Natuurlijk boeren

‘TOEN IK BEGIN twintig was verlangde ik zo naar het boerenbedrijf’, vertelt de gastvrouw me in haar over de Beemster uitziende keuken, ‘dat ik hier land gepacht heb. Van een vrouw in De Rijp, die alleen voor biologische landbouw wilde verpachten. Moest ze net mij hebben. Een stukje polder omgeven door water, prachtig. Ik teelde groenten, werkte me het leplazarus, bracht die veldvruchten in een busje naar Amsterdam. Ik verkocht ze daar vooral bij kraakpanden. Hier in de buurt vonden ze mij toen een beetje vreemd. Ik hoorde wel zeggen: meisje, wat stelt zo'n groentebedrijfje nou voor, ga toch in de bijstand.’

Aan het woord is Leijn Melse, een blonde Zeeuwse van veertig, blozend in haar stolpboerderij. ‘Ik houd ervan om in de aarde te wroeten, zo ben ik. Als kind wilde ik al het bedrijfje van m'n opa op Walcheren overnemen. Hij woonde op Meliskerke, wij op Oost-Soeburg. Vanaf m'n veertiende ging ik zo vaak ik kon naar Looverendale, zijn biologisch-dynamische pioniersbedrijf in Serooskerke. Biologische landbouw, dat was in die tijd al voor mij vanzelfsprekend. Op de fiets zag je de enorme spuitapparaten van de boeren aan het werk en daar werd ik toen al niet goed van.’ Buiten horen we het geblaat van de schapen, die hongeren naar hun biks. HAAR MAN, Evert van Zijp, zit zwijgend aan tafel. Bij het blaten lacht hij; niet alleen de schapen wachten op hem maar ook de 55 melkkoeien. Gebruiken jullie echt geen kunstmest, ook geen chilisalpeter, vraag ik. Geen sprake van. Ze leggen de ruige mest op hopen, dynamiseren het met koehoornpreparaat, en daarmee doen ze alles op hun 55 hectare. Eén koe per hectare, want zo hoort het. 'Ik kom je zo wel helpen’, biedt Leijn aan. Maar Evert antwoordt dat ze rustig de tijd moet nemen voor het gesprek. Het koehoornpreparaat, vertelt Leijn, helpt de mesthoop beter te verteren. Het resultaat is een fijne compost waardoor de krachten van de planeten en de maan makkelijker op de plant kunnen inwerken. Het werk heeft ze er graag voor over, evenals voor het bereiden van de brandnetelgier met kwarts. Al dat werk is om gelukkig van te worden. 'Toen ik hier eens in de andijvie bezig was’, zegt ze met kleuter Hidde op haar schoot, 'zag ik een man voorbijvaren, z'n koeien op de praam. Wat een leuke vent, dacht ik. Het was Evert, die toen nog in het bedrijf van z'n vader werkte. Ik zwaaide. Eerst keek hij niet naar me, maar ik heb hem net zo lang opgejaagd tot hij geen kant meer op kon. Ik was vegetariër, maar van dát vlees werd ik wild. Ik rustte niet tot ik mijn tanden in zijn billen had.’ HET BERICHT dat Albert Heijn vanaf het jaar 2005 alleen nog maar onbespoten voedsel wil verkopen, heeft een schok gegeven. Kan het aanbod van biologische producten binnen vijf jaar wel zo toenemen dat aan zo'n geweldige groei van de vraag kan worden voldaan? Of worden de pioniers, de natuurvoedingswinkels, door de reus uit de markt geconcurreerd? Jos Kamphuys opende tien jaar geleden de eerste biologische supermarkt, op de Amsterdamse Weteringschans. Inmiddels heeft hij ook winkels in Bussum en Veenendaal. Kamphuys: 'We draaien steeds beter. Gemiddeld is er de laatste jaren een omzetstijging van tien procent per jaar. Terwijl dat in de detailhandel in het algemeen maar vier à zes procent is. Tot voor kort was het marktaandeel van de natuurvoeding in de gehele voedingssector minder dan één procent. Nu Albert Heijn ermee begonnen is, zal het verdubbeld zijn. Van het Nederlandse landbouwareaal wordt minder dan één procent biologisch, dat wil zeggen: zonder kunstmest en vergif, verbouwd. Dat zal nu wel groeien, vooral veeboeren schakelen vaker om. Voor hen is het ook eenvoudiger dan voor bijvoorbeeld telers van komkommers en tomaten.’ Is hij geschrokken van de stap van Albert Heijn? Kamphuys: 'Sommige collega’s wel, ik niet. Het is in principe positief, zo'n verbreding. Maar Albert Heijn moet niet vergeten dat natuurvoeding een totaalvisie inhoudt. Je moet de klant bewustmaken van de achterliggende problemen. Natuurvoeding is verantwoordelijkheid nemen voor de aarde. Wij kiezen voor biologische landbouw, bij Albert Heijn ligt dat anders, die doen het uit trendgevoeligheid, die hebben de Amerikaanse markt als voorloper van de Nederlandse scherp in de peiling. Ik denk dat wij van de stap van Albert Heijn profiteren zolang ze nog een assortiment van ruim honderd natuurvoedingsartikelen hebben. Als dat er vijfhonderd worden, ligt het anders, dan zijn wij het haasje. Er zijn in de kleinere steden nogal wat natuurvoedingswinkels gestopt, misschien in verband met Albert Heijn. Maar het kan ook andere redenen hebben. De verplichting bijvoorbeeld dat je het product van het begin tot het eind op twee graden moet koelen, is erg zwaar en onnodig. Heb je je best gedaan om de spullen goed koud te laten worden, dan zie je de klant een uur in de zon staan lullen met z'n tas in de hand. Meer bewustwording, minder koeling! Het zal er ook van afhangen in hoeverre Albert Heijn eerlijke prijzen hanteert. Als je nu ziet dat ze voor biologische melk 99 cent vragen, dan is dat niet eerlijk. Noodzakelijk is nu eenmaal een goede prijs voor de biologische boer plus een marge voor de handel. Met die 99 cent voor melk wekken ze psychologisch een vals beeld van de kosten van biologische producten, die ze ongetwijfeld op andere producten weer terughalen. Eerlijke prijzen en achter je producten staan, dan gaat het goed is mijn ervaring. Omdat je dan bewuste consumenten krijgt. Amsterdam is trouwens een bolwerk van de biologische handel. Omdat de stad een grote groep progressieve mensen met geld heeft. Nederland als geheel is rijk genoeg, maar er wordt weinig in voedsel en gezondheid geïnvesteerd. De gemiddelde Nederlander heeft vorig jaar zeventienduizend gulden gespaard, daarvan had best wat aan biologische voeding uitgegeven kunnen worden. Nu gaan de Gimselketen en de Natuurwinkelketen de krachten bundelen om Albert Heijn het hoofd te bieden.’ ALS IK TUSSEN de middag de biologische winkel De Weegschaal in de Jodenbreestraat binnenstap, moet ik lang wachten. Men verdringt zich voor de toonbank, dat heb ik in geen jaren gezien. Het valt me des te meer op omdat er aan de overkant een gloednieuwe, goedlopende Albert Heijn zit. 'Het gaat ineens heel goed’, zegt Antonia Boshart, die de winkel al sinds de jaren zeventig drijft. 'Albert Heijn bluft. Ik geloof er niks van dat ze binnen vijf jaar de winkels vol onbespoten producten hebben en dat dat allemaal voor een redelijke prijs verkocht zal worden. Daar heb je bewuste consumenten voor nodig.’ Maar Ingrid Baks van de Gimselwinkel in de Ferdinand Bol zit er niet mee. 'Ik vind het geweldig dat Albert Heijn de trend volgt: een krachtige impuls voor een goed milieu.’ ALS LEIJN HAAR vingers over haar wang strijkt, maakt het een zacht-raspend geluid. 'Wij verkopen onze melk nu aan Campina-Melkunie. Rond 85 cent per liter krijgen we. In de dagen van de biologische vereniging rond Limmen was dat meer dan een gulden. Maar ja, zij moesten het overdoen aan Campina, en we krijgen voor onze biologische melk altijd nog een dubbeltje meer dan voor de gangbare melk.’ Ik vergelijk dit razendsnel met de 47 cent die ik twintig jaar terug van de Winschoter Melkfabriek ontving, toen die nog geen onderscheid wilde maken tussen biologische en gangbare melk, en prijs haar lot. 'Ja, het gaat goed. We zijn wel een beetje ingepakt door het systeem, hè? Eigenlijk had ik liever te maken met de twee biologisch-dynamische broers die de zuivelfabriek in Limmen gesticht hebben. Maar zo gaat het ook. De prijs is voor drie jaar gegarandeerd. We hebben een quotum van 300.000 liter, dus ga maar na wat we bruto jaarlijks voor de melk binnenkrijgen. Daar komt dan nog bij wat we vangen voor de kalveren. De prijs voor een nuchter kalf is nog altijd vier à vijfhonderd gulden. Maar er gaat ook een heleboel weg: voor de pacht aan Staatsbosbeheer, de investeringen, de aankoop van veevoer. Wat we overhouden is toch in elk geval meer dan twintigduizend gulden per jaar.’ Evert, net weer uit de overall, knikt tevreden. Het gaat goed. Vroeger werden hij en z'n vader versleten voor achterblijvers. Ze stonden bekend als boeren die zich niet inspanden voor nóg weer een dikkere trekker, ze spoten niet om de brandnetel weg te krijgen maar maaiden die hardnekkig. Nu is de mening over hen veranderd. 'Ze worden nu als voorlopers beschouwd.’ Evert lacht verlegen als Leijn het zegt. 'Iedereen weet nu wel dat biologisch beter is. Het geeft aanzien in het dorp. Vroeger wezen ze naar hun voorhoofd als een boer aan natuurbeheer wilde doen. Voedselproductie, dat was het enige. Maar nu hoor je er helemaal bij als je van de Agrarische Natuurvereniging Eilandpolder bent. Van de honderddertig boeren zijn er hier dan ook 97 lid.’ Zelf zit Leijn al negen jaar in het bestuur van de ANE. Ze lobbyt niet zonder succes bij de provincie. 'In 1995 hebben we anderhalf miljoen voor de vereniging gekregen en het laatste jaar nog eens 180.000 gulden. Dat sluizen we dan weer door naar de bedrijven die weidevogels in leven laten door om de nesten heen te maaien.’ Leijn en Evert ontvangen ook inkomsten uit de Beheersovereenkomst met het ministerie op grond van de Relatienota. Als compensatie van gederfde inkomsten, inkomsten die zij zouden kunnen hebben als zij het fraaie laagveengebied niet zouden ontzien - een soort loon voor natuurbeheer dus. Toch is Leijn niet gelukkig met de landbouwpolitiek en de mestwetgeving. Die houdt veel te weinig rekening met het specifieke karakter van hun gebied. 'Op bevroren grond, in het najaar dus, mag je geen mest uitrijden. Die zou te veel uitspoelen naar de sloten. Maar toevallig is het najaar voor onze drassige grond wel de allerbeste tijd. Nu moeten we in juni of juli uitrijden, als de gewassen al hoog staan of gemaaid zijn. Ze zijn star in Den Haag, ze willen geen precedentwerking. Maar in de landbouw moet je juist letten op het eigene van de natuurlijke basis. Ons staan ze niet toe om de composthopen zonder betonnen mestplaat op te zetten. Maar daardoor missen de composthopen het directe contact met de wormen in de grond. En dan die gele flappen! We hebben ons er zo lang mogelijk tegen verzet dat onze koeien ze zouden dragen. Maar toen ons bedrijf geblokkeerd werd, kon Evert er niet meer tegen, het greep hem te veel aan. We hebben het maar geaccepteerd, hoewel het met de koeienschetser van vroeger natuurlijk beter was. We zijn er trots op dat onze koeien nog horens hebben. Ik ben geen antroposoof, maar ik geloof dat die horens wel degelijk een speciale functie hebben. Als de koeien in de wei komen, gaan ze met de horens uitvechten hoe de pikorde in de kudde is. Dat moet gewoon, hoe kan dat zonder horens? Je ziet ze dan wel naar elkaar bijten als honden, dat is toch een zielig gezicht. Slecht hoor, dat ecologische boeren hun koeien mogen onthoornen.’ IEMAND VAN de Albert Heijn in de Jodenbreestraat toont me de schappen. 'Tegenwoordig staan die biologische producten verspreid, vroeger hadden we ze in een hoekje: het “kneuzenhoekje” werd dat genoemd. Ach ja, tegenwoordig ligt dat anders. Biologisch wordt nu goed verkocht, daardoor zakken ook de prijzen.’ 'Nee’, zegt Leontine Gast, manager biologische producten van Albert Heijn, 'we redden het niet om over vijf jaar louter biologische producten aan te bieden. We lopen op twee benen. Het ene is de gecontroleerde teelt. Dat betekent dat we de telers houden aan de rijksvoorschriften voor de vermindering van het gebruik van vergif. We worden daarin begeleid door het Centrum voor Landbouw en Milieu. Het andere is dat we zoveel mogelijk biologische producten willen gaan verkopen. Dat laatste vraagt dat er meer telers overschakelen en dat proberen we te bevorderen. Wij streven ernaar binnen vijf jaar alleen nog producten te verkopen die zonder chemische bestrijdingsmiddelen zijn geteeld.’ Alhoewel minister Apotheker onlangs een bezoek bracht aan de duizendste biologische boer (Nederland kende er tot twaalf jaar geleden maar driehonderd), spuiten de boeren in ons land de laatste tijd méér. In het begin van de jaren negentig is door de regering het Meerjarenplan Gewasbescherming opgesteld. Daarin staat dat het gebruik van chemische middelen in het jaar 2000 moet zijn gehalveerd. Het is op de gedachten van dit stuk dat de gecontroleerde teelt van Albert Heijn zich baseert. Als het bedrijf stelt dat het in dat opzicht 'voorop loopt’, dan doet het dus niets anders dan wat de hele voedingsmiddelenbranche, vanaf de boer tot de toonbank, zou moeten doen. Volgens Nefyo, de belangenorganisatie van de agrochemische industrie, is er een stijging in de verkoop van achttien procent. Ook worden er zwaardere middelen dan voorheen verkocht. Het resultaat is, volgens de Stichting Natuur en Milieu, dat de bodem het afgelopen jaar twaalf keer en het grondwater maar liefst 77 keer meer is vervuild dan in 1997. Het zijn cijfers die aantonen dat we nog maar aan het begin staan van een wending ten goede. BIOLOGISCH BOEREN betekent harder werken, want meer wieden en schoffelen. Hoe redt het gezin van Leijn en Evert, met maar liefst vijf jonge zoons, zich? 'We hebben in de loop der tijd wel dertig, veertig vrijwilligers gehad. Maar je wordt kritischer. Eerst bemoederde ik hen, tot we merkten dat al dat volk je privacy aantast. Kaas maken doe ik nu alleen voor eigen gebruik. Als hulp hebben we nu iemand van Eko-Job, voor weinig geld, niet-inwonend.’ Het werk is wel iets vereenvoudigd, omdat het tuinbouwbedrijf momenteel niet functioneert. 'Vorig jaar’, vertelt Leijns, 'had ik voor het eerst geen tuin omdat het land blank stond. Ik voelde me geamputeerd. Als ik naar de groenteboer ging om een pond andijvie te kopen was het net een toneelstuk. Wat is een pond? Vroeger kende ik alleen een krop. Twintig jaar had ik een moestuin en wie ben ik nu, zonder moestuin?’ Ik vertel haar het nieuws van Albert Heijn. Leijn reageert sceptisch. 'Stond er ook in de krant dat de consument dan bereid moet zijn een betere prijs te betalen? De mensen worden in het algemeen toch liever lid van Natuurmonumenten, voor hun geweten, en kopen ondertussen een goedkope kotelet. We geven in Nederland relatief weinig geld aan voedsel uit. Zo'n plan om over een jaar of vijf vrijwel alleen nog maar biologisch voedsel te verkopen, kan alleen als er een veel grotere bereidheid is om goede kwaliteit redelijk te betalen. Niet dat geld het enige is. Als ik buiten werk, stellen voorbijgangers me wel eens de cynische vraag: “Wat verdien je nu per uur?” Mijn antwoord is dat ik lééf per uur en dat dat niet te betalen is. Ik merk dat er veel meer belangstelling is voor biologisch voedsel. Het is een heel goede reactie op al het slechte nieuws over varkenspest, BSE, gemanipuleerd voedsel. Mensen raken gealarmeerd. Wat geef ik mijn kinderen eigenlijk te eten? Ik zeg echt niet tegen de mensen: ja, maar vroeger wilden jullie het niet, en nu ineens wel? Biologisch voedsel moet gewoon. Anders is er geen toekomst. Eindelijk is er erkenning voor ons, biologische boerinnen. Ook van collega-boeren. Je hoeft je niet meer te verantwoorden. Vroeger waren er steeds van die vragen: waarom spuit je niet? Weet je niet dat je zonder kunstmest geen opbrengst hebt? Maar ik ben niet afhankelijk van erkenning. Dat ik het zonder erkenning af kan, is het fijnste besef. De bevrediging die het me vroeger gaf om goed te boeren, natuurlijk te boeren, dat gaf me genoeg om het gat van de miskenning te vullen. Ik heb meelij als ik die beelden zie van grote varkensboeren met hun bio-industrie, jammer dat het zo ver gekomen is. ammer voor mensen en dieren. Als je diep in hun hart kijkt denk ik dat er geen mens is die daarvoor kan staan. Maar ik voel nu, uit al die positieve belangstelling voor biologisch boeren, dat dat zal veranderen.’