Kunst: Gaudí

Natuurlijke vormen

Gaudí, Sagrada Família, Barcelona © Museum Het Schip

Tussen de architectuur van Antoni Gaudí i Cornet (1852-1926) en die van de dames en heren van de Amsterdamse School zit op het oog een sterke overeenkomst: de buitenissige vormentaal. Die kwam uit min of meer dezelfde bronnen voort. De Amsterdammers en Gaudí deelden een voorliefde voor natuurlijke vormen – planten, schelpen, kristallen – en ze hadden allemaal geshopt in de Perzische, Japanse, Indiase, Egyptische, Noordse kunsten. Zowel de Amsterdamse School als Gaudí was schatplichtig aan de neogotiek, zoals uitgedragen door de Franse architect Viollet-le-Duc, en beiden werden beïnvloed door ‘historiserende’ theoretici als Ruskin, Pater en Morris. Ten slotte hadden ze een voorkeur voor een bont arsenaal aan ambachten en materialen en voor verregaande integratie daarvan in één groot werk.

Ze kenden elkaar niet, overigens. De architectuur van Gaudí was enigszins bekend buiten Spanje, maar hij was een solitaire figuur, die nooit iets op papier had gezet en ook geen les had gegeven, dus informatie over zijn gedachtegoed is schaars. Bij zijn dood werd hij in Nederlandse kranten dan ook vooral herdacht vanwege zijn onafgebroken arbeid – meer dan veertig jaar – aan de afgrijselijke kathedraal van de Sagrada Família in Barcelona: ‘Alle vreemdelingen die de stad bezoeken, gaan het fantastische bouwwerk zien’, aldus het Handelsblad in een necrologie.

Tijdens het XIe Internationale Architectencongres in Nederland in 1927 werd Gaudí echter in een vergelijking van ‘moderne’ bouwkunst in Europese landen ook om zijn inhoudelijke kwaliteiten naar voren gehaald. De architectuur in Spanje werd volgens het congresverslag gekenmerkt door ‘onzekerheid en zucht naar vernieuwing’, wat had geleid tot een modernisme ‘dat ware verwoestingen aanrichtte’; maar daarin stond de monumentale architectuur van Gaudí apart, als ‘echt cerebrale, filosofische kunst, samengaande met een gelouterde sensibiliteit’.

In vergelijking daarmee was de ‘moderne’ bouwkunst in Nederland een stuk ‘realistischer’, vond men, maar ook daar manifesteerde zich ‘het vormscheppende gevoel’, dat zich aan dat ‘intellectuele’ wilde ontworstelen. De congresgangers van 1927 zagen dus in het werk van Gaudí een ‘twee-eenheid van gevoel en verstand’, en zij bespeurden dat ook in de Amsterdamse School: een ‘realistische’ architectuur, bezield door ‘het individueele’.

De tentoonstelling Gaudí en de Amsterdamse School toont een variatie van modellen en details: maquettes van Casa Batlló en de kathedraal, deuren en deurkrukken, vloertegels en mozaïek. Men leunt – begrijpelijkerwijs – meer op het visuele aspect dan op het theoretische. Er is ook eigenlijk geen gedeelde geschiedenis: hier komen twee opmerkelijke fenomenen langszij, zonder vast te maken. Wel is goed te zien dat Gaudí niet alleen een fantast van klasse en een katholieke fanaticus was, maar wel degelijk ook een knappe timmerman en een vakkundig constructeur.

Overigens stond die waardering in kringen van architecten ver af van wat ‘de gewone man’ er zoal van dacht. De Telegraaf noemde in 1927 Gaudí’s architectuur nog de ‘laatste bokkesprong’ van de baroktradities van Catalonië: ‘De eerste gedachte der zeer moderne aanhangers van deze richting schijnt te zijn de ontbinding van alle vormen, de vermijding van alle starre lijnen, om (…) den indruk van onbegrensde bewegelijkheid teweeg te brengen. Daarbij verslinken onze dolste nieuwbouwexcessen.’


Gaudí en de Amsterdamse School, Museum Het Schip, t/m 31 maart, hetschip.nl