Ach Europa!: Ivan Krastev

‘Nationalisme kan een bevrijdende kracht zijn’

De Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev schreef twee jaar geleden dat Europa afscheid moest nemen van het aloude naïeve optimistische toekomstvisioen. Vlak voor de Europese verkiezingen is hij hoopvoller. ‘Vroeger vreesden we het verleden, vandaag de toekomst.’

Ivan Krastev – ‘Niet elke plek, elke uithoek van deze unie, hoeft hetzelfde niveau van liberalisme te bereiken’ © Nadezhda Chipeva

‘Persoonlijk ben ik van mening dat het uiteenvallen van de EU inmiddels niet meer te voorkomen is – en ik vrees dat dit het continent chaos zal opleveren en het zijn vooraanstaande rol in de wereld zal kosten’, schreef Ivan Krastev twee jaar geleden in After Europe, een essay waarin zinnen als ‘Het hoeft niet noodzakelijkerwijs tot oorlog te leiden, maar waarschijnlijk wel tot ellende en onrust’ tot de opbeurendste behoorden. Volgens de website Politico behoorde het boek al snel tot de best gelezen in de Brusselse binnenwereld. Commissarissen, ambtenaren, analisten en europarlementariërs verslonden de alarmerende pagina’s en nodigden de denker niet zelden uit voor advies.

‘Wij Bulgaren zijn nou eenmaal het somberste volk ter wereld’, zegt hij vaak lachend – dat dan weer wel. Toch is er iets merkwaardigs gebeurd. Vorige maand schreef hij in The Guardian hoe populisten er niet in zullen slagen de EU te ontwrichten. Staat dat niet haaks op zijn eerder verschenen boek? Schuilt er in de brommende Bulgaar dan toch nog hoop voor het continent? ‘Ik geloof dat mensen mij destijds te pessimistisch lazen en dat dit opiniestuk veel te optimistisch wordt gelezen’, vertelt hij in de bibliotheek van het prestigieuze Institut für die Wissenschaften vom Menschen in Wenen. Om hem heen liggen nummers van The New York Review of Books, The Economist en internationale kranten die gretig zijn commentaren afdrukken. Op een verdieping boven de met boeken gevulde zaal houdt hij kantoor, voor de deur van het instituut kabbelt de Donau.

Wenen is altijd een scharnierpunt geweest tussen Oost en West, de strategische positie die Krastev zelf ook inneemt in het mondiale debat. De loensende politicoloog kijkt met zijn ene oog scherp en doordringend naar het Westen, dat hij in opiniestukken graag van kritiek voorziet; met zijn andere oog kijkt hij naar binnen, naar zijn eigen geschiedenis als Europeaan achter het IJzeren Gordijn. Die twee blikken versmolten in één analyse, dat is Krastev. ‘Europa bestaat uit mensen die het ineenstorten van een systeem hebben meegemaakt en mensen die dat nooit hebben meegemaakt. Ik behoor tot die eerste groep, voor wie 1989 vormend is geweest voor ons denken en onze houding.’

Hoe verklaart u dan dat in Midden- en Oost-Europa veel mensen kiezen voor illiberale partijen die een ramkoers willen met de Europese Unie? Terwijl diezelfde kiezers ook aangeven meer vertrouwen te hebben in Brussel dan in de eigen regering?

‘Dat is de tragiek van de succesvolle europeanisering. De Europese Unie is een veiligheidsnet dat toeziet op democratische waarden en slecht beleid bestraft. Dat vangnet is tegelijkertijd met democratie ingevoerd maar, zo zien we nu, heeft geleid tot het ontbreken van democratisch verantwoordelijkheidsbesef. Polen en Hongaren hebben geleerd dat ze hun woede mogen uiten door op autoritaire mannen te stemmen, omdat ze weten dat Brussel toch wel zal ingrijpen zodra leiders als Jarosław Kaczyński of Viktor Orbán te ver gaan. Dat is de paradox: Europa heeft met al zijn sancties en monitoringsmechanismen van een stem op illiberalisme een veilige keuze gemaakt.’

