Nat tate

GORE VIDAL beschreef hem als een ‘waardige dronkelap die niets te zeggen had’. Volgens Peggy Guggenheim was hij een goede minnaar (‘bijna in dezelfde categorie als Sam Beckett die een slechte huid had’). En of Nat Tate nu wel of niet een relatie met de dichter Frank O'Hara heeft gehad, blijft uiterst vaag.

Het korte leven van Nat Tate, Amerikaans abstract expressionistisch kunstenaar, was bewogen en opmerkelijk. Hij werd geboren in maart 1928, in Union Beach, New Jersey. Zijn moeder Mary had nauwelijks geld om een kind te onderhouden en zijn vader heeft hij nooit gekend. Elke keer wanneer hij zijn moeder naar zijn vader vroeg, kwam ze met een ander verhaal. De ene keer was zijn vader zeeman geweest, de andere keer visser of diepzeeduiker. Het enige onveranderlijke aspect in het verhaal was zijn dood door verdrinking. In zijn latere leven schepte Nat Tate er een pervers genoegen in te fantaseren dat zijn moeder een hoer was geweest die het in de haven met zeelieden deed.
Als Nat drie jaar is, heeft zijn moeder een baan als keukenmeisje bij de rijke Peter Barkasian, die het prachtige landgoed Windrose bezit, dat losjes gemodelleerd is naar het Petit Trianon. Mary werkt zich binnen een paar jaar op tot kok van de Barkasians, maar ze vindt een plotselinge dood als ze bij het verlaten van de plaatselijke apotheek door een vrachtwagen wordt overreden. Haar achtjarige zoon wordt liefdevol door de Barkasians geadopteerd, en het jongetje ervaart voor het eerst van zijn leven hoe het is om rijk te zijn.
OVER DE JAREN die volgen is weinig bekend. Intellectueel gezien is Nat Tate geen hoogvlieger. Na de middelbare school gaat hij naar de kunstacademie, waar hij lessen volgt bij Hans Hofmann, wiens ideeën over abstracte kunst een hele generatie Amerikaanse kunstenaars heeft beïnvloed. De onzekere, verlegen student valt niet zozeer op door zijn werk als wel door zijn kledingstijl: sobere, bijna ouderwetse pakken die schril contrasteren met de spijkerbroeken van de rest.
Peter Barkasian gelooft onvoorwaardelijk in het talent van zijn adoptiefzoon. Hij geeft hem een royale toelage en verbouwt het zomerhuis in de tuin van Windrose tot atelier, zodat de jonge kunstenaar zich volledig aan zijn roeping kan wijden. In ruil daarvoor wil hij het voorlopige alleenrecht op Tate’s werk. Met grote toewijding bewaart en catalogiseert hij alles. Tate’s latere galeriehoudster, Janet Felzer, is de eerste die het beestje bij de naam noemt: ‘Peter Barkasian werd langzaam maar zeker verliefd op zijn zoon.’
In 1952 maken Frank O'Hara en genoemde Janet Felzer samen een tochtje naar het platteland. Onderweg stappen ze een galerie binnen. Daar zien ze werk van Nat Tate hangen: een serie tekeningen van bruggen, geïnspireerd op het gedicht 'The Bridge’ van Hart Crane. Beiden zijn bewonderaars van Crane en ze herkennen de link naar diens werk direct. Opgetogen over hun ontdekking keren ze even later met Tate’s adres terug naar New York.
Vanaf dat moment begint de carrière van Nat Tate serieuze vormen aan te nemen, al zijn niet alle critici even enthousiast. Eentje meent vals dat Tate wat minder vaak een bezoek zou moeten brengen aan het atelier van Willem de Kooning, een opmerking die Felzer woest maakt, omdat Tate als geen ander in afzondering werkt.
Inmiddels is Tate naar New York verhuisd, waar hij steeds vaker in het bekende kunstenaarscafé Cedar Tavern wordt gesignaleerd. Zijn drankverbruik neemt navenant toe. De hele kunstwereld kijkt in de jaren vijftig naar New York voor inspiratie en Nat Tate bevindt zich precies op het juiste moment op de juiste plek.
In 1959 maakt hij samen met Peter Barkasian een reis naar Frankrijk, waar hij de 78-jarige Georges Braque bezoekt. Tate maakt de fout te zeggen dat sommige van Braque’s werken hem aan de late landschappen van Van Gogh doen denken. Braque corrigeert hem vriendelijk: 'Van Go? Non, mon ami, jamais.’
