Nationaal belang

Niets ten nadele van A.F.Th. van der Heijden, maar een chroniqueur van een tijdgeest heb ik hem nooit gevonden. Slag om de Blauwbrug, Advocaat van de hanen, titels die zó naar de jaren tachtig klinken maar wat mij betreft diezelfde jaren tachtig toch ten enenmale ontspringen. En dat bedoel ik positief. Oké, Advocaat van de hanen gaat over de dood van een kraker in een politiecel na een ontruiming, en bevat gedetailleerde beschrijvingen van types die toentertijd het Amsterdamse straatbeeld bepaalden: krakers, punks, junks en sannyasins. Maar op die manier zou Middlemarch van George Eliot een studie van het Engelse dorpsleven aan het begin van de negentiende eeuw zijn, met kleine lieden die zich druk maken over de eerste treinen en de dood van koning George IV. Een beetje schrijver wortelt zijn drama in een specifiek en daarmee herkenbaar decor, wat niet wegneemt dat het duidelijk is waar het in de roman echt om gaat. In Middlemarch om het drama van de vrouw, Dorothea in dit geval, die in doorgeschoten droogstoppel Casaubon haar intellectuele meerdere denkt te hebben gevonden. In Advocaat van de hanen om de neergang van de periodiek drinkende advocaat Ernst Quispel, gevangene van zijn gezinsleven en van zijn vrouw Zwanet, op wie hij pas verliefd wordt als zij verliefd blijkt op een ander, haar jeugdliefde. De rest is decor.
Afgelopen week verscheen Kruis en kraai: De romankunst na James Joyce, waarin Van der Heijden uit de doeken doet hoe hij in zijn werk voortborduurt op wat hij het beste vindt aan de romankunst van de vorige eeuw. Zijn opstel vormt de aftrap van een essayistische reeks ‘Over de roman’ die in alles – presentatie, begeleidende persberichten, statuur van het Comité van Aanbeveling – überhaupt een Comité van Aanbeveling – uitstraalt dat we hier met een kwestie van nationaal belang te maken hebben. Om de ernst van de zaak nog eens te onderstrepen, staat in het colofon achter in Kruis en kraai te lezen dat de essayreeks beoogt ‘het prestige en de positie van de roman te bevorderen in de multimediale en multiculturele samenleving’.
Allemaal mooi en belangrijk, al wist ik niet dat er iets tanende was aan het prestige en de positie van de roman, maar ook om onmiddellijk lichte buikpijn van te krijgen. Het punt met romans is dat ze misschien wel beter gewoon geschreven kunnen worden. Dit punt drong zich des te sterker op bij de presentatie van Kruis en kraai, waar twee redacteuren van de reeks, Oek de Jong en Marjolijn Februari, in gesprek gingen met Van der Heijden. Hoe lang is het geleden dat Hokwerda’s kind verscheen, begon ik onwillekeurig te denken toen De Jong zijn boekenkast omver bleek te hebben getrokken en de ene na de andere looiige definitie van ‘de roman’ de zaal in slingerde. Daar trad het eeuwige driemanschap weer aan: Nabokov, Coetzee, Kundera. De roman is het laatste observatorium van waaruit we het leven in zijn geheel kunnen overzien, citeerde De Jong met overslaande stem Kundera.
Vervuld van weemoed en één prangende gedachte, nou ja, twee misschien, verliet ik de zaal: je kunt niet jong genoeg met schrijven beginnen. Jong en onverdroten. Ooit schreef Oek de Jong, de jaren tachtig stonden op uitbreken, de roman Opwaaiende zomerjurken, en hij veranderde ons leven. We lazen het even gretig als Over het existentialisme van Sartre in die rare roze zwarte-beertjesuitgave. Ook De Jong schreef over gevoel en verstand, over keuzes en vrijheid, maar verbeeldde dat allemaal in een personage van vlees en bloed, Edo Mesch genaamd. Zo nabij en tegelijkertijd magisch verwoord dat het een vreemde sensatie was om de schrijver gewoon ’s nachts over de barricaden in de Amsterdamse Vondelstraat te zien stappen, aan de vooravond van de ontruiming van een kraakpand aldaar.
Wat dat betreft had de reeks ‘over de roman’ niet met een pregnanter essay dan dat van Van der Heijden kunnen beginnen. Een schrijversleven lang dreigt hij te bezwijken onder het werken aan Het Onmogelijke Boek. Hoezeer schrijverschap en megalomanie in een constant gespannen verhouding tot elkaar staan, en hoezeer het zaak is de ambities behapbaar te houden, misschien ook maar niet allemaal uit te spreken: daarover gaat Kruis en kraai. Als iets de roman dan toch moet bedreigen, dan is het misschien wel de schrijver zelf.