Als u dat zo schetst staat de Europese Commissie schaakmat: ingrijpen versterkt het vangnet en daarmee die paradox. Als ze het net weghalen hebben autoritairen vrij baan.

‘Europa moet een balans vinden tussen het benadrukken van rechten en waarden en dat doet de Europese Commissie goed, maar dat mag nooit ontaarden in een situatie waarin het Westen gaat hameren op westerse waarden. Zodra West-Europa zich opstelt als een leraar voor een schoolklas riskeert het de studenten tegen zich in het harnas te jagen.’

Wanneer benadruk je rechten en wanneer ben je aan het hameren?

‘Laat me een onderscheid aanbrengen tussen rechten en gevoeligheden. Europa moet nooit een compromis sluiten op democratische rechten, maar behoedzaam omspringen met gevoeligheden. Als we al onze waarden en gevoelens willen bundelen in één hecht Europa zal dat altijd resulteren in een backlash. Dan wordt Europa in de ogen van mensen een externe dwingende kracht waartegen ze zich zullen verzetten.

In Midden- en Oost-Europa is er een meerderheid tegen het legaliseren van het homohuwelijk. Dat is een realiteit. Het homohuwelijk ís ook geen Europese waarde, al doen sommigen alsof het dat zou moeten zijn. Deze regio kent geen 1968-revolutie. En die kun je niet simpelweg erdoor drukken door normen en culturele waarden die dominant zijn in het Westen op te leggen. Tegelijkertijd mag de EU nooit tolereren dat binnen de verschillende samenlevingen mensen verschillend worden vervolgd, dat lijkt me overduidelijk. Maar dat betekent niet dat elke plek, elke uithoek van deze unie, hetzelfde niveau van liberalisme hoeft te bereiken. We moeten de gevoeligheden tolereren. Als we dat niet doen zul je zien dat mensen het eigenaarschap verliezen over de verandering die ze om zich heen ervaren.’

Wanneer we spreken in de Weense bibliotheek, begin april, is de Hongaarse partij Fidesz van premier Viktor Orbán net geschorst door zijn Europese partijgenoten van de christendemocratische Europese Volkspartij, de machtigste politieke groep in Brussel waar ook het cda toe behoort. In Hongarije zijn kieswetten herschreven, worden onafhankelijke media bestreden en eind vorig jaar vluchtte de meest prestigieuze universiteit van Midden-Europa de grens over naar Wenen. Veel analisten en politici van andere partijen zien de schorsing daarom als een te laf antwoord en vinden dat de christendemocraten definitief afscheid hadden moeten nemen. Krastev, dwars als hij is, ziet dat anders. ‘De Europese Volkspartij heeft er goed aan gedaan om hem niet uit de partij te gooien, maar slechts te schorsen. Je kunt Orbán wel wegsturen, maar dan geef je een ijzersterke politicus, een van de meest begaafde van het moment, weg aan extreem-rechts en zullen drie of vier kleinere partijen ook vertrekken. Zo zouden ze het begin initiëren van het eerste echt verenigde extreem-rechtse blok in Europa.

‘Is het de zuiverste keus om Orbán uit de partij te zetten als je zo groter kwaad in werking zet?’

Hem binnenboord houden is ook een probleem, hij heeft veel te veel grenzen overschreden. Maar dit is politiek. Op dit vlak heb ik veel sympathie voor iemand als Isaiah Berlin, wiens blik op liberalisme een tragische was. Hij geloofde dat we zelden in het leven echt kiezen tussen goed en kwaad. Het meeste van de tijd kiezen we wat we willen opofferen, welke waarde we laten varen. Zoals in het verhaal van Orbán en de christendemocraten: is het werkelijk de meest zuivere keus om hem uit de partij te zetten als je daarmee groter kwaad in werking zet? Sinds 1989, het einde van de Koude Oorlog, zijn liberalen, verblind door eigen succes, deze tragiek uit het oog verloren. Nu vinden we die op een pijnlijke manier weer terug, maar dit is hoe het altijd geweest is.’

