Achter de schermen van de filmkeuring

Nattevingerwerk

Hoe wist de Film keuring eigenlijk wat schadelijk was voor de kijkertjes? Een filmliefhebber nam op de valreep een kijkje achter de schermen.

Met veertienhonderd andere «gewone» Nederlanders reageerde ik in 1987 op een advertentie van het ministeriële bureau Nederlandse Filmkeuring te Rijswijk, waarin twintig nieuwe leden werden gevraagd. Het was in de dagen dat er nog geen paniek heerste over het geweld in de media. Nederland wist zich, met uitzondering van een handvol fatsoensrakkers en feministen, net tien jaar prettig bevrijd van de betutteling door rijkszedenmeesters. Iedere volwassene mocht vanaf 1977 alle films zien die op de markt waren.

Alleen jongeren moesten, via de nieuwe Wet op de filmvertoningen, nog worden beschermd tegen beelden die schadelijk voor hen waren, en daarvoor werd de aloude rijksfilmkeuring in leven gehouden. Maar deze wet stond in 1987 juist ter discussie. De Raad voor het Jeugdbeleid had de regering het jaar ervoor geadviseerd om ook de Film keuring voor de jeugd op te heffen, omdat het instituut een anachronisme zou zijn. Ouders moesten zelf maar beoordelen wat ze schadelijk vonden voor hun kinderen. De Tweede Kamer leek gevoelig voor dat argument.

Het zou zo'n vaart niet lopen. Pas nu, op woensdag 15 februari 2001, is de Nederlandse Filmkeuring voor het laatst verantwoordelijk voor de leeftijdsclassificatie van de films die op donderdag in de bioscoop komen. Daarna wordt het rijksinstituut opgedoekt. Vanaf volgende week bepaalt de audiovisuele branche zelf hoe schadelijk de producten zijn voor jeugdige kijkers. Samen met de omroepen en de videotheken gaan de aanbieders van bioscoopfilms daarbij één en hetzelfde classificatiesysteem hanteren. Hoe wist de Filmkeuring eigenlijk wat schadelijk was voor de kijkertjes? Als filmliefhebber wilde ik, op de valreep, een kijkje nemen achter de schermen.

Met zestig anderen werd ik geselecteerd voor een middagje proefkeuren. Het eigenlijke werk, het keuren van films, werd namelijk door een «representatieve dwarsdoorsnee» van de samenleving gedaan. Het bureau zelf bestond slechts uit een secretaris-directeur, twee secretaresses en een filmoperator. Bij toerbeurt kwamen vijf van de veertig leden van de Filmkeuring naar Rijswijk om films en trailers, reclameclips voor films, te bekijken. Jawel, keuringscommissies van vijf burgers bepaalden, tegen een kleine vergoeding, vanaf 1977 tot en met deze week of een film of trailer gezien mocht worden door «alle leeftijden» (AL), dan wel of de kijker twaalf of zestien jaar oud moest zijn

De keuring van films was niet verplicht. Films die niet werden voorgelegd aan het instituut kregen automatisch de vermelding «16 jaar». Amper de helft van het jaarlijkse bioscoopaanbod kwam ter keuring. In de bioscoopladders, waar de leeftijdsaanduidingen stonden aangegeven, kon je bij 16 niet zien of de film was gekeurd. Er zaten veel films tussen die ten onrechte werden onthouden aan een jeugdig publiek, zelfs — veelal oude — kinderfilms. De distributeurs vonden 16 soms een aanbeveling of hadden geen zin in alle gedoe: er was toch amper controle in de bioscoop en de boetes waren te overzien. Niemand was gelukkig met deze situatie: de Raad voor het Jeugdbeleid noemde de keuringspraktijk zelfs in strijd met de grondwet (vrijheid van meningsuiting).

