Nationaal succes

TACHTIG JAAR GELEDEN kwam er een droevig einde aan een van de meest geslaagde, meest liberale, meest verlichte Europese keizerrijken. Nadat het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije uiteengereten was, restte er een wrokkige Oostenrijkse romp, omringd door jonge nationale staten, elk met een eigen versie van etnisch nationalisme, grotendeels in de negentiende eeuw verzonnen op basis van diverse mythen en legenden. Wenen veranderde in een pompeuze keizerlijke hoofdstad zonder keizerrijk. Aanleiding tot dit einde was de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Het keizerrijk was echter al een hele tijd eerder een afbrokkelend, vervallen bouwsel geworden. In de laatste jaren dat het bestond, heeft het een schitterende generatie van satirici, musici, toneelschrijvers, droomuitleggers en dromers voortgebracht, mensen die leden aan een wisselende mate van waanzin, onder wie één beruchte middelmatige schilder van prentbriefkaarten.

De gedenkdag van de ineenstorting van Kakania (zoals Robert Musil zijn geboorteland noemde) is een goede gelegenheid om nog eens na te denken over het karakter van nationale staten. Hoe zijn die geconstrueerd? Wat houdt ze bij elkaar? Wat is hun ideale vorm? En waardoor worden ze gevaarlijk? Zonder nationalisme zouden we geen democratie hebben gekregen. Maar nationalisme van een dodelijke soort is ook de oorzaak van moord op miljoenen mensen geworden. Om de vorming van twintigste-eeuwse nationale staten na te gaan, moeten we minstens teruggaan tot het begin van de negentiende eeuw, toen veel van deze staten zijn ontstaan. Toen Lodewijk van Beieren in 1830 het Walhalla bouwde, zijn neoklassieke tempel van de Duitse eenheid in de buurt van Regensburg aan de Donau, had hij een duidelijk idee van nationaal bewustzijn. Voor een Nederlandse bezoeker is een bezoek aan dat Walhalla nogal verontrustend. Tot de nationale helden, die op klassieke wijze, als Romeinse borstbeelden, in het Walhalla zijn geplaatst, behoren de gebruikelijke dichters en denkers van het Duitse taalgebied: Goethe, Kant, Herder en, als een soort naoorlogse verzoening, Albert Einstein. Men vindt daar ook, zoals te verwachten was, een aantal Duitse militaire helden. Maar ook zijn daar - en dat is onthutsend voor een Hollander - Nederlandse volkshelden opgenomen, zoals admiraal Tromp, Hugo de Groot en de Vader des Vaderlands in eigen persoon, Willem de Zwijger. Voor Lodewijk, evenals voor elke Duitse patriot van die tijd, én van later tijden, was de plaatsing van Nederlandse historische figuren in een Duitse tempel heel vanzelfsprekend. Nationaal bewustzijn was in de eerste plaats gebaseerd op taal, en een gemeenschappelijke verering van helden en dichters die die taal spraken. Nederlands is een tak van de Duitse boom. Dus behoren Nederlandse helden zich thuis te voelen in het Walhalla. En toch werd die gedachte van nationaal besef, die ontwikkeld was in reactie op de terreur van Napoleon, door de Nederlanders niet gedeeld. De Nederlandse staat was namelijk niet ontstaan uit culturele romantiek, maar uit prozaïsche instellingen die waren ontstaan tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje. Geen van de grondleggers van Nederland was dichter. De belangrijkste was een rechtsgeleerde. IK MOEST AAN het Walhalla denken toen ik in een tweedehands boekwinkel in Amsterdam een merkwaardig boekje vond, getiteld Het gezicht van de Nederlanden. Het was in 1943 uitgegeven, en geschreven door een zekere Ernst Leutheusser, SS-Obersturmführer, als gids voor SS-officieren die tijdens de oorlog in Nederland gestationeerd waren. Het is niet eens een onsympathiek gidsje. Integendeel. Leutheusser