Krastev waarschuwt graag voor liberale zelfoverschatting en progressief paternalisme, al voorspelt hij nu dat die hoogmoed ten einde loopt. Hij heeft net de laatste hand gelegd aan zijn nieuwe boek, dat wederom een onheilspellende titel kent: The Light that Failed: A Reckoning. Het begint met een verslagen Barack Obama die na Trumps verkiezingszege aan een van zijn adviseurs vraagt: ‘Wat als we het mis hadden?’ Het goede aan die vraag, vertelt Krastev, is dat het eindelijk niet ging over wat er was misgegaan of wie iets had misdaan, maar of de huidige vorm van liberalisme in het Westen nog wel de juiste is. ‘Mijn aankomende boek zal een poging worden om de vraag die Obama aan zijn adviseur stelde te beantwoorden.’

De titel lijkt te suggereren dat liberalisme heeft gefaald, of op z'n retour is.

‘Dat is niet wat ik zal beweren. Het liberalisme moet nog altijd wennen aan het idee dat een wereld waarin liberalisme het enige alternatief is niet noodzakelijkerwijs de beste wereld is voor de liberaal zelf. De liberaal moet juist een wereld met verschillende modellen gaan herwaarderen, weer verliefd worden op een plek die ideologisch gezien pluriformer is. Niet het liberalisme is op z'n retour maar déze vorm. Het Tijdperk van Imitatie is over.’

Dat tijdperk begon volgens Krastev in 1989 en komt nu, dertig jaar na dato, haperend ten einde. ‘De revolte die je overal ziet in het Westen is in de kern een verzet tegen imitatie. Hier in Midden- en Oost-Europa is dat goed zichtbaar; door domweg het Westen te imiteren hebben we onszelf getransformeerd. Maar dat heeft geresulteerd in wrok jegens de mensen die wij ooit zo graag wilden nadoen.’

Nadoen heeft toch veel opgeleverd? Polen, Tsjechië en Roemenië zijn nog altijd de snelst groeiende landen én netto-ontvangers binnen de Unie.

‘Dat is ook zo, maar dat is niet mijn punt. Oost-Europa doet het economisch ongelooflijk goed, vele malen beter dan bijvoorbeeld het Zuiden. Toch is de relatie tussen Noord en Zuid er een van schuldeiser en schuldenaar, dat is giftig en ontwrichtend, maar ook economisch. In het Oosten is het probleem psychologisch. De droom van Oost-Europeanen was om te leven zoals in het Westen, wat vervolgens werd vertaald naar “je moet doen zoals het Westen doet”. De relatie tussen Oost en West werd gereduceerd tot een relatie tussen de kopie en het origineel. Het lot van de imitator is psychologisch gezien heel zwaar: in het verlangen iemand anders te zijn ligt besloten dat je authentieke zelf slechter is. In ieder geval niet goed genoeg.’

De rebellerende partijen in Midden- en Oost-Europa beloven een herstel van eigenwaarde. De Poolse conservatief-nationalistische PiS-partij voert als slogan ‘Opstaan uit de Knieling’. De Hongaarse premier Viktor Orbán doet uitspraken als: ‘27 jaar geleden dachten we hier in Midden-Europa dat Europa onze toekomst was. Vandaag de dag denken we dat wij de toekomst van Europa zijn.’

Het verzet van Orbán tegen migranten, de nadruk op traditionele waarden en de roep om stevige buitengrenzen vonden de afgelopen vier jaar navolging bij andere nationaal-conservatieven in Europa, die openlijk met hem flirtten of hem een voorbeeld noemden. Met de Europese verkiezingen in aantocht, een naderende Brexit en verkiezingswinsten voor nationaal-populisten in onder meer Nederland lijkt het erop alsof die golf nog lang niet gebroken is. Krastev daarentegen schreef onlangs in The Guardian: ‘Waarom Viktor Orbán en zijn bondgenoten niet de EU-verkiezingen zullen winnen’.

