Natuurgeweld

Jean Giono, Het zingen van de wereld. Uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek, uitgeverij Coppens & Frenks, 281 blz., f59,90
Op vijftigjarige leeftijd besloot Jean Giono (1895- 1970) aan een groot oeuvre te beginnen. Het werd een cyclus van tien boeken, waarvan de roman Le hussard sur le toit de bekendste zou worden. Afwisselend spelen de verhalen in deze en de vorige eeuw, in de Luberon-streek, waar Giono zijn leven lang geeft gewoond. Het publikatieverbod dat hem na de bevrijding werd opgelegd was zwak gefundeerd, maar lichtelijk naief mag hij in zijn halfpolitieke gebaren wel worden genoemd. Hoe het ook zij, van zijn geloof in de mens was weinig over toen hij zich aan zijn naoorlogse werk zette. Maar in zijn vroegere werk, dat wel eens dat van een ‘landschapsschilder’ is genoemd, maakte de mens nog deel uit van een grote en samenhangende natuur, waar begrippen als goed en kwaad nauwelijks telden. Zo lijkt hij in de zojuist vertaalde roman, Het zingen van de wereld uit 1934, meer geinteresseerd in de krachten van de natuur dan in karakters. Als mensen ziek zijn heet dat ‘het lot van het land’ en wie wijs is debiteert de waarheid ‘dat je wat je ook bent moet leven, het kan niet anders’.

Het land in deze roman is overigens volkomen fictief, het heeft meer met de Hautes Alpes dan met de Basses Alpes te maken. Twee mannen, Antonio, een net niet meer jonge god die in de rivier leeft, en Matroos, een oude houthakker, gaan op zoek naar de zoon van de laatste, die sinds hij vertrok om een vracht sparren te halen niet meer is teruggezien. Onderweg stuiten ze op een barende vrouw; meteen ziet Antonio in de blinde vrouw een nieuw levensdoel. In het land van de stierenfokker Maudru ontdekken ze dat de verloren zoon de neef van Maudru dodelijk gewond heeft in de strijd om een meisje. Bij de familie Maudru moet je je een familie als in Eeuwig zingen de bossen voorstellen, ondoorgrondelijke karakters, aloude familieriten, en strijd zodra er eigen bloed vloeit. De twee mannen, belaagd door personeel van Maudru, zien zich gedwongen de winter door te brengen bij de zwager van de houthakker, een gebocheld wijs mannetje dat zieken geneest. Een dramatische wending neemt het verhaal op de dag van het uitbundige, bronstige lentefeest, als de oude Matroos wordt doodgestoken, de blinde vrouw bij Antonio terugkeert en deze met de Paris-figuur uit het verhaal de hoeve van de familie Maudru in lichterlaaie zet, waarna de twee paren per vlot koers zetten naar de eigen streek. Van het verhaal blijft zo niet veel over, ik weet het, maar in feite is het ook niet meer dan een drakerig staketsel dat bezwijkt onder zware natuurbeschrijvingen. Daarin is Giono een ware woordkunstenaar, al duizelt het je af en toe van de vergelijkingen. Dat verbale natuurgeweld is soms nog wel imposant, meer moeite heb ik met het curieuze feit dat in het verhaal alleen maar gezonde mensen voorkomen. De riviergod wordt beschreven als model voor een Grieks beeld, de houthakker is familie van de jager op Moby Dick, de blinde vrouw ruikt en hoort en weet werkelijk alles, de gebochelde is een wijsgeer, de manke stierenfokker heeft een klein hart, zijn zuster is een mythische gestalte en de zieken zijn er om genezen te worden. Zij allen maken deel uit van een groot avontuur dat zich alleen op rivieren, op zee, eventueel in de bossen en hoog in de bergen kan afspelen, want op het platteland, daar leeft de gedegenereerde huismus.
In haar enthousiaste nawoord haalt vertaalster Jeanne Holierhoek een introductie van Giono aan bij een vooroorlogse Engelse vertaling. De schrijver spuwt er zijn gal over het weerzinwekkende heden; maar gelukkig, zo schrijft hij, ‘bestaan er ook mensen die geen weet hebben van de afgrijselijke middelmaat waarnaar het menselijk leven is afgedaald door toedoen van de beschaving, de filosofen, de praters en babbelaars. Gezonde, heldere, krachtige mensen.’ In deze roman zie je ze bezig; het zou Giono’s laatste roman zijn met een optimistische afloop, dat wel.