Navelstaren naar Srebenica

Nationale zelfkastijding

De commissie-Bakker evalueert het Nederlandse aandeel in de Srebrenica-catastrofe. Het navelstaren neemt bizarre vormen aan.

In zijn boek Labiele vrede, dat verscheen in de herfst van 1995, schreef Joris Voorhoeve: «Niet alleen de Veiligheidsraad maar ook de lidstaten doen er goed aan bij vredesoperaties eerst advies van militaire deskundigen in te winnen om de uitvoerbaarheid te toetsen. Als alleen de wensen van de politiek en de diplomatie tellen en de krijgskundige aspecten buiten beschouwing blijven, kunnen gemakkelijk onuitvoerbare mandaten worden vastgesteld. Militairen worden dan opgezadeld met onmogelijke opgaven die tot tragische mislukkingen leiden» (cursivering - jv). Menige commentator moet bij het lezen van Labiele vrede ongelovig met de ogen hebben geknipperd. Was dit dezelfde Voorhoeve die verantwoordelijk was voor het Nederlandse aandeel in de Srebrenica-catastrofe? In een bestek van driehonderd pagina’s gaf de minister van Defensie en gewezen Clingendael-directeur een glasheldere analyse van de internationale situatie sedert de val van de Berlijnse muur. In plaats van een Nieuwe Wereldorde bestond er een «laagontwikkeld, wanordelijk politiek stelsel» waarin diplomatieke zwartrijders en militaire zakkenrollers vrij spel hadden. Welwillende staten konden slechts moeizaam en met behulp van een flinke dosis scepsis enige verbetering in de toestand brengen. Vredesoperaties moesten plaatsvinden onder Confucius’ motto: «Hebt uw vijanden lief, maar wees ze een stap voor.» Zelfs een duidelijk internationaal mandaat was niet voldoende voor een vredesmacht, hoe sterk ook, om bevredigend te kunnen opereren: «Als bij de landen die tot de oplossing van het conflict willen bijdragen geen consensus bestaat over de voorwaarden waaronder zulks mogelijk is, kan een vredesoperatie op een nachtmerrie uitlopen.» Misschien is het wel goed dat Voorhoeve na de val van Srebrenica niet is afgetreden. De afgelopen vijf jaar heeft menigeen zijn hoofd geëist, ofwel omdat hij gedurende die omineuze zomer fouten zou hebben gemaakt, ofwel omdat hij had gepoogd de fouten van anderen toe te dekken. Hooguit gunde men hem het voordeel van zijn doctorstitel; de «tragische professor» (de Volkskrant) was te veel academicus om krachtdadig op te treden - een standpunt dat afgelopen zaterdag nog werd verkondigd door geschiedenishoogleraar Maarten Brands. Maar die redenering kan ook worden omgedraaid: als de nuchtere analyticus Voorhoeve de situatie niet meester kon worden, kon niemand dat. Voorhoeves optreden voor de commissie-Bakker bevestigt die indruk; hij beet zich niet vast in andermans falen, in verdwenen brieven of ontbrekende richtlijnen. Anders dan de schutterige Ter Beek of de hoogneuzige Van den Broek bracht hij het ware dilemma onder woorden: door Dutchbat uit te zenden had Nederland zichzelf in een onmogelijke positie gebracht. De getuige Voorhoeve was een levend bewijs voor de stelling van de Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr dat staten anders handelen dan mensen en dat goede bedoelingen in de politiek gemakkelijk in hun tegendeel verkeren. Ondanks de rampzalige afloop van de episode-Srebrenica blijkt deze waarheid voor veel Nederlanders moeilijk te verteren. Toch dient een echte evaluatie uit te gaan van dit ervaringsfeit: fouten, vergissingen en misleiding zijn inherent aan elke bureaucratische organisatie. Je kunt ze niet voorkomen, dus moet je er bij het maken van beleid rekening mee houden. Volgens de bestuurskundige Drea Berghorst, die onderzoek deed naar de Nederlandse besluitvorming rond Srebrenica, is de affaire «een even leerzaam als tragisch voorbeeld van wat er mis kan gaan wanneer onzorgvuldigheid, politiek opportunisme en een stuitend gebrek aan internationaal-politiek besef de besluitvorming domineren ». Diezelfde omschrijving is echter van toepassing op alle mislukkingen in de moderne internationaal-politieke arena, van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog tot en met de Amerikaanse operatie Restore Hope in Somalië. Welke lering moet een klein land als Nederland, dat anderen niet de wet kan voorschrijven, daaruit trekken? De commissie heeft een ruime opdracht: de besluitvorming rond de Nederlandse deelname aan vredesoperaties onderzoeken en evalueren. Natuurlijk moet de commissie proberen de politieke verantwoordelijkheid voor blunders