.

De wereld is veranderd, de kunst is veranderd en bij de zoektocht naar een nieuwe kritiek voor de nieuwe kunst sluit ik mij aan. Maar een coup, Thijs, een coup? Ik claim geen alleenrecht op het beschouwen van kunst, maar hier eis ik mijn deel op. Het is waar, de hedendaagse kunst is tot in haar vezels geëngageerd en werpt haar lijntjes uit, naar de geschiedenis, de politiek, de economie. Zo bekeken is er genoeg kunst waar theoretici mee uit de voeten kunnen, kunst die de kunstkritiek bovendien nogal eens links laat liggen.

Maar als íets de kunstkritiek in mijn ogen bedreigt, is het de tendens om kunst niet langer serieus te nemen als kunst. Om kunst aan te grijpen louter om het over wereldzaken te hebben, en andersom, om kunst af te serveren louter omdat zij over wereldzaken gaat.

Want wat zouden theoretici volgens jou kunnen bijdragen aan de beschouwing van, laten we zeggen, nieuwe abstracte schilderkunst? En waar blijft de kritiek als de beschouwer meebeweegt met de kunst, haar volgt waar zij maar gaan wil?

In een maatschappij zonder plek voor kunstcritici kunnen de ongeoefende kijkers en kenners de kunst voor hun wagen spannen en ongehinderd galopperen door de openbare ruimte. Ik denk aan de politicus die bij de afgelopen Provinciale-Statenverkiezingen een deel van Nederland veroverde onder meer met een wankel betoog over moderne beeldende kunst, muziek en architectuur. Met zulke vrienden heeft de kunstkritiek geen vijanden meer nodig.

Beste Roos,

De museumboekhandel is voor mij vaak een van de hoogtepunten van museumbezoek. Exit _through__ the gift shop,_ dat is aan mij wel besteed. Zeker musea voor moderne en hedendaagse kunst beschikken dikwijls over een indrukwekkend aanbod kritische theorie en continentale filosofie, soms groter dan de collectie ‘gewone’ kunstboeken en kunstenaarsbiografieën. Om maar te zeggen: die coup die jij zo vreest is al lang gaande. Toegegeven, coup klinkt wat agressief-militaristisch; het roept het beeld op van een generaal die in een met medailles behangen uniform een verklaring voorleest op de staatstelevisie. Ik had ook van ‘versterkingen’ of ‘noodhulp’ kunnen spreken, maar dan had ik weer de verdenking van een messias- of white savior- complex op me geladen.

Hoe dan ook lijken kunstkritiek en kritische theorie elkaar nodig te hebben. Er bestaat een grapje over kunstenaars en bankiers (dat kunstenaars vooral over geld en bankiers vooral over kunst praten), maar dat zou je denk ik beter over kritische theorie kunnen zeggen: als filosofen elkaar treffen, praten ze over kunst, als kunstenaars elkaar treffen, praten ze over kritische theorie. Hoe is dat zo gekomen?

Volgens mij moeten we daarvoor terug tot het begin van de twintigste eeuw. De situatie van de linkse intelligentsia was toen als volgt samen te vatten: we hebben de revolutie verloren, de arbeiders hebben massaal gekozen voor het fascisme, er is overal oorlog… dus laten we het over de kunst hebben! Een curieuze conclusie, als je erover nadenkt. Maar wat ik hiermee zeggen wil is niet alleen dat de kunst vanaf dat moment een intellectueel toevluchtsoord werd (dat werd het denk ik al eerder, in de tweede helft van de negentiende eeuw), maar ook dat het Ersatz-politiek werd. Allerlei beloftes, van een kritisch bewustzijn, een nieuwe en betere wereld, van het ganz Andere, werden op de kunst geprojecteerd. Misschien niet helemaal eerlijk, of realistisch, maar zo was het nu eenmaal.

Bij de zoektocht naar een nieuwe kritiek voor de nieuwe kunst sluit ik mij aan. Maar een coup, Thijs, een coup?

