Immanuel Kant, De drie kritieken

Nauwelijks meer gelezen wijsgeer

Immanuel Kant

De drie kritieken

In hun samenhang met het totale werk gepresenteerd door Raymund Schmidt

Sun, 472 blz., € 29,50

In zijn klassieke A Short History of Ethics stelt Alasdair MacIntyre dat de meeste mensen die niets van filosofie weten onder moraal hetzelfde verstaan als wat Kant eronder verstond. Diens befaamde categorische imperatief heeft het immers, negatief geformuleerd, geschopt tot een door iedereen onderschreven tegeltjeswijsheid: «Wat u niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet.»

Ook onder mensen die ervoor hebben doorgeleerd geniet Kant nog steeds groot aanzien. Dat bleek onlangs uit de enquête van Filosofie Magazine. Gevraagd naar de tien belangrijkste filosofische geschriften kenden de vaderlandse academische wijsgeren Kants Kritik der reinen Vernunft de tweede plaats toe, na Aristoteles’ Ethica Nicomacheia, maar vóór de hoofdwerken van Plato, John Rawls, Descartes en Spinoza, en ver voor Heidegger. Wel werd hierbij aangetekend dat de eerste van Kants Kritieken een bijzonder moeilijk boek is, niet aan te raden voor een beginnende filosofielezer.

Martin van Amerongen sabelde ooit een auteur neer met de mededeling dat deze zich had bediend «van het meest afschuwelijke Duits dat sinds Immanuel Kant op papier is gesmeten». Wie onvoorbereid en gewapend met slechts een elementaire kennis van het Duits de Kritik der reinen Vernunft openslaat, zal inderdaad al snel de moed opgeven. Het hoge abstractieniveau en de pijnlijk zorgvuldige redeneertrant zijn er de oorzaak van dat het boek niet «lekker weg leest».

Ook in het Nederlands, zoals de fragmenten die zijn opgenomen in de onlangs vertaalde en door Raymund Schmidt verzorgde bloemlezing, is het bepaald geen bedlectuur. Kant ontwierp een enorm wijsgerig stelsel en schreef geen lekker «bekkende» en vaak paradoxale aforismen à la Nietzsche. Wat Kant schrijft is te controleren, je kunt zijn redenering begrijpen. Dit in tegenstelling tot de orakeltaal van Heidegger, die je vooral moet geloven. Bovendien heeft Kant ook nog tal van kleinere Schriften gepubliceerd, die veel toegankelijker zijn.

Het feit dat Kant hoge eisen aan zijn lezers stelde heeft er mede voor gezorgd dat hij tegenwoordig wordt beschouwd als een belangrijk wijsgeer, maar een die nauwelijks meer gelezen wordt. Daar komt nog bij dat het inmiddels een gemeenplaats is geworden dat je als filosoof «niet om Kant heen kunt», maar dat hij toch enigszins achterhaald is. Nu geldt dat uiteraard voor alle oudere filosofen, maar in het geval van Kant zijn het vooral de vele epigonen die zijn zaak geen goed hebben gedaan.

Bekend is het epigram waarmee Schiller al die ijverige Duitse filosofieprofessoren, die rond 1800 het denken van Kant probeerden samen te vatten en uit te dragen, belachelijk maakte: «Hoe toch een enkele rijke zoveel bedelaars van voedsel voorziet! Als koningen bouwen, hebben de werkezels het druk!» In hun drift om Kant begrijpelijk te maken, simplificeerden zij diens denkbeelden en brachten die terug tot een aantal dorre formuleringen.

Zelfs veel originelere navolgers van Kant, zoals Fichte, Schelling, Hegel en Schopenhauer, droegen bij tot een verschraling en vertekening van Kants filosofie. Uit het enorme oeuvre van Kant pikten zij vooral Kritik der reinen Vernunft, en beperkten zich daarbij ook nog eens voornamelijk tot de leer van de elementen, die zich bezighield met de verhouding van het kennende subject tot het object van kennis. Door weinig tot geen aandacht te schenken aan de ruimere context van Kants denken, werden diens waarschuwingen tegen de beperkingen en het mogelijke misbruik van het speculatieve denken in de wind geslagen.

Fragmenten van Kants filosofie waaierden alle kanten op en de filosofen die zich deels op hem beriepen verwijderden zich steeds verder van het door Kant beoogde doel: de zelfvervolmaking van de mens in de richting van het zuiver redelijke wezen dat in ons sluimert.

Aan het einde van de negentiende eeuw klonk dan ook de roep om «terug naar Kant» te gaan. Er ontstond een bloeiend en rijk geschakeerd neokantianisme dat dikwijls ook al weinig te maken had met het denken van de meester zelf. Anders dan bij Kant staat bij de neokantianen niet het morele bewustzijn centraal, maar concentreren zij zich op datgene wat voor Kant min of meer een hulpmiddel was, de logische ontleding van de rede en schematisering van haar standpuntbepalingen. Hiermee proberen zij het fundament te leggen voor drie «zuivere wetenschappen»: een logica van de zuivere kennis, een ethiek van de zuivere wil en een esthetica van het zuivere gevoel.

In de praktijk leidde dit tot een enigszins naïef vooruitgangsoptimisme. Kant werd voorgesteld als de ultieme Verlichtingsfilosoof, en dat terwijl de kritiek op de Verlichting begon aan te zwellen. Na de beeldenstorm van Nietzsche plaatsten meer denkers vraagtekens bij de menselijke rede en was het vooral een Verduisteringsfilosoof als Heidegger die tegemoet kwam aan het romantische verlangen naar het Diepere. Heidegger beschuldigde Kant van intellectuele lafheid, omdat hij te weinig waarde zou hebben toegekend aan de verbeeldingskracht. In de discussie over de vraag in hoeverre dit verwijt terecht was is al heel wat inkt vergoten, en uiteraard zijn Kants ideeën voor veel kritiek vatbaar. Het verwijt van lafheid klinkt echter uit de pen van Heidegger nogal merkwaardig.

Volgens Kant luidde de zinspreuk van de Verlichting: sapere aude — heb de moed je van je eigen verstand te bedienen. Volgens zijn eigen filosofie hield dat in dat je dus ook de moed diende te hebben je eigen geweten te volgen.

Een van Heideggers leerlingen, Hans Jonas, beschrijft in zijn memoires hoe hij als soldaat van de Joodse Brigade in 1945 terugkeerde naar Duitsland. Hij ontdekte dat van alle hoogleraren bij wie hij colleges had gevolgd er tijdens het Derde Rijk slechts één zijn rug volkomen recht had gehouden. En dat was uitgerekend de minst interessante hoogleraar die hij kende, de kantiaan Julius Ebbinghaus.

De naar diep inzicht hunkerende Jonas had hem oorverdovend saai gevonden, maar toen het erop aankwam was Kants categorische imperatief een beter richtsnoer geweest dan het ontologische avontuur van Heidegger. Dat had immers geresulteerd in een moreel vacuüm, terwijl de praktische filosofie van Kant gericht is op het ontwikkelen van moreel besef.

Uiteraard geeft Kant geen antwoord op alle vragen, maar de geschiedenis van de twintigste eeuw heeft laten zien welke rampen zich voltrekken als dit doel uit het oog wordt verloren.