vast te stellen; zelfreinigend vermogen is essentieel voor het functioneren van een democratie. Maar hopelijk blijft het eindrapport nu eens niet steken op het niveau van brief zus en filmrolletje zo. Voor toekomstige besluitvorming maakt het niet uit welke bewindslieden fouten hebben begaan, maar welke fouten doorslaggevend waren voor de mislukking van het beleid. Het is niet voldoende vast te stellen dat een brief van Defensie niet in New York is aangekomen, dat een telefoontje van generaal Janvier met president Chirac het lot van de enclave bezegelde of dat de militaire kapel in Zagreb een toontje lager had moeten blazen. Het gaat om de beoordelingsfouten waardoor Dutchbat in die onmogelijke situatie terechtkwam. De Kamerleden, commentatoren en deskundigen die destijds aandrongen op een snelle inzet van Dutchbat, hebben evenveel reden tot zelfonderzoek als de betrokken ministers. Commissievoorzitter Bakker heeft het met zoveel woorden gezegd in diverse interviews: «Nederland wil zó graag vrede stichten.» Nederland zat destijds in de «kopgroep» van landen die hard wilden optreden in Bosnië, aldus oud-minister Van den Broek. Op 22 mei 1993 aanvaardde de Kamer unaniem de motie-Van Traa/Van Vlijmen waarin de regering werd verzocht de luchtmobiele brigade gereed te maken voor uitzending naar Bosnië. Naar de haalbaarheid van uitzending werd niet gevraagd. Die haalbaarheid werd doodleuk van de minister van Defensie geëist: de krijgsmacht moest zich in vredestijd bewijzen. De militaire top, die beschikte over uiterst summiere informatie over de situatie ter plaatse, kon de «eervolle, niet eenvoudige, maar uitvoerbare opdracht» niet weigeren zonder het omen van ontrouw aan de democratie op zich te laden. Toch ligt daar niet de voornaamste oorzaak van de ramp. «De grondfout», aldus Voorhoeve in een toespraak in 1996, «ligt in de halfslachtige besluiten van de Veiligheidsraad, die per resolutie veilige gebieden instelde zonder helder politiek doel en zonder dat de leden daar de militaire middelen voor ter beschikking stelden. Er was geen militair concept met een afschrikkingseffect en geen heldere commandostructuur met operationele gevechtsstaven. Het gaat niet aan om achteraf alle schuld op Janvier of Akashi (de VN-gezant in Bosnië - ab) te schuiven. Zij volgden hun opdrachtgevers, de secretaris-generaal en de Veiligheidsraad.» Eind vorig jaar is Voorhoeves oordeel bevestigd door een intern onderzoek van de VN: de primaire verantwoordelijkheid voor het fiasco lag bij de bureaucratie in New York. De val van de enclaves lag al besloten in de verkeerde uitgangspunten van het Bosnische interventiebeleid in 1992, vooral de foute aanname dat Unprofor zou opereren in het kader van een vredesregeling en dat de lidstaten grote troepencontingenten zouden leveren. Het gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef van de grote lidstaten was voor VN-secretaris-generaal Boutros Ghali geen verrassing. Op het hoogtepunt van de Servische aanval op Srebrenica bevond de journalist en schrijver Michael Ignatieff zich bij hem in het vliegtuig. Boutros Ghali relativeerde het falen van de VN in Bosnië door te herinneren aan het drama van Beiroet dat twintig jaar lang duurde. Hij had evengoed de Angolese stad Quito kunnen noemen of de Afghaanse hoofdstad Kaboel. «Overal waar we actief zijn, vechten we tegen de cultuur van de dood.» Helaas kreeg hij nimmer de middelen om die strijd in zijn voordeel te beslechten. Vergeleken bij het mondiale «Srebrenica» dat dagelijks plaatsvindt, doet onze nationale zelfkastijding enigszins lachwekkend aan. Het navelstaren neemt bizarre vormen aan waardoor de indruk kan ontstaan dat een ingrijpen als in Srebrenica voortaan wel succesvol zal zijn als wij, Nederlanders, het maar beter aanpakken. Door de blik naar binnen te richten, missen we het zicht op de rauwe werkelijkheid daarbuiten. Een goed voorbeeld van die blikvernauwing biedt de historicus Von der Dunk. Volgens hem hebben wij onze versie van collectieve schuld, die we zo graag op onze oosterburen toepassen, ten behoeve van onszelf omgekeerd: «Waar iedereen schuld heeft, heeft niemand schuld en kan dus iedereen blijven zitten. De zaken zijn in dit land steevast zo georganiseerd dat iedereen medeplichtig is en niemand verantwoordelijk.» Als je niet beter wist, zou je denken dat hij het over de «internationale gemeenschap» had. Die is namelijk echt zo georganiseerd.