benadrukt de broederlijke relatie van twee Noordse volkeren. De historische aard van die relatie wordt door de SS-Obersturmführer als volgt verklaard. Eigenlijk bestaat Nederland uit twee delen, schrijft hij. Aan de ene kant heb je de authentieke, oostelijke helft van het land, grotendeels boerenland, grenzend aan Duitsland en bewoond door mensen van degelijke Saksische afkomst, die het gevoel hebben deel uit te maken van Europa omdat Europa als het ware in hun bloed zit. Aan de andere kant heb je het westelijk kustgebied met zijn steden, overheerst door kooplieden die de blik op Groot-Brittannië en de oceanen gevestigd houden, op de uitkijk naar mogelijkheden om zich door handel te verrijken. Dat is de ‘ontwortelde’ (entwurzelte) helft van het land, waar handelaars en patriciërs zich tegen hun Europese wortels hebben gekeerd. Helaas heeft hun 'materialistische bourgeois-kapitalistische mentaliteit’ (materialistische, bürgerlich-kapitalistische Gesinnung) de rest van Nederland besmet, waardoor deze staat is vervreemd van Europa. Maar we kunnen gerust zijn, want onder de welwillende voogdij van het Derde Rijk zou dat allemaal spoedig worden rechtgetrokken. Toen ik dat nazi-document las, voelde ik me merkwaardig geroerd; de ontwortelde vijand die daar beschreven wordt, is precies het Europa waarmee ik me kan identificeren. En dat blijft bepaald niet beperkt tot Nederland. Men kan een historische boog trekken, van de Baltische staten naar de hanzesteden van Noord-Duitsland en dan helemaal naar het zuiden, via de Britse eilanden en de Nederlandse kust, naar Lissabon; een boog met tal van havens en grote handelssteden, bewoond door mensen van allerlei verschillende overtuigingen en van allerlei rassen, vol argwaan tegenover bureaucratisch gezag en aristocratisch despotisme. Voorbij die steden, in oostelijke richting, ligt het continentale achterland, waar de twee stromen van bloed en bodem grote romantische poëzie hebben voortgebracht, evenals een geschiedenis vol meedogenloos geweld. Ik wil hiermee niet toegeven aan de dierbare nationale sport van Nederland: de Duitsers herinneren aan hun schuld in oorlogstijd; ik wil me hier verdiepen in zeer uiteenlopende denkbeelden over nationaal bewustzijn. Het ene denkbeeld benadrukt de etnische identiteit (die grotendeels mythisch van aard is, maar wel heel krachtig), taal, cultuur, poëzie, geschiedenis en romantische gevoelens over het land. Het andere is gebaseerd op politieke instellingen. Beide ideeën hebben tot excessen geleid. Ze kunnen beide goedaardige en kwaadaardige vormen aannemen. En ze bestaan vaak naast elkaar. Dat wil zeggen: het nationalisme van elk volk vertoont zowel romantische als constitutionele, politieke elementen. De vraag is: waar hechten we meer belang aan - aan cultuur, of aan gemeenschappelijke politieke instellingen? In één belangrijk, maar misschien niet zo voor de hand liggend opzicht had die SS-Obersturmführer gelijk. Steden die van handel leven, verzetten zich vaak tegen de romantiek van bloed en bodem, want handel is niet kieskeurig: je drijft handel met iedereen die kan betalen. Je moet gemeenschappelijke regels hebben, of wetten, om te voorkomen dat je bestolen wordt. En omdat handel draait om eigenbelang, heb je ook behoefte aan een zekere mate van burgerlijke vrijheid. Dat is niet poëtisch, en ook niet verheven, en het getuigt al evenmin van diepgaande beschaving, maar zo komen liberale instellingen tot stand. Zoals Voltaire zegt in de Dictionnaire philosophique: 'Vrij zijn wil zeggen: uitsluitend afhankelijk zijn van wetten.’ Voltaire had bewondering voor handelaars. Die pasten in zijn Verlichtingsdenken over de natie als rationele gemeenschap. In de tijd dat hij in Engeland woonde, van 1726 tot 1729, bewonderde hij bovenal de Londense beurs waar, zo zei hij, joden, christenen en moslims samen zaken deden alsof ze allemaal 'dezelfde godsdienst beleden, en waar het woord ongelovige alleen voor bankroetiers werd gebezigd’. De gedachte van de natie als gewortelde, organische, natuurlijke gemeenschap is aantrekkelijker voor de bewoners van landelijke gebieden. Landbouw en veeteelt zijn nu eenmaal gebonden aan een gevoel van continuïteit, landschap en traditie. Handelaars zijn mobiel, boeren blijven op het land. Wat Nederland betreft is het inderdaad waar dat de bevolking in de oostelijke provincies de kuststeden, en met name Amsterdam, vaak zag als poelen van ontucht en ontworteling. Of de Nederlandse plattelanders zich daardoor meer Europees voelden, zoals Leutheusser dacht, is een andere kwestie. Ik betwijfel of de meesten vaak diep nadachten over de wereld buiten hun eigen dorp. IK BEN IN NEDERLAND geboren, als zoon van een Nederlandse vader en een Britse moeder. Misschien komt het door mijn wortels in twee naties dat het mij ontbreekt aan een romantische visie op de nationale staat. Hoewel ik toevallig in Groot-Brittannië woon, een land waar de bewoners officieel geen burgers zijn maar onderdanen van Hare Majesteit de Koningin, zie ik de nationale staat niet als bron van poëzie, maar als bron van instellingen die de rechten en vrijheden van de burgers beschermen. Ik vind constitutioneel patriottisme (Verfassungspatriotismus) sympathieker dan andere vormen van patriottisme. Dat wil echter niet zeggen dat de rationalisten van de Franse Verlichting en de daaropvolgende revolutie volkomen gelijk hadden, en dat de nationalistische dichters en geschiedschrijvers, zoals Herder, volkomen ongelijk hadden. Hoewel er naties bestaan zonder staat, is er geen staat zonder een of meer naties. En naties hebben een geschiedenis en een cultuur. Wat Herder niet aanstond bij de Franse philosophes was de gedachte dat men een rationele blauwdruk zou kunnen maken voor de organisatie van de maatschappij die overal gebruikt kon worden, als universele oplossing voor de condition humaine. Het probleem met dat Franse model was niet alleen het arrogante universalisme, maar ook de denkfout die erachter zat. De grande nation die was voortgebracht door de Franse Revolutie was meer dan een combinatie van instellingen die individuele rechten en vrijheden waarborgde. In sommige opzichten stond de grande nation zelfs vijandig tegenover individuele vrijheden. De jakobijnse staat is een uitgewerkte expressie van Rousseau’s gedachte van de wil des volks. Rousseau had zich zeer minachtend uitgelaten over de Britse partijenpolitiek, omdat partijen specifieke belangen vertegenwoordigen, belangen die de wil des volks afzwakken. Omdat de wil des volks alle specifieke belangen te boven ging, was het helemaal niet erg als de staat autoritair was, uit naam van de democratie. En omdat de Franse staat als uitzonderlijk rationeel werd beschouwd, was het niet meer dan logisch dat hij als model zou dienen voor de rest van de mensheid. Napoleon heeft dat idee in de praktijk gebracht, niet altijd met rampzalige gevolgen - er waren nog vrijheidsgezinde elementen over van de Franse Revolutie. Maar toen datzelfde idee meer dan honderd jaar later in de praktijk werd gebracht, uit naam van het communisme, is het steeds even rampzalig afgelopen. Een van de dingen die alle communistische staten gemeen hadden, was dat de culturele diversiteit van de volken alleen in folklore tot uitdrukking kwam: officiële demonstraties van volksdansen, volkszang, folkloristische kostuums en allerlei