Natuur en techniek

De jongen van de computerwinkel belt me op. ‘Er is iets onherstelbaar beschadigd aan de harde schijf’, zegt hij. ‘Ik krijg hem niet meer aan de praat.’ Ik denk dat hij tegen me zegt dat ik alles kwijt ben, maar die gedachte laat ik natuurlijk niet toe. Hierna krijg ik griep. Soms schrik ik er even uit wakker. Er was iets, maar wat ook weer. O ja, ik ben alles kwijt. Er zijn ergere dingen houd ik mezelf voor, ook al krijg ik die dingen even niet in beeld.

Ik probeer te abstraheren van mijn eigen bestaantje. Meer op het niveau van de samenleving te denken. Het schijnt dat we in een heftige overgangstijd leven, samenlevingsgewijs. Dat de technologische ontwikkelingen zo snel gaan dat er nauwelijks tijdig en zinvol op te reageren valt. In één klap ben ik weer terug bij mezelf, starend naar het plafond. Als het van hogerhand al niet te doen is, waar zou ik dan mijn tijdige en zinvolle reactie vandaan moeten halen?

Je moet er niet in blijven hangen. De eerste keer dat dit – met deze woorden – tegen me werd gezegd, was toen net een van mijn katten voortijdig was overleden. Voortijdig, want hij was jong, en onweerstaanbaar, en sloeg me voortdurend. Ik was gehecht aan de omzichtige omgang die hij afdwong. Niet te snel, en niet te rakelings langs hem lopen. Voorzichtig tussen zijn oren kriebelen, nooit vol op de buik. Niet praten en aaien tegelijk. Ik snapte dat wel, dat laatste.

Niet in blijven hangen.

Door het open raam van mijn slaapkamer bereiken mij de geluiden van de gezonde wereld. Een fiets die op slot wordt gezet. Een buurjongetje dat aan het roepen is naar zijn broertje. Monsterlijke vijandigheden, vermomd als doordeweeks straatrumoer. O ik ben gewoon ziek, denk ik. Dan kan ik nu eindelijk die brief aan W. schrijven, ik heb al veel te lang niks van me laten horen. Kan ik die Vietnambox bekijken, de masterclass dialoogschrijven bij Maria Goos volgen.

Er was iets, maar wat ook weer. O ja, ik ben alles kwijt

Een vriend belt. Nooit te beroerd voor een opbeurende wetenswaardigheid. Of ik wist dat mensen die bij een brand alles kwijt zijn geraakt, gelukkiger door het leven gaan. Nee, dat wist ik niet, merci. In de krant stond ook al zoiets, dat het niet gaat om spullen maar om ervaringen. Een harde schijf, zijn dat spullen of ervaringen? Rustig uitzieken, dat zegt hij ook nog. Niet evalueren als je in bed ligt.

O ik ben ziek. Dan kan ik nu eindelijk op een rijtje zetten waarvoor ik nog geld moet ontvangen. Kan ik de lelijke knopen op mijn jurk vervangen door mooie. Kan ik oom D. en tante H. mailen, dat ik ze niet vergeten ben, en dat ik blij ben dat ze me op mijn opa vinden lijken, zo had ik het zelf nog niet bekeken. Ik was vroeger altijd bang voor hem. En kan ik mijn nagels eens een keer laten doen, ik heb mijn vingers aan flarden gebeten.

Bijten, ik wil bijten tot het bloed vloeit.

Wat ik dan nu ook eindelijk kan doen, is al die boeken naast mijn bed uitlezen, te beginnen met de verzamelde verhalen van Malamud, de verzamelde poëzie van Bishop. Kookboeken de deur uit doen. Ik kan m’n lees- en bespreekritme weer oppakken, al is het maar voor mezelf, mijn laarzen poetsen, de kast opruimen, de tv weggooien.

Hoe kun je ergens níet in blijven hangen?

Ik kan E. mailen, dat we niet zitten te wachten op een stuk over inclusieve literatuur, ik kan die Vlaamse journaliste die me haar verhalen opstuurde laten weten dat ze beter niet kan schrijven over zichzelf als klein meisje, en niet moet benadrukken dat ze aan het schrijven is. Zelfverliefdheid en ijdelheid liggen altijd op de loer, ook op het niveau van de samenleving. Ik kan eindelijk die oud-student een leesverslag sturen, dat ze moet proberen minder dagelijks te schrijven, en minder dramatisch. Dat het daar toch altijd op neerkomt, de gewone dingen de grootte geven die ze toekomt. Je woorden zo kiezen dat je ze bijna niet ziet staan. O en ook geen punchlines alsjeblieft. Daar is het leven te groot voor, te onbeheersbaar.