TERUG IN AMERIKA gaat het snel bergafwaarts met Tate. De hele decembermaand lang probeert hij zijn oeuvre terug te krijgen dat inmiddels bij diverse eigenaren is terechtgekomen. Zijn excuus: hij wil er nog iets aan veranderen. In werkelijkheid gebruikt hij de eerste dagen van 1960 om alles te verbranden. Dan begint hij aan een nieuw schilderij: Orizaba/Return to Union Beach. Op 12 januari stapt hij aan boord van de Staten Island Ferry en springt tot afschuw van de overige opvarenden halverwege de tocht van boord. Zijn lichaam wordt nooit gevonden. In het atelier vindt Barkasian Tate’s laatste schilderij. Orizaba is de naam van het schip waarmee Hart Crane zijn laatste reis maakte. Hij pleegde zelfmoord door van het dek te springen.
De meest gangbare opvatting over de reden van Tate’s zelfmoord is dat hij na de ontmoeting met Braque zijn eigen talent te beperkt vond. Opeens schaamde hij zich voor zijn werk, een schaamte waarmee hij, toch al instabiel door alcoholisme, onmogelijk verder kon leven.
DE ONLANGS door William Boyd geschreven monografie over Nat Tate mocht zich om verschillende redenen al vóór publicatie in grote aandacht verheugen. In de eerste plaats is het het tweede boek van uitgeverij 21, de uitgeverij die David Bowie vorig jaar oprichtte en die meteen respect afdwong met het boek Blimey!, een gedegen overzicht van de Londense kunstwereld, van Francis Bacon tot Damien Hirst. In de tweede plaats is William Boyd, met zeven romans en twee verhalenbundels op zijn naam, natuurlijk ook niet zomaar iemand. Dat Boyd zijn eerste kunstboek bij Bowie’s uitgeverij onderbracht was een logische stap: beide mannen zitten in de redactie van het Engelse blad Modern Painters.
Een derde reden waarom het boek al voor verschijning veel losmaakte, was de aangekondigde presentatie in het atelier van Jeff Koons, in aanwezigheid van de crème de la crème van de beeldende kunst. Van de happy few die een uitnodiging bezaten, beweerde vrijwel iedereen het werk van Tate te kennen, en een paar critici meenden zich zelfs ontmoetingen met Tate te kunnen herinneren. Ondertussen las David Bowie op televisie passages uit het nog te verschijnen boek voor, en kwamen Engelse kranten met voorpublicaties. Kortom, geen middel was onbeproefd gelaten om het boek groots te lanceren.
OP 1 APRIL kwam de aap uit de mouw: Nat Tate had nooit bestaan. Grapje van Bowie en Boyd. Natuurlijk is het boek inmiddels veel meer dan een grap. Het is een parodie op - of zo men wil een aanklacht tegen - de hele kunstwereld, met al haar blabla en snobisme, de angst om dom en onwetend te lijken en het verlangen om overal bij te zijn waar 'het gebeurt’.
Boek en presentatie zijn inmiddels tot conceptueel kunstwerk verheven door de groep die geen uitnodiging had en die nu heel hard haha roept. Een groep die evenzeer iets te betekenen wil hebben, natuurlijk, en die zichzelf even serieus neemt. Een groep waarvan het intellectuele vermogen nu alleen even lijkt te zegevieren over de nitwits die met open ogen in de val liepen.
Na de ontmanteling van Tate’s bestaan wint zijn biografie als parodie alleen maar aan kracht. Zinnen en taalgebruik waaraan je al bijna gewend dreigt te raken omdat er in elk willekeurig kunstboek veelvuldig mee wordt gestrooid, worden hier pijnlijk veelzeggend in hun leegte ten tonele gevoerd. Zo betoogt Boyd dat Tate’s werk anders was dan dat van zijn collega-abstract-expressionisten, maar toch ook weer niet: 'He was both like and very unlike his contemporaries.’
Ook de vaak zeer subjectieve manier waarop foto’s worden geïnterpreteerd, wordt door Boyd aan de kaak gesteld. De lezers krijgen een vage zwartwitfoto te zien van Braque die onder de bomen in zijn tuin zit. Aan zijn linkerhand staat een man, Nat Tate, met een bord in zijn hand. Het is bijna alsof hij de meester wil gaan bedienen, vindt Boyd. Maar Tate kijkt niet naar Braque. Hij staart naar een punt in de verte. Misschien wordt hij reeds geobsedeerd door zijn zwartgalliger wordende gedachten, oppert Boyd, vooruitlopend op Tate’s zelfmoord een paar maanden later. Het voorbeeld geeft aan dat je alles naar je toe kunt redeneren. Van de foto zelf is niets anders af te lezen dan een man met een bord in zijn hand. Punt.