In bepaald opzicht zien we nu volgens mij een herhaling van de geschiedenis: bij gebrek aan een politiek alternatief zoeken we ons heil in de kunst. Niet om weg te dromen, maar juist om de wereld onder ogen te zien, en om ammunitie te verzamelen om haar te veranderen (om nog even in militaire of militante sferen te blijven).

Wat betekent dat voor de kunstkritiek? Het viel me op dat jij jezelf door de notie van ‘denken door kunst’ uit mijn inleiding in een ondergeschikte positie gedwongen voelt, een ‘lakei van de kunst’ zoals jij het formuleert. Terwijl de voornaamste inspiratiebron ervan, naast Frankfurters als Benjamin en Adorno vooral ook de Duitse vroeg-romantici, eerder het tegenovergestelde voor ogen hadden. Friedrich Schlegel schreef ooit een essay over Goethe’s Wilhelm Meister, waaraan hij in brieven gekscherend refereerde als Übermeister. Oftewel: hij beschouwde zijn kritiek als de voltooiing, en in wezen de overmeestering, van het kunstwerk. Als de kunst Ersatz-politiek is, is de criticus een soort super-intellectueel, die zich overal tegenaan mag bemoeien. Weliswaar goed geïnformeerd, daar heb je gelijk in, maar vandaar juist die hulptroepen van de filosofie, sociologie, enzovoort. Want het louter esthetisch oordeel volstaat niet meer; het is misschien een noodzakelijke, maar niet langer een voldoende voorwaarde voor kunstkritiek.

Over overmeesterende super-intellectuelen gesproken, het steekt me wel een beetje dat je mij lijkt in te willen delen bij het kamp van onze nationale knuffelboreaal en cultuurchristen T. B. Als iets hem immers kenmerkt, is het wel de esthetisering van de politiek. Het politieke spel moet zélf een romantisch kunstwerk worden, vandaar het theater, de retoriek en de naaktfoto’s aan de zwembadrand. Le Thierry pour le Thierry. Hopelijk is je uit mijn boek, en uit voorgaande, duidelijk geworden dat mijn positie daar diametraal tegenover staat en veeleer de politisering van de esthetiek behelst.

Voor menigeen, misschien ook voor jou, klinkt dat even suspect, dat realiseer ik me. Terecht vraag jij je af of er niet een tendens is om kunst niet langer serieus te nemen als kunst. Maar op mijn beurt vraag ik dan: wat betekent dat precies? Natuurlijk kunnen we het nog hebben over ‘nieuwe abstracte schilderkunst’, zoals jij voorstelt, maar je wilt toch niet beweren dat dergelijke kunst, of het gesprek daarover, niet maatschappelijk of politiek zou zijn? Voor Hitler was abstracte kunst entartet, de cia sponsorde het abstract expressionisme omdat het symbool stond voor Amerikaanse vrijheid, voor hedendaagse rechts-populisten is het cultuurmarxisme. Soms wordt de politieke lading van de kunst nog het beste herkend door haar grootste vijanden.

Ten slotte nog dit. Ik schrijf deze brief op de verjaardag van Walter Benjamin, de joodse denker die er ooit van droomde de grootste criticus van Duitsland te worden, dus ik kan er niet omheen om hem te citeren: ‘Narren zijn het, die klagen over het verval van de kritiek. Want haar uur heeft lang geleden geslagen. Kritiek is een zaak van de juiste afstand. (…) De dingen zijn ondertussen veel te brandend de mensenmaatschappij op het lijf gevallen. De “onbevangenheid” en de “vrije blik” zijn leugens geworden, zo niet de wel heel naïeve uiting van simpele incompetentie.’

Ik heb dit altijd een raadselachtige passage gevonden, omdat ik er maar niet achter kom hoe serieus ik haar moet nemen. De vragen die ze bij me oproept: is de afstand die de criticus neemt, en waar jij ook aan refereert, inderdaad een luxe, die we ons misschien niet langer kunnen veroorloven? En zijn jij en ik inderdaad ‘narren’, omdat we deze discussie überhaupt voeren?