Om zuiver te redeneren had ik me voorgenomen wanneer de schadelijkheid van een film voor een jonge kijker niet bewezen kon worden, de classificatie «AL» te kiezen. En omdat het me onmogelijk leek om een sluitend bewijs voor zoiets op tafel te leggen, zou ik dat dus bij het hele aanbod van die middag doen: bij twijfel moest je uitgaan van de onschuld van de verdachte film. Van het debat over de trailers herinner ik me slechts de zakenman in driedelig grijs die zich een hoedje schrok van de clip voor The Living Daylights. Dat zouden zijn koters — en dus die van de rest van Nederland — niet te zien krijgen!

De Filmkeuring moest in 1977 een gedachtesprong maken van ongeschikte, aanstotelijke of gevaarlijke films voor de samenleving naar schadelijke films voor de kinderziel. Veelbetekenend is dat deze nieuwe Filmkeuring onder het rijksjeugdbeleid viel en niet meer onder het cultuurbeleid, dat vroeger de samenleving tegen films beschermde. Het vernieuwde wetsartikel 240a, dat ter aanvulling op de Filmkeuring de controle in de bioscoop moest regelen, stelde nu afbeeldingen strafbaar waarvan de vertoning «schadelijk is te achten» voor kijkers onder de zestien. Vroeger stond daar «aanstotelijk voor de eerbaarheid». Om het even kras te stellen: al zet het kind, na het zien van een film, de hele wereld op z'n kop en berokkent het anderen schade, zolang het daar zelf geen trauma aan overhoudt, is er niks aan de hand. Maar het artikel viel nog steeds onder de «Misdrijven tegen de zeden» — en het blijft daar ook in de toekomst.

Begreep de Filmkeuring wel dat ze geen potentiële daders moest zien te voorkomen, maar slachtoffers? De hoofdfilm voor de proefkeurders, Storia di Piera van Marco Ferreri, was al gekeurd en in de bioscoop geweest en was blijkbaar uitgezocht vanwege zijn valkuilen. Hoewel er enkel liefdevolle en speelse seks in voorkomt, en dan nog niet eens in beeld, is er een onophoudelijke erotische lading tussen vader Mastroianni, moeder Schygulla en dochter Huppert voelbaar. Aan het eind van de film heeft de dochter haar oude vader lichamelijk lief.

«Van mij hoeft dit echt niet», zei een huisvrouw/moeder. Maar dat was de vraag toch niet? Ze kreeg onmiddellijk bijval. «Ik denk niet dat onze samenleving hierbij is gebaat», voerde een andere proefkeurder op. En een jongen die in Nijmegen had gestudeerd, liep vast in een betoog over «verhaaltrajecten». Maar zijn conclusie was duidelijk: incest was verwerpelijk en mocht dus niet vertoond worden aan minderjarigen. Van schadelijkheid voor de kijker repte ook hij niet. Hij kwam toch op 12 jaar uit. Smaken en persoonlijke ervaringen tuimelden over elkaar heen. De eindstand was diffuus.

Ik hoefde niet meer terug te komen bij de Filmkeuring. In de bioscoopladders van twee jaar eerder bleek bij Storia di Piera de categorie 16 vermeld te staan. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de toenmalige échte keurders wel het bewijs in handen hadden dat de film schade zou toebrengen aan de ziel van een tien- of vijftienjarige. Het effect van één bepaalde film kan geen beoordelaar aantonen door het kijken naar die film. Zelfs de wetenschap, die het kind in theorie jarenlang zou kunnen volgen, kan dat effect nooit aantonen. De werkelijkheid is nu eenmaal veel te complex om het langetermijneffect van een film te kunnen meten.

