Buitenland

Nation-building

Colin Thubron is een reisschrijver van de klassieke stempel. Een Brit, gevormd op Eton, die met een rugzakje en opschrijfboekje de wereld intrekt en verslag uitbrengt. Dat leverde mooie boeken op over bijvoorbeeld de Zijderoute, Rusland voordat het communisme viel en, Thubrons recentste, over de rivier Amoer die China van Rusland scheidt. Thubron is 82, hij kent de wereld van het koloniale tijdperk en die erna kwam.

De Financial Times vroeg hem onlangs om een evaluatie van zijn eigen deel van de wereld. ‘Ik ben steeds minder trots op het Westen’, zei Thubron. Het interview vond plaats rond de twintigste verjaardag van 9/11 en Thubron blikte kritisch terug. ‘Als de bewoners van het Witte Huis en Downing Street 10 een paar weken in een chaikana (theehuis/restaurant – ct) in Kabul of Herat hadden gezeten, dan zouden ze wel twee keer nagedacht hebben over plannen om landen opnieuw in te richten of een cultuur te willen veranderen.’

Varianten op Thubrons analyse zijn rap op weg een nieuwe consensus te worden binnen de denkende klasse in westerse landen. Kranten serveerden de afgelopen weken braaf analyses over hoe het tijdperk van liberaal interventionisme nu wel voorbij zal zijn. Historici, experts in internationale betrekkingen en andere commentatoren deden het geloof dat het ene land het andere beter kan maken af als bewijs van westerse hoogmoed en zelfoverschatting. Wie al langer ageerde tegen westerse bemoeizucht haalde eindelijk zijn gelijk. Plotseling lijkt iedereen een discipel van kritische postkoloniale theorie.

De vraag is of de omschakeling niet doorschiet. Bemoei je vooral niet met ontwikkeling elders, voor je het weet ben je een lompe, arrogante westerling die lokale tradities komt vertrappen en die zich moreel schuldig maakt aan het geloof in de white man’s burden. Ook dat is intellectuele luiheid. Achterstand op economisch, cultureel en politiek gebied verdwijnt niet vanzelf. De vraag hoe daar van buitenaf iets aan te doen is een lastige, maar moet wel beantwoord worden. Onderwijs is nog altijd te verkiezen boven onwetendheid, welvaart boven armoede, kansengelijkheid boven kansenongelijkheid. Zelfovertuiging is nodig om daar iets aan te doen ook buiten de eigen landsgrenzen.

Plotseling lijkt iedereen een discipel van kritische postkoloniale theorie

De mislukking van Afghanistan nu aangrijpen om te zeggen dat westerse democratieën zich maar met zichzelf moeten bezighouden, is dan ook de verkeerde evaluatie van de huidige situatie. Het wekt de suggestie dat het tijdperk van liberaal interventionisme alleen maar zinloze oorlog heeft voortgebracht. Ontwikkelingshulp, ngo’s, internationale instellingen waarmee rijke landen armere landen bijstaan zijn een minstens zo belangrijke exponent van deze doctrine.

Als gevolg van naar binnen gekeerde politiek werd de poging – of beter gezegd: de plicht – een deel van de eigen kennis en welvaart te delen met anderen al langer verwaarloosd. Nederland is een voorbeeld: ontwikkelingshulp is telkens een bezuinigingspost gebleken. Onze ambassades zijn versmald tot handelsposten die zich primair bezighouden met wat goed is voor het verdienvermogen van de BV Nederland. Partijen die nog wel in hulp geloofden mochten een bewindvoerder leveren, maar alleen als die de met winstbejag doorklonken titel ‘minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking’ zou dragen. Ergens is vast een rechtse formatieonderhandelaar nog altijd trots op het voor elkaar krijgen van die specifieke volgorde.

Het feit dat ontwikkelingshulp vaak uitzichtloos is, soms tot corruptie leidt en dat oorlog voeren en opbouwen door elkaar zijn gaan lopen, dreigt nu te leiden tot nog verdere blikvernauwing. ‘Nation-building’ is hard op weg een besmette term te worden. Er gaat ook veel mis in dat proces. Inderdaad wortelt het in de negentiende-eeuwse aanname dat land A kan voorschrijven aan land B hoe het moet. Geduld, een poging tot begrijpen – iets wat iemand als Thubron hoopt voor elkaar te krijgen met zijn boeken – en bereidheid te accepteren dat middelen verspild zullen worden, zijn deugden die de afgelopen decennia onvoldoende geoefend zijn.

Maar natievorming eraan geven, omdat een supermacht een buitenlandse oorlog heeft verklooid, zou een verkeerde gevolgtrekking zijn. Het klinkt wijs te waarschuwen tegen hoogdravende internationale ambities. In de praktijk zal het betekenen dat de horizon voor de zwakkeren in de zwakkere landen nog smaller wordt.