De meest voor de hand liggende reden is dat ze al gelijk hebben gekregen, legt hij uit: ‘Anti-migratiepartijen hebben een groot probleem met hun kernboodschap. Hun roep om sterke grenzen is al lang overgenomen door klassieke partijen. Ze hameren nu op iets waar iedereen het al lang over eens is.’ De belangrijkste oorzaak van het uitblijven van een verkiezingszege voor rechts-populisten heeft te maken met wat Krastev ‘het best bewaarde geheim van de EU’ noemt: Oost-Europa kampt niet met een immigratie- maar met een emigratieprobleem.

‘De open grenzen binnen de Europese Unie zijn zowel een bedreiging voor ons als het mooiste wat ons is overkomen. Plots konden we reizen. Een individu zoals ikzelf kon grote kansen najagen. We hebben plekken gevonden waarvan we geloofden dat ze veel interessanter waren, die ons meer konden bieden. Voor elk van ons was dit op individuele schaal een gigantisch succes, maar de optelsom van al dat individuele succes is tegelijkertijd een nationale catastrofe.’

‘Dat is het eigenaardige aan deze tijd: mensen zijn vrijer dan ooit maar voelen zich machteloos’

Krastev rekent voor: een derde van de bevolking in de Baltische Staten is inmiddels vertrokken, Roemenië zag in tien jaar tijd bijna 3,5 miljoen mensen richting West-Europa gaan en in Hongarije zijn er sinds Orbán aan de macht is meer mensen vertrokken dan tijdens de Hongaarse Opstand. De overgrote meerderheid van die mensen is jonger dan veertig jaar. Die massale exodus is in Europa altijd vergoelijkt door te wijzen op de geldstroom die terugkwam, al is het volgens Krastev maar de vraag of dit nog opweegt tegen het bestuurlijke dilemma waarmee de landen zijn opgezadeld. ‘Des te beter een land investeert in onderwijs, des te groter de kans dat zijn talentvolle burgers vertrekken. Dit is de grootste uitdaging in de Oost-West-relatie: hoe compenseren we deze landen, die voor veel geld burgers opleiden om in Duitsland en Frankrijk te gaan werken?’

Als emigratie zo’n groot probleem is, waarom praten nationaal-populistische leiders daar dan niet over?

‘De intense anti-migratieretoriek komt voort uit angst voor emigratie. Vanuit het perspectief van de achterblijvers is dit een traumatische ervaring, je eigen mensen zien vertrekken. Zelfs als het helemaal niet slecht met je gaat is het moeilijk om op een plek te wonen die je eigen mensen, je familie en vrienden, willen verlaten. Dat voedt de klassieke angst om als groep vervangen te worden.

Wanneer populisten uitdrukking geven aan de demografische angsten, de paniek in de samenleving, praten ze liever over buitenlanders die komen in plaats van over eigen mensen die massaal vertrekken. Dat is ook makkelijker, natuurlijk. Al zie je trouwens dat in sommige van deze landen de steun onder het volk groeit voor restricties op het verlaten van je land. Dat is een gigantische omslag, het openen van grenzen is een van de belangrijkste positieve erfenissen van 1989.’

De grote groepen Engelsen die voor Brexit stemden vanwege migratie delen dus in feite dezelfde ergernis als achterblijvers in Midden- en Oost-Europa? Het vrije verkeer van personen, een van de vier Europese vrijheden.

‘Dit symboliseert een van de belangrijkste veranderingen in het hart van het Europese project: de omslag van optimisme naar pessimisme. Voor Europa was de toekomst altijd een vlucht voor het verleden. De EU was een alliantie van landen die vonden: we hebben een verschrikkelijk verleden, maar samen een toekomst. De oorlogsgeneratie is die boodschap altijd blijven uitdragen. Nu zien we generaties die leven zonder die zorg, zij vrezen niet langer de opkomst van fascisme of communisme. Ze vrezen wel voor een toekomst waarin Europa er niet meer toe doet, waarin zij en hun kinderen er niet meer toe doen.