Maar dat is niet alles. Zoals een middagje bij de Filmkeuring duidelijk maakte, vergeten de beoordelaars makkelijk dat ze de kijker moeten beschermen — en niet de zeden of openbare orde tegen die kijker. Minister Sorgdrager van Justitie is een van de vele ministers en staatssecretarissen die er in de afgelopen tien jaar voor pleitten de Filmkeuring te vervangen door voorlichting van de audiovisuele branche. Zij beweerde dat het verband tussen geweld op televisie en jeugdcriminaliteit nooit wetenschappelijk was bewezen. Maar toch vond de volledige Tweede Kamer, met haar, dat de jeugd zoveel mogelijk moet worden beschermd tegen deze «negatieve invloeden» op de buis.

Wat is hier in de discussie geslopen? Het allang verlaten idee dat de maatschappij moet worden beschermd: nu tegen het kroost dat, opgehitst door foute films, als een orkaan van geweld door de buurt gaat trekken. De Filmkeuring ging regelmatig buiten haar boekje met zulke taal. Minister Sorgdrager had overigens wel gelijk. Er wordt een baarlijke hoeveelheid nonsens gedebiteerd over de relatie tussen geweld in een film en geweld in het echt. Wie slaat er nu aan het moorden dóór een film? Al heeft een moordenaar een filmmoord geïmiteerd, is die film dan de oorzaak van de moord? Het is net zo waarschijnlijk als de kans dat de moederborst tot heroïnegebruik leidt. Is niet nagenoeg elke junk zijn carrière met moedermelk begonnen?

Zo'n causaal verband wordt nooit beweerd wanneer het gaat over het lezen van klassieke Griekse literatuur, met al het bloed dat daarin wordt vergoten. Film, het medium voor de massa, is de geschikte zondebok. Het Amsterdamse PvdA-gemeenteraadslid Fatima Elatik maakte zich onlangs belachelijk met haar commentaar op het afgelasten van de theatervoorstelling Aïsja. Dat afgelasten deed de regisseur onder druk van streng-islamitische groeperingen, en Elatik noemde dat een verstandig besluit. De vrijheid van meningsuiting is volgens haar te ver doorgeschoten in Nederland en wordt vaak misbruikt.

In de media kreeg Elatik ervan langs en in hoofdstedelijke cafés schamperde menige theaterliefhebber dat hij niet meer op de PvdA zou stemmen zolang het raadslid niet was vervangen. Zouden de reacties even heftig en principieel zijn geweest als haar uitspraak een film had betroffen? Vast niet. Zelfs respectabele bestuurders en burgers hebben de afgelopen jaren met regelmaat en zonder enige schaamte publiekelijk hun angsten bekend dat de vrijheid van meningsuiting op audiovisueel gebied te ver was doorgevoerd, gezien alle pulp en smerigheid die «vrij» verkrijgbaar is.

Die bezorgde burger lijkt geheel vergeten dat er slechts één generatie eerder juist verbeten werd gestreden voor zijn zelfbeschikking. De erectie van Hugo Metsers in Blue Movie werd, na een slim juridisch en publicitair steekspel van de makers Wim Verstappen en Pim de la Parra, in 1971 een mijlpaal in de jarenlange strijd tegen de censuur. Toen deze film na een herkeuring zonder coupures werd toegelaten in de bioscoop, was het hek van de dam. Na vijftig jaar werd de Filmkeuring voor volwassenen in 1977 opgeheven.

Eindelijk werd het medium film niet meer als vunzigheid voor het volk beschouwd, maar gelijkgesteld met theater of schilderkunst — daar bestonden immers ook geen rijkskeuringsinstanties voor. Nooit meer zou een bioscoopfilm — de televisie was nog fatsoenlijk verzuild en de video speelde nog geen rol — het lot ten deel vallen van bijvoorbeeld François Truffauts Jules et Jim, de film die in 1962 om zijn «frivool spelen met begrippen als liefde, huwelijk en trouw (…) met een volkomen negatie van morele normen» werd «ontraden voor publieke vertoning», wat gelijkstond met verbanning naar het (semi-legale) pornocircuit. Zelfs voor volwassenen werd de film niet geschikt geacht.