Helen ­Frankenthaler, Italian Beach, 1960. Olieverf op linnen, 170,5 x 208,9 cm © Rob McKeever / courtesy Gagosian / 2019 Helen Frankenthaler Foundation, Inc. / Artists Rights Society (ARS), New York

Beste Thijs,

Toen ik onlangs op de Biënnale van Venetië was, de tweejaarlijkse state-of-the-art van de kunst, bezocht ik een eeuwenoud palazzo voor adempauze bij een klassieker. Daar hingen schilderijen van Helen Frankenthaler, de Amerikaanse die meer dan vijftig jaar geleden haar land in Venetië vertegenwoordigde, grote successen kende en nu door een nieuwe generatie wordt ‘herontdekt’. En ik beleefde een, voor een criticus, ietwat verontrustende sensatie: wat ontzettend móói was haar werk. Zeg me alsjeblieft dat jou dat gevoel ook wel eens overvalt.

Even verderop lag Barca nostra, een boot die was gezonken tijdens de oversteek naar Europa met naar schatting duizend migranten aan boord. Kunstenaar Christoph Büchel legde de boot in het hart van de biënnale op de kade, gaf haar een titel en lanceerde daarmee een ‘kunstwerk’ dat besproken werd tot ver buiten de kunst, tot aan de politiek commentatoren van Italië toe.

De boot was bijzonder fotogeniek, blauw en rood met vleugjes roest, en zonder weet van de geschiedenis – er stond geen bordje bij – had ik al mooie foto’s genomen. Maar Frankenthaler was het beste wat ik zag in Venetië, daar schaam ik me niet voor, en trouwens ook niet voor die foto’s.

Je hebt natuurlijk gelijk: ook over de schilderijen van Frankenthaler zou je politieke essays kunnen schrijven. Ze was een vrouw, een vrouw die carrière maakte in de jaren vijftig, een vrouw van bovendien, eerst van kunstcriticus Clement Greenberg en later van kunstenaar Robert Motherwell. Van haar pertinente weigering tot een politieke lezing van haar kunst kun je stellen dat dat een politiek statement op zich is. Maar de kunstcriticus is de enige die kan zeggen dat haar kunst niet alleen mooi of interessant, maar ook goed is. Die het samenspel van techniek en materiaal doorziet dat maakt dat de kleuren op haar doeken soms rustig tegen elkaar aanliggen en elkaar dan juist weer hard raken. Die dat herkent als de overgang van abstract expressionisme naar colorfieldpainting.

Waarom dat belangrijk is? Omdat kunst als kunst bespreken óók een vorm van kritisch denken is. En omdat onafhankelijk, kritisch denken bij uitstek belangrijk is in onkritische tijden.

Dat de kunstenaar ons critici daarbij uitdaagt, door politiek in de vorm van wrakstukken de kunstarena binnen te slepen, is geen reden om kunstkritiek als vorm van beschouwing te laten varen. Zelfs voor Barca nostra bestaat een plek in de kunstgeschiedenis, ook al verklaarde de kunstenaar uitdrukkelijk dat de boot niet als kunstwerk mag worden gezien. Dan nog is zijn daad op zijn minst stof voor een nieuwe ronde in het gesprek over de vraag wat kunst vandaag eigenlijk is.

Een maatschappij die draait op geld en zelf­genoegzaamheid heeft geen behoefte aan een criticus

In het magazine van de Süddeutsche Zeitung verscheen onlangs een interview met Jerry Saltz en Roberta Smith over kunstkritiek (‘Geld und Kunst haben gern Sex in der Öffentlichkeit’ – over bankiers en kunstenaars gesproken!). Zij zijn de Amerikaanse super-critici: hij in 2018 winnaar van de Pulitzer Prize for Criticism, zij criticus van The New York Times. Ik werd geraakt door iets wat Smith zei: ‘Mensen denken dat kunstkritiek voor weinig mensen is weggelegd, en dat zij meedogenloos is. Het is afgezaagd om te zeggen, maar: wij zijn allen kunstcritici. Ons kritische vermogen is essentieel voor het leven. Kunstkritiek is slechts een extreem gefocuste vorm daarvan. Je pleit voor iets.’

