Navels op het dek

Een pittig getrainde vent die met gevaar voor eigen leven goed werk verricht, zie- daar de marinier. Altijd paraat, onmiddellijk inzetbaar, waar en hoe dan ook. ‘We kunnen heel wat meer dan alleen zeelucht snuiven.’

EEN GROEP MARINIERS stormt recht op ons af. De voorste grijnst. Zijn automatische geweer in de aanslag, onder zijn zwarte baret met rood anker een gelaat met zwarte vegen. ‘Schwarze Teufel’ noemden de Duitse parachutisten de mariniers die in de meidagen van 1940 tot de laatste man de Rotterdamse Maasbruggen verdedigden. Op de achtergrond de rest van de aanstormende eenheid, en de landingsboot die de geweergroep zojuist op de kust heeft gezet. De foto is meer dan manshoog, angstaanjagend en grotesk. Majoor der mariniers Amon van den Borg, stafofficier voorlichting, heeft gemengde gevoelens bij dit moderne voorlichtingsmateriaal. 'Het ziet er wel spectaculair uit’, zegt hij, 'maar het klopt niet helemaal. We zijn het uiterst inzetbare middel; als het moet, gebruiken we maximaal geweld. Maar gelukkig is het niet meer van deze tijd dat stapels doden voor lief worden genomen. Als we landen gebeurt dat ’s(nachts, op een deel van de kust waar de vijand zwak is en hij ons absoluut niet verwacht.’ MARINIERS ZIJN van oorsprong zeesoldaten. In 1665 maakten Michiel de Ruyter en raadspensionaris Johan de Witt zich sterk voor de oprichting van een marinierseenheid. Vóór die tijd werden landsoldaten op oorlogsbodems geplaatst om de kanonnen te bedienen. Maar die troepen waren doorgaans slecht getraind, slecht gemotiveerd en niet geneigd tot de discipline die hoort bij het leven aan boord van schepen. Met de komst van de mariniers, getraind in land- en zeegevecht, nam de slagkracht van de Nederlandse vloot toe. Dat ondervonden de Britten in 1667, tijdens de roemruchte tocht naar Chatham. Mariniers maakten kustforten onschadelijk, zodat De Ruyter op de Theems de Britse vloot kon vernietigen. Het Korps Mariniers groeide uit tot een expeditionaire eenheid, vervoerd per schip en uitgeladen in de koloniën om daar have en goed van de Nederlandse heersers veilig te stellen. Die taak kenmerkte het korps tot diep in de jaren zestig. Na het verlies van Nieuw-Guinea sloten de Nederlandse mariniers zich aan bij de oude Britse erfvij and. De Britse Royal Marines (nét iets eerder opgericht dan het Nederlandse korps) hadden de noordflank van de Navo onder hun hoede. Ook Nederlandse mariniers gingen deelnemen aan barre koudweertrainingen in Noorwegen en bergtraining in Schotland. De aloude jungletraining bleef bestaan, en nog altijd zijn mariniers gelegerd op de Antillen. Het huidige Korps Mariniers telt zo'n drieduizend man. Als de tekenen niet bedriegen en de politiek akkoord gaat, krijgt het korps er binnenkort driehonderd mariniers bij. Moderne mariniers zijn militaire specialisten, getraind om overal ter wereld, onder alle omstandigheden en op elk terrein te kunnen opereren. Qua patet orbis luidt de lijfspreuk van het korps: zo wijd de wereld strekt. Dat betekent kikvorsmannen, parachutisten, mountain leaders, een counter-terreureenheid (de Bijzondere Bijstands Eenheid), een mortiercompagnie, snipers en amfibische eenheden. Altijd paraat, onmiddellijk inzetbaar, waar en hoe dan ook. Het Korps Mariniers is, kortom, een elite-eenheid. Generaal-majoor der mariniers E. Klop, commandant van het korps, opent een imposante doos Sumatra Cum Laude en steekt er een op. Hij blaast de rook bedachtzaam voor zich uit en zegt: 'Dat moeten anderen beoordelen. We hebben de interne ambitie om een effectief instrument te zijn van de Nederlandse buitenlandse politiek. We willen aan de verwachtingen voldoen en méér dan dat. We willen natuurlijk graag eerste keus zijn en dat kan alleen door je te bewijzen. Ik geloof dat we wel goed uit de bus komen. Al blijven amfibische operaties onze core business, we kunnen heel wat meer dan alleen zeelucht snuiven.’ DE BBE-INSTRUCTEUR staat aan de verkeerde kant van de vangrail: 'Rechtop, alsof ze een stokkie in je reet hebben gestoken. Ellebogen tegen de borst, handen voor het gezicht, tussen de vingers door gluren. Blik recht vooruit, niet naar beneden kijken. Oriënteer je op die windmolens in de verte.’ Elf meter is helemaal niet hoog. Zeker niet als je recht naar beneden kijkt. Maar dat mag niet van de instructeur. Tussen de windmolens in de verte en de elf meter hoge verkeersbrug liggen kilometers kanaal. Daardoor voelt de hoogte immens. Maar wat is nou een sprong van elf meter? Vier verdiepingen van een gemiddeld flatgebouw? Een marinier moet zijn grenzen durven verleggen. De instructeur vervolgt: 'Niet springen, maar stappen. Een flinke stap naar voren en aansluiten met je andere been. Benen bij elkaar, dan val je recht naar beneden. Zo ongeveer.’ De instructeur schiet kaarsrecht richting het kanaal, knalt door het wateroppervlak en komt na een paar seconden weer boven. Niks aan de hand, hoezo elf meter? Maar de val duurt langer dan verwacht, de klap komt harder aan dan ingecalculeerd en de verwarring bij het bo venkomen is compleet. Elf meter lager zijn de windmolens verdwenen, er is slechts een verkeersbrug met kleine poppetjes die zich, waarschijnlijk grijnzend, over de vangrail buigen om de rekruut naar lucht te zien happen. Dan komt de adrenaline, aartsvijand der zelfbeheersing. 'Nog een keer!’ giert het door de aderen. Maar als na het aan land klauteren het normale denken terugkeert, besluit ik, soppend in het kikvorspak, deze ervaring uniek te laten. Die keuze maken de mariniers die zich hebben aangemeld voor de BBE en door de eerste selectie zijn gekomen, niet. Ergens in het zuiden van Nederland zijn ze bezig aan hun 'introductieweek’. Bij het onderdeel brugspringen worden ze voornamelijk getest op hoogtevrees en doorzettingsvermogen. Onder de brug is een par cours uitgezet dat het uiterste van de mannen vergt. Na de elf-metersprong mogen ze niet rustig langs de oever aan land klauteren, maar moeten ze de brug beklimmen via een smal, glad, vervaarlijk slingerend touwladdertje. Er wordt afgedaald langs touwen, over de boog van de brug gelopen (minstens dertig meter boven het kanaal) en geschuifeld over een pvc-buis die los om een horizontaal gespannen touw hangt. De mannen dragen vaalgroene overalls met nummers op borst en rug. Bij alles wat ze doen, worden ze gadegeslagen door instructeurs die elk foutje noteren. Ze zijn al bijna een week bezig en hebben per nacht niet meer dan drie uur geslapen. De instructeur: 'Slaapgebrek toont ons de ware aard. Als je één bekertje water neerzet voor een groep die is afgemat, en de man die eerder zo fantastisch samenwerkte met zijn team, zich naar voren elleboogt, weten we genoeg. Dan is de kans aanwezig dat hij ook te veel aan zichzelf denkt als-ie onder zware stress een gebouw moet binnendringen om gijzelaars te bevrijden.’ En dat is uit den boze bij de BBE, want de eenheid treedt op in extreem gevaarlijke omstandigheden waarbij precisie en samenwerking onlosmakelijk zijn verbonden met leven en dood. De eenheid bestaat volledig uit mariniers, is vierentwintig uur per dag paraat en staat ter beschikking van de minister van Justitie. De identiteit van officieren en manschappen wordt geheimgehouden, evenals de grootte, de bewapening en exacte gegevens rond acties die de eenheid in het verleden hebben uitgevoerd. De commandant van de BBE wil dan ook niet veel kwijt. 'Wij passen geen maximaal geweld toe, maar chirurgisch geweld. Binnendringen, gijzelaars bevrijden, terroristen uitschakelen.’ Op maritiem gebied heeft de BBE internationaal respect afgedwongen met boarding-operaties om de naleving van embargo’s te controleren. Een van de onderdelen waarin de manschappen uitblinken, is de snelle afdaling vanuit helikopters teneinde verdachte schepen op volle zee te controleren, zoals veelvuldig gebeurde bij voormalig Joegoslavië. In Bosnië arresteerden BBE-mariniers bovendien twee van oorlogsmisdaden verdachte Kroaten. Onlangs nog, in februari, kreeg de eenheid een telefoontje terwijl ze op een schip aan het oefenen was. Of ze zich wilden voorbereiden op een actie in Den Haag, waar de vrouw van de Griekse ambassadeur, haar zoontje en een kindermeisje werden gegijzeld door Koerden? Op de valreep bleek de BBE niet nodig. GENERAAL-MAJOOR Klop: 'Toen we begin jaren negentig begonnen met vredesoperaties vroegen velen zich af of we dat konden. Zijn die lui wel geschikt om humanitaire taken te verrichten? Wordt het korps een hulporganisatie? Nu hebben we Haïti, Noord-Irak, Cambodja, Bosnië, Honduras en Albanië gehad. We zijn geen zondagsschool, we zijn er niet om de hele dag alleen maar mensen te helpen. We zijn militairen en getraind in combat. Als het moet, gebruiken we die training. Maar we hebben bewezen dat we onze gevechtstaak uitstekend kunnen combineren met onderhandelen, brood uitdelen en scholen bouwen. Ik ben daar heel gelukkig mee. Wie had tien jaar geleden ooit gedacht dat we zouden samenwerken met Ontwikkelingssamenwerking?’ Zoals elke marinier heeft Klop flink gerouleerd voor hij commandant werd. Het korps waakt ervoor een hoofdkwartierkaste te laten ontstaan. Klop was onder meer plaatsvervangend brigade-commandant van de Brits-Nederlandse eenheid die in 1991 actief was bij de hulpverlening aan de Koerden in Noord-Irak. Ook majoor Van den Borg bekleedde operationele functies voordat hij op het hoofdkwartier terechtkwam. Hij diende onder meer in Bosnië. In Sarajevo opereerden troepen van het Franse vreemdelingenlegioen, die pakten de peacekeeping anders aan dan de Nederlandse mariniers. De Serviërs bezetten een brug die onder Franse controle stond. De Fransen reageerden met een frontale aanval. Resultaat: acht doden aan Servische, vier aan Franse kant, maar de brug hadden ze terug. GENERALE REPETITIE. Twaalf wandelende bomen rukken op vanaf de bosrand en storten zich op het struikgewas. Gekraak. Stilte. Men oriënteert zich. Weer gekraak, maar er is niets te zien. Totdat de man die zich net heeft opgericht een beweging maakt. Hij bevindt zich op nog geen drie meter afstand. Minuten later kruipt de een na de ander uit de bosschage, tijgert het fietspad over en begeeft zich in de nauwelijks dekking biedende heide tergend langzaam op weg naar de gelokaliseerde observatiepost. Twaalf man met hun navels op het dek. Dat zeggen mariniers als ze bedoelen dat je plat op je buik moet. Ook als ze midden op de heide zitten. De twaalf bomen zijn mariniers die op de Veluwe worden klaargestoomd voor het sniper-examen. Elke marinierscompagnie heeft een aantal snipers in de gelederen: scherpschutters die getraind zijn in het observeren, verkennen en in kaart brengen van vijandelijk terrein. Net als bij de BBE worden de namen van de mannen niet vrijgegeven. De sniper-sergeant: 'Je weet nooit waar en wanneer we worden ingezet. Bij eventuele tegenstanders zijn we op z'n zachtst gezegd niet populair.’ Mariniers-snipers zijn gevreesd. Het zijn scherpschutters die op zeshonderd meter moeiteloos iemand neerleggen. Tot op achthonderd meter kunnen ze 'storend vuur’ afgeven, wat betekent dat de trefkans iets onder de negentig procent ligt. De enige beperking is hun wapen. Het schiet nu eenmaal niet verder dan het schiet. Tijdens de Falkland-oorlog wist één Argentijnse sniper een Britse eenheid dagenlang bezig te houden volgens het klassieke principe: eerst de mannen met radioantennes op hun rug omleggen, dan de mannen met kaarten en degenen van wie wordt vermoed dat ze het commando voeren. Vervolgens flink verwarring blijven stichten. 'Voor een goed opgeleide sniper die slim positie heeft gekozen een fluitje van een cent’, zegt de sergeant. 'Artillerie deert hem nauwelijks. Als hij beschikt over stalen zenuwen en zich goed heeft ingegraven, is het vrijwel onmogelijk hem met een granaat uit te schakelen. Het enige wat je kunt doen is een van je eigen snipers erop af sturen. Als je die hebt, tenminste.’ Sinds Sarajevo is snipen niet bepaald populair. De sluipschutters van de mariniers oefenen zich echter ook in het counter-snipen binnen de bebouwde kom, met als doel het uitschakelen van 'collega’s’ als die in Sarajevo. Counter-snipen is levensgevaarlijk. Voor de Serviërs in Sarajevo, die beschikten over warmtecamera’s en speciale munitie, bleek een counter-sniper van de VN die zich veilig waande achter een muur, een makkelijk doelwit. Hij werd gedood met een pantserkogel die zich dwars door het steen boorde. Maar de grootste angst van de sniper is ontdekking. Een sluipschutter die in vijandelijke handen valt, hoeft niet te rekenen op genade. Daarom is de opleiding van een mariniers-sniper zwaar. De sergeant: 'De nadruk ligt op psychische druk. Een sniper moet geen druktemaker zijn en zijn zenuwen in bedwang hebben. Je moet ontzettend scherp zijn. Eén foutje en het is afgelopen. Dat geldt dus ook tijdens de opleiding.’ Rokers heeft de sergeant liever niet. Elke sigaret die een sniper opsteekt, kan zijn laatste zijn: 'Collega’s kijken uit naar rook en oplichtende peukjes. Gebrek aan nicotine kan bovendien leiden tot fatale zenuwtrekjes. Maar de mannen zijn gespannen, dus wordt er toch gerookt. Daaraan helpen geen duizend sergeants. Dit is de laatste dag voor het examen. Het zwaarste onderdeel, dat nog één keer geoefend kan worden, is het stalken, het onopgemerkt doorkruisen van vijandelijk gebied. De twaalf snipers in spe moeten over een afstand van ongeveer een kilometer een observatiepost besluipen en uitschakelen met een gericht schot op minder dan tweehonderdvijftig meter. Ook na het lossen van het schot mogen ze niet zichtbaar zijn. De observatiepost bestaat uit twee mariniers die reeds lang hun sluipschuttersbrevet op zak hebben. Ze zitten op klapstoeltjes en turen onafgebroken in veldkijkers. 'Die jongens kunnen met het blote oog op honderd meter iets vreemds zien aan een graspolletje’, zegt de sergeant. De sniper-rekruten zijn gehuld in ghillie suits, zelf in elkaar geknutselde camouflagepakken, benaaid met kleine stukjes jute, naar eigen inzicht bijgekleurd met verf uit kleine spuitbusjes. Elke sniper heeft een paar van zulke pakken, geschikt voor verschillende terreintypen. Gekleed in een professioneel gefröbelde ghillie is een sluipschutter in de woestijn tot op vijf meter nagenoeg onzichtbaar. De gezichten van de mannen zijn voorzien van heidekleuren en gaan verscholen achter netten en takjes die van de helm naar beneden hangen. Hun geweren zijn dofgeschuurd, de handen gehuld in groene of zwarte handschoenen, horloges en kompas afgedekt. De ligging van de observatiepost moeten ze afleiden uit een summier kaartje dat ze meekrijgen. Het opsporen, ongezien besluipen en uitschakelen van de post kan uren duren. In de observatiepost is het al na een half uur prijs. 'Jezus zeg, dat kán toch niet. Moet je dat nou zíen, man.’ De andere observator schudt zijn hoofd en legt zijn kijker weg. Hij ziet het zo ook wel. 'Haal die vent daar weg, alsjeblieft’, zegt hij in de microfoon van zijn headset. Honderden meters verder wandelt een instructeur die radiografisch met de post in verbinding staat, naar een ogenschijnlijk volkomen willekeurig plukje heidegras. 'Vraag die vent wat hij daar verdomme aan het doen is’, zegt de observator. 'Probeert-ie soms de skyline van Manhattan te imiteren?’ Een voor een worden de voor een leek volstrekt onzichtbare snipers ontdekt. Na een poosje klinkt toch een schot. Vlak daarop nog een. De sniper heeft zich verscholen in een struik op tweehonderd meter afstand. Al zijn kameraden zijn uitgeschakeld. Na afloop worden de mannen stevig aangepakt door de korporaal. De sergeant staat er hoofdschuddend bij. 'Zo langzamerhand interesseert het me geen kloot meer, mannen. Ik heb de opdracht jullie zo goed mogelijk het examen te laten ingaan, maar ik word er godvergeten pissig van dat ik mijn tijd aan het verdoen ben. Wat doen we als we merken dat we onbeschut midden op de hei liggen? Blijven we dan voorwaarts gaan?’ (Stilte) 'Nee, korporaal’, jengelt de korporaal. 'Dan gaan we terug en pakken we de bosrand. Open terrein is zelfmoord. Stelletje nietsnutten.’ Niemand waagt het een sigaret op te steken. GENERAAL-MAJOOR Klop: 'Ik hoop dat de samenleving de marinier ziet als een pittig getrainde vent die met gevaar voor eigen leven goed werk verricht. Iemand voor wie je om die reden respect hebt. Een heel ander beeld dan dat van de marinier die hippies van de Dam jaagt en junks op perron nul molesteert. Dergelijke incidenten kunnen niet door de beugel, al zou de halve samenleving haar steun betuigen. We zijn er ter ondersteuning van het gezag, niet om het in eigen hand te nemen. Dat ons werk soms mensen aantrekt met een rauw karakter is logisch. Er wordt nogal wat nadruk gelegd op fysieke prestaties. Natuurlijk is er de neiging van macho-gedrag. Ik zeg dan: je moet niet flink doen in de kroeg maar op heuvel 83, bij min dertig en met een wind van 25 knopen, als de aflossing nog vijf dagen op zich laat wachten.’ De Rotterdam ligt in de haven van Den Helder. Tweeëndertig meter hoog. Een kleine stad met 611 inwoners, een haven, een vliegveld en een ziekenhuis. Het splinternieuwe amfibisch transportschip is ontworpen om marinierslandingen op grote schaal uit te voeren. De Rotterdam liep drie dagen eerder van stapel dan gepland om mariniers naar Albanië te verschepen. Het schip is net weer terug. Naast een bataljon mariniers kan de Rotterdam ook landingsvaartuigen (LCU’s), helikopters en andere voertuigen vervoeren. Het schip is de mobiele uitvalsbasis van het korps. 'En ze is hartstikke goedkoop’, galmt majoor der mariniers Frank van Sprang in de metershoge hangar van de Rotterdam. 'Maar tweehonderdvijftig miljoen. Dat is geen geld voor een modern oorlogsschip.’ Aan de achterkant van het schip zakt langzaam een gigantische klep naar beneden. Het dok loopt vol water. Hiervandaan vertrekken landingsvaartuigen vol mariniers en equipment op weg naar de kust. 'Een puur Nederlands product’, zegt majoor Van Sprang trots. Aan de overkant van het Marsdiep, twintig minuten varen met de veerpont, is de Joost Dourleinkazerne gevestigd. Hier, in de Mokbaai op Texel, krijgen de mariniers hun amfibische training. Ook de Belgische paracommando’s volgen er een opleiding, in ruil voor het trainen van Nederlandse mariniers in parachutespringen en 0 bergbeklimmen. Naast de kazerne staat een volkomen verwoest gebouwtje. De BBE heeft het gebruikt voor een oefening, vertelt luitenant-kolonel der mariniers A. Kerssemeijer, commandant van de kazerne. De luitenant-kolonel is tevens commandant van het amfibische ondersteuningsbataljon. Kerssemeijer: 'Wij zijn de handen en voeten van het Korps Mariniers. Amfibische operaties vormen het hart van elk marinierskorps. Daarom zijn we heel blij met de Rotterdam. Vroeger moesten we meeliften met de Engelsen omdat we geen eigen transportschepen hadden. De Rotterdam biedt ongekende mogelijkheden. Via de internationale wateren kunnen we bijna overal komen en we hoeven niet meer te wachten op toestemming voor het vervoer van troepen over vreemd grondgebied. Je zag het bij Albanië. We waren er in een mum van tijd. Het expeditionaire karakter van de Nederlandse marine is flink toegenomen.’ KAPITEIN DER mariniers Ronald Schepel heeft zijn landingsboot afgemeerd in de Mokbaai. 'Hadden ze geen aardappels op de kazerne?’ Hij had het nog zó gezegd toen we uit Den Helder vertrokken. 'Je moet een aardappel om je nek hangen, dan ruik je de aarde. Helpt fantastisch tegen zeeziekte.’ Het is maar een halfuurtje van Texel terug naar Den Helder met de landingsboot. Maar de wind is straf en het scheepje schommelt vervaarlijk. Amerikaanse mariniers gebruiken amtrax, amfibische voertuigen. Die zijn nog instabieler dan landingsboten. De commandanten zitten steevast bij een opengeklapt raampje, zodat ze vrij kunnen kotsen, en de volle helmen van hun mariniers kunnen legen. Schepel doet alsof hij niet ziet dat ik groen word en biedt een sigaret aan. 'Het is een kwestie van aanleg’, zegt hij terwijl hij wijdbeens op het dek staat. 'Je kunt er niet overheen groeien. Zie je ook bij mariniers. Ik heb er wel vervoerd die me bezwoeren dat ze overboord zouden springen als we niet gauw zouden aanleggen. Daarom schreeuwen die jongens ook zo als ze het strand op stormen. Blij dat ze weer aan land zijn.’