andere dingen van het 'volk’. Het ideaal van het sovjetimperium, en ook dat van het hedendaagse China, was dat alle volken, ongeacht hun geschiedenis, taal of cultuur, op dezelfde manier geregeerd werden, namelijk door het communistische systeem; cultuur was een decoratief aspect. Het resultaat was de dood van de cultuur, inclusief de volkscultuur. In China stemt niets de toeschouwer zo treurig als het schouwspel van volken die tot 'nationale minderheden’ behoren, en die gekleed in hun 'nationale klederdracht’ door Peking marcheren. Dat wil echter niet zeggen dat mensen die verschillende talen spreken, of in verschillende goden geloven, niet door dezelfde regering vertegenwoordigd kunnen worden. Nationalisten als Margaret Thatcher gebruiken vaak de ineenstorting van het sovjetimperium om te waarschuwen tegen Europees federalisme: dat is wat er gebeurt, zeggen ze, als je verschillende naties dwingt onder één politiek dak te wonen. Dan vergeten ze dat het sovjetsysteem niet alleen nationale culturen had gereduceerd tot folklore, maar ook mensen van hun vrijheid had beroofd. Er is geen reden waarom verschillende volken niet goed zouden gedijen als ze geregeerd worden door gemeenschappelijke instellingen die hun vrijheden en individuele rechten beschermen. Maar het zou dwaasheid zijn als men beweerde dat dit probleemloos gerealiseerd kan worden. Een kenmerk van een vrij land is het recht van minderheden om te leven volgens hun eigen tradities. Maar wat doet men in gevallen dat die tradities ingaan tegen de wetten van de meerderheid? Mogen moslimmannen in een Europees land meer dan één echtgenote hebben? Als de staat zich tot doel stelt één gemeenschappelijk waardensysteem op te leggen aan al zijn burgers, dan wordt dat een probleem. Door de jakobijnse tradities geldt dit eerder voor Frankrijk dan voor Groot-Brittannië. In een liberale staat zou het echter mogelijk moeten zijn dat de culturele en religieuze rechten van minderheden door de wet beschermd worden. Een van de manieren om dat te verwezenlijken is het gewoonterecht (aangaande huwelijk, religie enzovoort) te scheiden van het burgerlijk recht. Het beste voorbeeld van een multiculturele, meertalige en multi-etnische staat is India. Moslims en andere minderheden in India beschikken inderdaad over speciale wettelijke rechten. Moslims kunnen ervoor kiezen te huwen volgens islamitisch gewoonterecht. Die wetten maken geen deel uit van het Indiase burgerlijk recht, want dat is niet religieus gebonden. Deze oplossing is echter niet volmaakt. Gewoonterecht wordt door conservatieve geestelijken misbruikt om strenge opvattingen op te leggen aan mensen die te weinig ontwikkeling hebben of te zwak zijn om zich te verzetten. Moslimvrouwen bijvoorbeeld kunnen met gemak gedwongen worden tot een ongewenst huwelijk. Bovendien ergert de toepassing van juridische uitzonderingen personen uit de meerderheidsgroep, en dat kan politieke onrust veroorzaken. Hoewel hindoes hun eigen gewoonterecht hebben, is de 'speciale behandeling’ van moslims een kernpunt geworden waaromheen de BJP, de hindoeïstische nationalistische partij, zich heeft verzameld. De BJP wil het gewoonterecht afschaffen; ze zegt dat India een hindoestaat is. Herder - en Margaret Thatcher - zou zeggen dat dat vanzelfsprekend is: de culturele meerderheid eist de nationale identiteit op. Maar: zodra de BJP de kans kreeg de heersende partij in India te worden, heeft ze het merendeel van haar pro-hindoeretoriek laten vallen teneinde stemmen te werven onder minderheden. Democratie bleek sterker dan cultureel chauvinisme. ZIJN DEMOCRATISCHE INSTELLINGEN als zodanig voldoende om een staat bijeen te houden? Het Indiase