Het is opvallend met hoe weinig bombarie het verdwijnen van het laatste restje rijksfilmkeuring gepaard is gegaan. Waar waren de uitzinnige massa’s toen de opheffing van de Nederlandse Filmkeuring in december 2000 in het Staatsblad werd gepubliceerd? En waar bleven de triomfantelijke stukken in de pers? De journalistiek, doorgaans onversaagd op de bres voor de vrijheid van meningsuiting, is wellicht moe geworden. Je kunt geen stukken blijven schrijven onder koppen als «Laatste dagen van de filmkeuring zijn geteld» (NRC 1993), «De Nederlandse Filmkeuring lijkt nu toch definitief het loodje te gaan leggen» (Filmkrant 1993) en «Het einde van de filmkeuring» (NRC 1997) om dan weer gas terug te moeten nemen met «De zeven levens van de Nederlandse Filmkeuring» (Parool 1996) of «Tussen dood en schijndood» (Filmkrant 1997).

De toenmalige voorzitter van de Filmkeuring, mr. Oscar Hammerstein, reageerde in 1993 op een van die stukken, ditmaal in het blad van de bioscoopbranche. «U schrijft in uw blad onder vette kop dat de Filmkeuring is/wordt opgeheven. Dit is onjuist.» Hij voorspelde: «Het zal nog wel enige jaren duren voordat de door de minister voorgestelde regeling in een gewijzigde wet zal zijn ingevoerd.» In die jaren zijn wij een overgevoelig volkje geworden. De Volkskrant hoeft maar een ingetogen foto op de cover te plaatsen van een dood kind, dat grotendeels is bedekt met het puin van de aardbeving in India, of enkele tientallen lezers zeggen woedend hun abonnement op. Als een volwassene zelf al niet met zulke beelden geconfronteerd wil worden, wat staat hij zijn minderjarige kinderen dan nog toe?

Op 22 januari van dit jaar zond de NPS om 20.30 uur de documentaire Oorlog in het land van de Mujaheddin uit. De omroep had zich verplicht deze winnende film van het International Documentary Festival Amsterdam uit te zenden. Daar zat ze mee in haar maag, want het verslag van de uitzichtloze Afghaanse burgeroorlog, gefilmd in en rond het noodhospitaal van een Italiaanse arts, is even schokkend als die oorlog zelf. Veel jonge mensen met afgerukte ledematen passeren de revue. Nu was de bekroonde film een half uur te lang voor de uitzendschema’s, en dat kon mooi worden opgelost door de meest gewelddadige passages eruit te knippen. Blijkbaar was er na 22.00 uur geen ruimte in de programmering — het tijdstip waarop «schadelijke films voor jongeren» mogen worden uitgezonden. De vaderlandse film- en televisiejournalistiek, die de censuur moet hebben bemerkt, trok bepaald niet aan de alarmbel. Bij media professionals is geweld inmiddels ook een gevoelig thema.

In 1997 liet Helmer Koetje, die als voorzitter van het Commissariaat van de Media het liefst álle seks en geweld op de buis verboden zag, uitgerekend de EO beboeten. Deze omroep had Ben Hur op een kind vriendelijk tijdstip uitgezonden. «En we hadden nu juist de scène met het geweld dadige wagenrennen gekuist!» luidde het verweer. Op de televisie zijn coupures normaal. Volwassenen hebben geen idee wat ze in naam van de kinderziel of de bedreigde samenleving voor verminkte filmmeesterwerken krijgen voorgeschoteld. De omroep kan nu eenmaal niet elke film — en elke actualiteiten- of filmrubriek — na tienen uitzenden.

Het gesundes Volksempfinden, dat deze week namens de overheid voor de allerlaatste keer bioscoopfilms heeft gekeurd, zal het Nederlandse televisie-, film- en videopubliek in zijn nieuwe jasje van «zelfregulerende audiovisuele branche» nog veel nattevingerwerk bezorgen.