Het populisme verschilt van land tot land, maar in Europa is er een sterke consensus dat het anders moet, al is de richting volstrekt onduidelijk. Het goede van populisten is dat ze uitdrukking geven aan het enthousiasme van mensen om iets te veranderen; én ze geloven in het primaat van de politiek: dat het wél anders kan. Liberalen hebben op de grootste fouten van de afgelopen decennia, zoals de verschillende crises, altijd gereageerd door uit te leggen waarom ze daaraan niets konden veranderen: “Er is nou eenmaal een mondiale markt, er is een euro, wat kunnen jullie realistisch gezien van ons als nationale leiders verwachten?”

Dat is een desastreus verhaal, geen politieke boodschap. Democratische politiek verwordt zo tot een wedstrijd in incompetentie. De reactie van het volk daarop was volkomen logisch: als je er niets aan kunt doen zal ik niet op jou stemmen. “Waarom leef ik anders in een democratie?” Dat is het eigenaardige aan de tijd waarin we leven: mensen zijn vrijer dan ooit maar voelen zich in toenemende mate machteloos.’

Europa kent vele pleinen met beelden van heroïsche mannen gezeten op paarden. Een jaar geleden bezocht Krastev een expositie in Sofia van de kunstenaar Luchezar Boyadjiev, die voor zijn expositie On Holiday die standbeelden onder handen heeft genomen: de sokkel en de paarden heeft hij gehouden maar de helden uitgegumd. Voor Krastev is het de perfecte verbeelding van gebrek aan verbeeldingskracht door Europese liberalen.

‘Terwijl liberalen beloven mensen af te rekenen op hoe hard ze zich inzetten, schetsen populisten een samenleving die lijkt op wat een familie is. Waarin steun niet afhankelijk is van wat je presteert maar van wat je deelt met elkaar.’ Die belofte van loyaliteit staat tegenover de liberale ongebondenheid die een elite heeft voortgebracht die zich overal even makkelijk thuis voelt. ‘Een aristocratisch grootgrondbezitter was tenminste nog toegewijd aan zijn omgeving en de communistische leiders waren trouw aan hun land omdat ze het niet mochten verlaten. Maar de liberale elite die nauw verweven is met de Europese integratie is ongrijpbaar – en zo weg. De vraag wat loyaliteit nog is in deze tijd lijkt me een ontzettend belangrijke.’

U bent zelf deel van die elite, hoe gaat u daarmee om?

‘Hier worstel ik mee. Ik heb de kans gehad om te leven en te werken in Wenen, ik reis de wereld rond en neem deel aan mondiale debatten. Tegelijkertijd voel ik me een Bulgaar en voel ik me schuldig, omdat ik me realiseer hoeveel beter het was geweest als een aantal van ons wel was gebleven.

Dit is waar conservatieven een punt hebben dat altijd gemist wordt. Een samenleving is niet zomaar een groep mensen die toevallig de straten vullen. Een samenleving is ook een geheel van mensen die hier eerder hebben gewoond en mensen die zullen komen. De waarheid is dat veel mensen die hier eerder woonden heel anders waren dan de mensen die zullen komen. Dat is geen probleem, maar een prangende vraag is dan wel: wat is het verband?’

Liberalen zien uiteindelijk alleen het individu en de mensheid, maar zelden wat daartussen ligt: gemeenschappen, families, naties. ‘Je kunt de helden wel van hun paarden tillen, maar in die lege zadels zullen populisten plaatsnemen. Dat is al gebeurd en ze vertellen een veel donkerder verhaal. Als liberalen iets moeten doen is het hun houding tegenover nationalisme heroverwegen, het niet ontkennen maar er een goed soort nationalisme tegenover stellen. Ik weet hoe gek dat klinkt. Er is een terechte afkeer van nationalisme, maar dat is niet de enige ervaring die er bestaat. In ons deel van Europa was nationalisme een bondgenoot van de liberalen in hun strijd tegen communisme. Hier was het een progressieve en bevrijdende kracht. Dat kan het opnieuw zijn.’