voorbeeld toont aan dat een liberale staat veel volken kan omvatten, mensen met verschillende culturen, talen en godsdiensten. Maar hoewel een staat uit verscheidene naties kan bestaan, zijn er geen voorbeelden van geslaagde staten zonder een overheersende taal, cultuur of godsdienst. India is geen hindoestaat, maar men kan zich India onmogelijk voorstellen zonder hindoeïsme. De Verenigde Staten zijn, net als Frankrijk, gebaseerd op een politiek ideaal dat als universeel wordt gepresenteerd, en dus ook als geschikt voor export wordt beschouwd. Het is echter een liberaal, en geen jakobijns ideaal: de vrijheid om te streven naar individueel geluk. Iedereen kan, onafhankelijk van ras, geloof of cultuur, Amerikaans staatsburger worden. De enige trouw die van Amerikaanse staatsburgers wordt gevraagd is trouw aan de grondwet, een zuiver voorbeeld van constitutioneel patriottisme. Maar zelfs de Verenigde Staten hebben een overheersende taal, het Engels, een dominante godsdienst, het christendom, en de politieke cultuur is gebaseerd op Britse tradities. Hoe belangrijk is dat? Per slot van rekening emigreren mensen uit de hele wereld niet naar de Verenigde Staten om christen te worden of Engels te leren. Ze trekken erheen omdat ze vrij willen zijn, ze willen geld verdienen en streven naar dat ongrijpbare geluk. Maar om die wensen te vervullen moeten ze over het algemeen toch weer Engels leren. En hun kinderen nemen gewoonten en waarden over die zichtbaar Amerikaans zijn. Het lijkt er dus op dat een vrij land twee dingen nodig heeft: liberale politieke instellingen en een overheersende taal of cultuur. Wat níet nodig is, dat is een overheersend ras, een overheersende etnische groep. Groot-Brittannië is een interessant voorbeeld. Net als India is het een staat die is samengesteld uit een aantal naties: Engelsen, Ieren, Schotten en Welshmen. Onder de onderdanen van Hare Majesteit bevinden zich mensen van allerlei verschillende godsdiensten: christenen, hindoes, joden, moslims, boeddhisten enzovoort. Groot-Brittannië kent ook verschillende vormen van nationalisme. Je hoeft maar een voetbalwedstrijd tussen Engeland en Schotland te bezoeken om dat nationalisme actief aan het werk te zien. Bovendien zal de culturele en etnische diversiteit van Groot-Brittannië opvallen aan iedereen die Londen bezoekt. Toch overheerst de Engelse cultuur nog zozeer dat veel Engelsen geen verschil maken tussen Groot-Brittannië en Engeland. Groot-Brittannië is een politieke expressie van nationaal bewustzijn; Engeland is de culturele en historische variant daarvan. Maar voordat Groot-Brittannië als staat kon optreden, hebben de diverse nationale en etnische componenten zich moeten aanpassen aan de Engelse cultuur - of ze moeten op zijn minst Engels spreken. Het Amerikaanse idee van aanpassing aan de heersende cultuur is de 'smeltkroes’. Dat is iets anders dan het Indiase ideaal, dat vaak beschreven wordt als een 'slakom’. Die smeltkroes is natuurlijk een sprookje. De verschillende beschavingen die erin terechtkomen, lossen niet op tot een nationale soep. Maar sommige sprookjes zijn bruikbaarder dan andere. Dit sprookje heeft het voordeel dat het alomvattend is. Het sluit niemand buiten op grond van ras of cultuur. De grootste hinderpaal voor de vestiging en het functioneren van een liberale staat is dat men etniciteit en nationaliteit door elkaar haalt. In Duitsland (althans tot de nieuwe regering de wet wijzigt) wordt iemand die in Berlijn geboren is, met Turkse grootouders, als minder Duits beschouwd dan een Russisch sprekend persoon uit Kaliningrad die toevallig een grootvader heeft gehad die in de Wehrmacht diende. Duitsland is niet het enige