Samenwerking Navo-troepen in Uruzgan

Navo-dubbelspel

Georgië wordt genoemd als bondgenoot van Nederland bij een verlenging van de Uruzgan-missie. De Georgische strijdkrachten hebben echter een belabberde reputatie. Voer voor Taliban-propaganda.

‘De verlenging is wat ons betreft een feit’, concludeerde een pvda-Tweede-Kamerlid afgelopen week in de Volkskrant. Een meerderheid van de fractie wil ‘een verantwoorde afbouwmissie’ door anderhalf jaar te plakken aan de Navo-missie in Uruzgan, waaraan Nederland zich twee jaar heeft gecommitteerd. In augustus volgend jaar loopt de huidige uitzendtermijn af. Al weken wordt een kabinetsbesluit over verlenging verwacht.

Tot nog toe wezen voorbarige ministeriële uitspraken en een uitgelekt document erop dat de regering wil doorgaan, mits Nederland de leiding behoudt en minder troepen levert. Een voorwaarde is bovendien dat naast de Australiërs ook andere landen Isaf-troepen naar Uruzgan sturen. Navo-leden Hongarije en Slowakije zegden elk vijftig man toe. Aspirant-lid Georgië wil tweehonderd militairen leveren. Er is nog geen definitief besluit genomen, onderstrepen verschillende pvda’ers. De fractie wil weten wie de Nederlandse militairen opvolgen als zij uiteindelijk uit Uruzgan vertrekken.

De vraag hoe samenwerking met de toegezegde troepen eruit zal zien, is echter veel belangrijker. Daarvan hangt het verloop van de missie in de verlengingsperiode af. Tijdens operatie Spin Ghar in de Baluchivallei, die nu zijn consolidatiefase ingaat, werken Nederlanders samen met Britten van het Royal Gurkha Regiment. Taal is geen probleem, toch verloopt de samenwerking niet vlekkeloos. Tijdens de Nederlandse operatie hadden de troepen maar bitter weinig informatie over de vorderingen van de Gurkha’s elders in de vallei. Soms klonken zware explosies die niet door Nederlanders werden veroorzaakt. Dan stond iedereen op scherp en knetterde het radioverkeer.

‘Laat in het vervolg even weten wanneer je de boel opblaast.’ ‘Dat waren wij niet. Het zullen de Gurkha’s wel zijn geweest.’

Een Nederlandse luitenant prentte voorafgaand aan een gevechtspatrouille zijn mannen in goed op te letten, omdat hij geen idee had waar de Gurkha’s zich bevonden. ‘Er komt nauwelijks informatie los van dat deel van het front, jongens. Het is niet de bedoeling dat dit operatie blue on blue wordt’, zei hij, verwijzend naar de militaire term voor het beschieten van eigen troepen.

Navraag in Uruzgan leerde dat veel militairen sceptisch staan tegenover samenwerking met Hongaren, Slowaken en Georgiërs, die het Engels nauwelijks machtig zijn. Ook samenwerking met Fransen, die hebben aangeboden de begeleiding van het Afghaanse regeringsleger ana van de Nederlanders over te nemen, stuitte op bedenkingen. Een Nederlandse militair die op dit moment het ana begeleidt, legde uit dat dit verstrekkende gevolgen kan hebben: ‘Wij moeten goed kunnen opereren met het ana. Zij moeten het hier overnemen, het is hun land. Maar Fransen spreken nauwelijks Engels, dus zullen we extra tolken nodig hebben die het Frans vertalen naar Engels of Nederlands.’ Ook maakte hij zich zorgen om het verschil in mentaliteit: ‘Ik vrees dat de Fransen het Vreemdelingenlegioen zullen inzetten om het ana te begeleiden. Wij proberen de Afghanen juist te leren dat contraguerrilla terughoudendheid betekent. Dat hoef je van een legionair niet te verwachten.’

Het ziet ernaar uit dat bij verlenging Georgië een belangrijke partner wordt. Het land heeft tweehonderd militairen toegezegd. Een dergelijke samenwerking levert echter, naast communicatieproblemen en operationele verschillen, een imagoprobleem op. In de contraguerrilla die Isaf in Zuid-Afghanistan voert en die eigenlijk een strijd om ideeën is, kan dat desastreus zijn.

Vorige week liepen in de hoofdstad Tblisi demonstraties van de oppositie tegen president Michail Saakasjvili uit de hand. Die riep de noodtoestand uit. De politie trad hard op, vrije media werden aan banden gelegd en ook het leger, waarmee Nederland zou moeten gaan samenwerken, werd tegen de demonstranten ingezet. Saakasjvili’s onbehouwenheid lijkt zelfs het Navo-lidmaatschap in gevaar te brengen. ‘Het uitroepen van de noodtoestand en het sluiten van mediakantoren in Georgië, een partner waarmee de Alliantie een geïntensiveerde dialoog voert (bedoeld als voorbode van Navo-lidmaatschap – jb), zijn zeer zorgelijk en niet in lijn met Euro-Atlantische waarden’, waarschuwde Navo-secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer.