‘Kijken, proeven, denken’ dicteert de ideale situatie: je kijkt naar een kunstwerk, je proeft ervan en je denkt erover. Mij valt op hoe weinig ruimte er momenteel is voor dat vrije denken. De kunstwereld is een geoliede machine die weinig aan het toeval overlaat. De kunstmarkt bepaalt mede welke kunst in de musea komt. Marketingafdelingen en communicatiebureaus bedienen de media van hapklare content en interviews, een luie vorm van kunstjournalistiek die hoogtij viert in de kranten. Op sociale media komt kunst voorbij in algoritmen binnen een bubbel.

Dat de kunstkritiek onder druk staat, past in die zin bij de tijd. Een maatschappij die draait op geld en zelfgenoegzaamheid heeft geen behoefte aan een criticus, geen zin in iemand die het feestje bederft of een andere kant op wijst, maar precies daarom is deze harder nodig dan ooit tevoren. Noem ons narren, maar we moeten blijven pleiten.

Toch zit iets me hier niet lekker. Die boot, wat moeten we daar nog meer mee, buiten de kunsthistorische bespreking die ik voorsta en waar de kunstenaar, op zoek naar controverse, vast geen boodschap aan heeft? Wie kan het preken voor eigen parochie, waar veel geëngageerde kunst zich schuldig aan maakt, doorbreken? Zoals jij schrijft in een van je essays: ‘De kunstkritiek omkleedt het werk met woorden, maar het zijn er nooit genoeg, er blijft altijd iets over om te zeggen.’

Misschien dan toch de theoreticus. Maar daar voorzie ik een probleem. Benjamin en Adorno: het zijn (Duitse) mannen die tot ons spreken vanuit een andere tijd en vanuit een andere wereld. Zie jij geen paradox in het teruggrijpen naar bijvoorbeeld de klassieke filosofie, en de behoefte aan nieuwe woorden om de nieuwste kunst mee te duiden?

De toekomst van de kunstkritiek zie ik net als jij in de taal. De gereedschapskist van de criticus moet worden afgestoft en aangevuld, niet zozeer met nieuwe woorden, maar met nieuwe stemmen, uit onze tijd en van deze wereld, om richting te bepalen en mee te denken.

Ik kijk uit naar jouw laatste brief. Want die super-intellectueel, in mijn hoofd inmiddels uitgegroeid tot een veelkoppig monster, die wil ik graag ontmoeten. En misschien wel zijn.

Beste Roos,

De super-intellectueel als veelkoppig monster, dat beeld bevalt me wel. Het doet me denken aan filosofe Donna Haraway, die stelde dat we een tentaculair denken nodig hebben om de huidige wereld in al haar complexiteit te begrijpen. Dat impliceert echter ook dat de ‘afstand’ waar we over spraken, en de ‘onafhankelijkheid’ die je ook in je laatste brief benadrukt, problematisch wordt. Ik wil je geen feministisch denken mansplainen, maar waar Haraway op doelt is het idee van gesitueerde kennis, dat het aloude verlichtingsideaal van het onafhankelijke subject met zijn ‘view from nowhere’ naar het rijk der fabelen verwijst.

De afstand die door critici vanaf de Verlichting gekoesterd werd, viel grofweg uiteen in drie waarden: autonomie (de criticus staat boven de partijen), universalisme (de criticus heeft althans de pretentie om te spreken uit naam van eenieder) en autoriteit (de criticus weet waarover hij/zij het heeft). Nu zijn deze waarden of uitgangspunten nooit onomstreden geweest, maar de laatste jaren staat dit traditionele beeld vanuit meerdere kanten onder druk. Vanuit het publiek wordt immers de universaliteit van (het oordeel van) de criticus ter discussie gesteld. Kon de criticus zich van oudsher verschuilen achter zijn expertise, daar wordt nu zijn eigen afkomst of achtergrond meegewogen in de beoordeling van de criticus zelf. Deze zomer stond er in The New York Times nog een groot opiniestuk over The Dominance of the White Male Critic. Met andere woorden: de criticus wordt gezien als ‘partijdig’, ofwel omdat hij tot ‘de elite’ behoort, ofwel omdat hij tot een bepaalde demografische groep behoort (witte man van zekere leeftijd).