land dat last heeft van het etnische idee van nationaal bewustzijn. In theorie is het mogelijk dat een blank of zwart persoon de Japanse nationaliteit krijgt, maar de Japanners kunnen nog steeds geen onderscheid maken tussen nationaliteit en etnische origine. Iemand die in Japan geboren is, en niets anders spreekt dan Japans, maar wiens overgrootouders Koreanen waren, wordt nog steeds niet als Japanner beschouwd. Mensen van allerlei ras zijn officieel staatsburger van de Volksrepubliek China, maar Chinees-zijn wordt nog steeds gezien als een culturele, nationale en etnische kwestie. Een man wiens grootouders China hebben verlaten om naar San Francisco, Amsterdam of Kuala Lumpur te vertrekken, kan zichzelf nog steeds als Chinees beschouwen, al spreekt hij misschien geen Chinees meer. HET PROBLEEM MET etnisch nationalisme is dat het mensen op biologische gronden uitsluit van gedeelde nationaliteit. Daardoor is het vrijwel onmogelijk immigranten op te nemen, omdat zelfs het idee van immigratie nauwelijks erkend wordt. De geschiedenis van Berlijn - oorspronkelijk een stad met een bevolking die grotendeels uit immigranten bestond - toont aan dat dat niet altijd zo geweest is. Tegenwoordig echter is het zo dat buitenlanders die willen immigreren naar Duitsland of Japan, en zelfs naar de meeste Europese landen, die landen alleen kunnen binnenkomen als asielzoekers; en als duidelijk wordt dat ze zijn gekomen omdat ze een beter economisch leven willen leiden, worden ze beschuldigd van bedrog of criminaliteit. In werkelijkheid is economisch eigenbelang, zoals de ervaring in de Verenigde Staten aantoont, vaak een goede basis voor loyaal staatsburgerschap. Maar dat is niet aanvaardbaar - en misschien zelfs onvoorstelbaar - voor mensen die hun idee van nationaal bewustzijn baseren op cultuur en ras. Vanuit het standpunt van etnische nationalisten heeft liberalisme steeds een bijsmaak van hebzuchtig eigenbelang. Omdat liberale instellingen streven naar culturele en etnische neutraliteit, worden ze als oppervlakkig en materialistisch beschouwd. Zo zagen veel negentiende- en twintigste-eeuwse Duitse nationalisten Groot-Brittannië en het Britse imperium - en zo kijken veel mensen tegenwoordig naar de Verenigde Staten. Het Britse imperium was voortgekomen uit handel; het Duitse imperium zou zijn gebaseerd op Kultur. Richard Wagner bijvoorbeeld heeft gezegd dat het Britse imperium slechts 'de kassa van een handelaar’ was, terwijl het Duitse imperium de wereld zou veredelen met de Duitse 'Geist’. Keizer Wilhelm II was van mening dat oude imperia werden ondermijnd door 'universalisme’. Het wezen van de natie, zo zei hij, was 'zelfdefinitie tegen de achtergrond van andere naties, overeenkomstig nationaal karakter en unieke raciale kenmerken’. Etnisch nationalisme koestert de gedachte van de staat als nationale familie, met een autoritaire grootvader aan het hoofd. Gehoorzaamheid aan politiek gezag wordt afgedwongen als culturele of zelfs raciale waarde. Dat smoort de discussie en verhindert het ontstaan van democratie. Mensen die kritisch staan tegenover communistische regimes zijn vijanden des volks, maar mensen die kritisch staan tegenover autoritaire regimes in China, Japan of het vooroorlogse Duitsland, zijn vijanden van het ras. Zelfs dissidenten kunnen last hebben van cultureel en raciaal bepaalde ideeën over politiek. In het geval van China zijn ze vaak minder geïnteresseerd in de vraag of bepaalde denkbeelden vrijheid zullen brengen dan in de vraag of die denkbeelden wel Chinees genoeg zijn. En waarmee confronteert dat ons in deze tijd, met dat grootse Europese project? Dat confronteert ons met een puinhoop. De aspiratie