Natuur

Op feestjes, zoals wanneer je in een oorspronkelijk zeventiende-eeuws bedoelde ruimte stom naar elkaar staat te kijken, naar een menselijke nachtegaal luistert en je hoopt alweer dat iemand nu eens onopvallend maar met kennis van zaken uit zichzelf het darwinvinkje ter sprake brengt, mag ik om de boel een beetje op gang te krijgen nog wel eens aan een toevallig in mijn buurt vertoevende vragen of deze uit zijn hoofd poires au vin rouge kan bereiden.

Verstandig vertoevende zegt dan nee. Gelukkig alweer geen goed gesprek. Wat heb ik met poires au vin rouge?
Omdat ik met zicht op allesbehalve tenenkrommend achterwerk in de vercommercialiseerde Franse huiskamer daar destijds zo van genoot? Van poires au vin rouge?
Twee handen vol jutteperen (van de boerenmarkt) is genoeg. Giet de fles rode wijn zo leeg als je durft. In een pan. Borstel onder de warme kraan een citroen schoon. Snij er twee schijven af en plons ze in de wijn. Halve kaneelstok en honderd gram suiker. Zwarte peper grof gemalen. Niet te veel. Kwartier laten koken, maar ingetogen.
Schil de jutteperen. Snij ze doormidden. Hou de steel, hoewel ook doormidden, toch heel. Resten klokhuis verwijderen. Plaats halve peren in ingekookte wijn. Kort laten meekoken. Vijf minuten, zeven minuten, wie zal het zeggen? Zet ze koud, laat ze in de wijn.
Dan na uren en uren leg je de halve peren in een soort lievelingsschaal. Voorzichtig. Giet de wijn erover. Bewonder de glinstering op de neutrale perenachterwerkjes. Heb kruizemunt in huis. Demp er de glans van de chianti-rode peerhelften mee.
De gasten zijn nu al precies tien minuten te laat. Breng jezelf in de waan dat ze toch niet meer komen. Ze hebben vast ruzie.
Pak de eerste peerhelft bij zijn steel. Laat hem achterover glijden. Koel en juttig en zoet. Verwoest en verpulver. Alleen de poes kijkt naar je. De tweede peerhelft ook, nu kun je niet meer terug. De natuur is mooi maar het kan altijd nog mooier.