Ondertussen zagen ook ontwikkelingen in het medialandschap aan de poten van de criticus. De hedendaagse medialogica maakt van de criticus slechts één stem tussen vele, en het is niet langer vanzelfsprekend dat het oordeel van de criticus meer waard is dan die van een willekeurige ander op sociale media en (internet)fora (IMDb, Goodreads, Allmusic).

Ten slotte is de kunst zelf veel onoverzichtelijker geworden, zowel haar instituties als artistieke praktijken, waardoor de traditionele autonomie van de criticus minder vanzelfsprekend is geworden. De opkomst van bijvoorbeeld participatie- en gemeenschapskunst, trans- en intermedialiteit, artistiek onderzoek, en institutionele kritiek, maakt dat de criticus deel gaat uitmaken van het artistieke ‘spel’; kijk bijvoorbeeld naar het beruchte Kirac-duo. De kunst ligt niet langer passief te wachten op het oordeel of de interpretatie van de criticus, maar wordt zelf kritisch.

Volgens mij kan elk van deze ontwikkelingen gezien worden als een bedreiging van de traditionele positie van de criticus, maar ook als een belofte van democratisering en vernieuwing. Ik wil je niet ontmoedigen om die super-intellectueel te worden of te zijn, integendeel. Maar ik denk wel dat dat alleen kan door krachten te bundelen, expertise te delen, de eigen beperkingen te erkennen en, zoals jij zelf ook al aangeeft, op zoek te gaan naar nieuwe stemmen en nieuwe woorden. Inderdaad, door de voelsprieten of tentakels uit te slaan. (En of die stemmen nou zijn van een Duitse jood uit de jaren dertig van de vorige eeuw, of van een hedendaagse Amerikaanse ecofeminist, dat maakt mij niet zo gek veel uit, zolang ze een interessant licht werpen op actuele kwesties.)

Daartussen heeft het aloude esthetisch oordeel allicht zijn plek. Je vraagt me (smeekt me bijna!) te erkennen dat ook ik soms overvallen word door de ervaring van schoonheid. Dat is zonder meer het geval, maar ik moet ook bekennen dat ik negen van de tien keer simpelweg niet onmiddellijk kan zeggen of ik iets mooi of goed vind. Wie weet, misschien komt het doordat de liefde voor beeldende kunst mij niet met de paplepel werd ingegeven, of misschien heeft het met de aard van hedendaagse kunst te maken, maar vaak wil ik over een werk eerst meer weten, voordat ik kan zeggen of ik het goed vind.

De Griekse filosoof Alexander Nehamas vergeleek de eerste ontmoeting met een kunstwerk met een first date: als die goed bevalt, blijft het daar niet bij, maar wil je meer. Daar kan een diepgevoelde liefde uit voortkomen, maar het kan natuurlijk evengoed leiden tot de conclusie dat je je in eerste instantie vergist had. Wat goed was, kan slecht worden. Niet alleen ‘politiek’ slecht of fout, maar ook minder esthetisch, oppervlakkig, enzovoort.

Juist daarom heb ik bewondering voor critici, en ben ik gefascineerd door hun werk. Ze komen op mij over als mensen die over een bijzondere superkracht beschikken, namelijk om zich vliegensvlug een oordeel te vormen. Natuurlijk is dat niet echt een superkracht, maar eerder een beter gearticuleerde en misschien gecondenseerde vorm van iets wat zich ook in ons gewone stervelingen voltrekt, maar dan langzamer, of over langere tijd. Een van de belangrijkste functies van de kritiek is dan ook het aanjagen en gaande houden van de conversatie over wat we, als samenleving, mooi, belangrijk en de moeite waard vinden. Het oordeel van de criticus is nooit het einde, steeds slechts het begin.


De schilderijen zijn uit de tentoonstelling Helen Frankenthaler: Pittura/Panorama in Palazzo Grimani, Venetië, tot 17 november. Meer informatie: palazzogrimani.org