van de Europese eenwording heeft zich na de Tweede Wereldoorlog namelijk ontwikkeld uit de desillusie over de nationale staat. De eerste architecten van de Europese eenheid waren ervan overtuigd dat Europa tot tweemaal toe bijna vernietigd was door nationalisme; alleen een verenigd Europa zou het nationalisme kunnen vernietigen. In de destructieve macht van nationalisme hadden ze zich niet vergist. Het probleem is echter dat het medicijn dat zij voorschreven even gevaarlijk kan zijn als de ziekte die het moest bestrijden. De grootste mislukking van de nationale staat, en dus ook de grootste desillusie aangaande de instellingen van die staat, heeft zich voorgedaan in Duitsland. De Duitsers, daarover is men het meestal wel eens, hebben hun lesje geleerd van de nazi-catastrofe. Voortaan zouden de Duitsers goede Europeanen zijn. De schok van de nederlaag was zelfs zo groot dat veel Duitsers alles liever wilden zijn dan Duitsers. De ironie wil echter dat de schaamte over het Duitser-zijn vaak gekoppeld is aan het soort etnisch nationalisme dat die catastrofe had veroorzaakt. Als je gevoel van nationale identiteit namelijk cultureel en etnisch bepaald is, dan zul je eeuwig de schuld van je voorouders moeten dragen. Het zit in je bloed. De gedachte van een verenigd Europa bood een mogelijkheid om te ontsnappen aan het Duitser-zijn. Deze toevlucht voor Duitsers was echter een Europa dat grotendeels was geconstrueerd door Franse constitutionele architecten, doortrokken van rationalistische Franse tradities. Dat is de reden waarom er zulke spanningen ontstaan met Groot-Brittannië, een land dat een andere nationalistische traditie heeft, gebaseerd op etniciteit noch op universalistische idealen, maar op politieke instellingen die volgens de meeste Britten de meest democratische ter wereld zijn. (Dat is een twijfelachtige stelling, maar de meeste Britten geloven erin.) Dus terwijl de Duitsers het gevoel krijgen minder Duits te zijn door deel uit te maken van een verenigd Europa, krijgen de Britten juist het gevoel daardoor minder vrij te worden. Dit zal ongetwijfeld tot enkele onaangename reacties leiden, en niet alleen in Duitsland en Groot-Brittannië. De EU is namelijk niet democratisch, en vertoont al evenmin culturele samenhang. Met andere woorden: van de combinatie van liberale instellingen en een overheersende taal of cultuur is daar geen sprake. Eerder heb ik geredeneerd dat eigenbelang loyale staatsburgers oplevert, en dat handel een goede grondslag voor liberale instellingen is, dus je zou denken dat een federaal Europa juist ideaal zou zijn voor de Europeanen die SS-Obersturmführer Leutheusser het meest verafschuwde: ontwortelde handelaars, van de Oostzee tot aan Lissabon. Is de EU immers niet gegrondvest op economische belangen? En inderdaad zien veel zakenlieden heel wat in de EU. En Brusselse bureaucraten doen hun best de Europese handel meer efficiënt te maken. Maar in werkelijkheid worden economische beslissingen gedicteerd door politieke doelstellingen, gedreven door goedbedoelende leidslieden die er nog steeds van overtuigd zijn dat het zonder Europese eenheid tot oorlog zal komen. Maar Europese eenheid zonder Europees staatsburgerschap is zinloos. En zonder een democratische Europese regering kan Europees staatsburgerschap niet bestaan. Vanuit de ruïnes van twee wereldoorlogen zijn we terechtgekomen in iets wat een natie noch een staat is, maar wat heel gemakkelijk een ondermijnend effect zou kunnen hebben op de politieke instelling die heel wat meer succes heeft gehad dan het liberale imperium waarmee we zijn begonnen: de liberale nationale staat. © New York Times Syndicate. Vertaling: Tinke Davids