De Georgische strijdkrachten hebben een zeer slechte reputatie op mensenrechtengebied. Terwijl Europa begin jaren negentig in de ban was van de wreedheden in Kroatië en Bosnië, speelde zich verder naar het oosten een al even gruwelijke oorlog af. In de periode 1992-1993 vochten orthodox-christelijke Georgiërs en islamitische Abchaziërs een bloedige oorlog uit, waarin de etnische haat al net zo moedwillig werd aangewakkerd door de machthebbers als in het voormalige Joegoslavië. De strijd duurde zestien maanden, er vielen achtduizend doden (onder wie vele non-combattanten) en achttienduizend gewonden, 240.000 burgers werden van huis en haard verdreven. De oorlog is vergeten in het Westen maar springlevend in Georgië en Abchazië – alweer een onrustbarende overeenkomst met het verscheurde Joegoslavië. Hoe zou de Nederlandse regering reageren als Servië militair bondgenoot in moslimgebied zou willen worden?

Beide partijen beroofden, intimideerden, vermoordden en verkrachtten burgers. Georgische militairen deden in fanatisme nauwelijks onder voor de Tsjetsjeense en Ingoesjeetse moedjahedien_,_ die hun Abchazische moslimbroeders te hulp schoten. De wreedheden werden door Human Rights Watch onderzocht en in maart 1995 gedocumenteerd in een uitgebreid rapport. De organisatie schetste het patroon van de wreedheden als volgt: ‘In een typisch scenario, volgens ooggetuigen door zowel Georgische als Abchazische strijdkrachten tegen burgers in de praktijk gebracht, werd een man op straat tegengehouden door gewapende mannen en gevraagd naar zijn identiteit of woonplaats. Als hij zich identificeerde als behorend tot een vijandige groep, werd de man vernederd, bedreigd en geslagen met vuisten en geweerkolven. Daarna werd hij gedwongen hen naar zijn huis te brengen, waar zij de familie, inclusief kinderen, sloegen en intimideerden en soms, één of allemaal tegelijk, onderwiepen aan schijnexecuties waarbij anderen moesten toekijken. Daarna werd de familie beroofd en soms werden de mannen meegenomen. Soms om hen en hun families te terroriseren, soms om hen te martelen en executeren. Vaak werden de bezoeken herhaald. Dergelijk etnisch georiënteerd misbruik joeg veel mensen op de vlucht.’

Nog in juli 2006 laaide de strijd in Abchazië weer op, toen strijd werd geleverd in de Kodori Kloof. ‘Ons doel is Abchazië. Ons doel is de verdediging van ons land. Ons doel is dat onze vijanden weten dat we vrede willen, maar dat we elke poging delen van ons land af te pakken, zullen vergelden’, zei Michail Saakasjvili in 2004, toen de Rozenrevolutie hem nog maar net aan de macht had gebracht. Abchazië is nog steeds zijn doel, en dreiging met militaire macht nog steeds zijn middel. Ook Zuid-Osetië, een regio die net als Abchazië probeert weg te breken van Georgië, moet volgens Saakasjvili weer onder Georgisch gezag komen.

De basis van de huidige, geprofessionaliseerde strijdkrachten wordt gevormd door de voormalige Nationale Garde, die de mensenrechtenschendingen in Abchazië pleegde. Nog steeds is corruptie er een gangbaar verschijnsel. Inmiddels hebben de Amerikanen zich met een _train and equip-_programma over de militairen ontfermd. De Amerikanen willen graag militaire invloed in de roerige Kaukasus, waar Tsjetsjeens extremisme op de loer ligt. Bovendien vullen de Georgiërs de gelederen aan van gesneuvelde Amerikanen. In juli stuurde het land nog eens 1400 militairen naar Irak, waar nu ruim tweeduizend Georgiërs zijn gelegerd.

Volgens Amnesty International is het zorgelijk gesteld met de mensenrechten in Georgië. ‘Ook in de tijd na de Rozenrevolutie, toen het allemaal rozengeur en maneschijn leek te zijn, zijn wij kritiek blijven uiten. Maar die werd niet gehoord’, zegt Amnesty-woordvoerder Ruud Bosgraaf. Het belangrijkste kritiekpunt betreft de uitpuilende gevangenissen, waar de leefomstandigheden miserabel zijn. ‘Er is sprake van mishandeling en marteling. Onder Saakasjvili ging de straffeloosheid door. Er werd geen vervolging ingesteld voor mensenrechtenschendingen en er deden zich nieuwe gevallen van mishandeling en marteling voor. Vorig jaar nog overleed daardoor een gevangene.’ Volgens Amnesty, dat geen uitspraken doet over de wenselijkheid om met Georgië onder VN-mandaat samen te werken in Afghanistan, hebben de ordetroepen vorige week de VN-richtlijnen voor proportioneel geweld geschonden.

Ongetwijfeld zullen Nederlandse politici zeggen dat het verband zo niet gelegd mag worden. Georgië is een democratie, Georgië heeft een door Amerikanen getrainde, gemoderniseerde krijgsmacht, het is niet eerlijk Georgië af te rekenen op zijn binnenlandse problemen. Maar in de contraguerrilla telt slechts de propaganda die Taliban-strijders zullen loslaten op de bevolking van Uruzgan. In de dorpen waar zij binnentrekken, beleggen ze sjoera’s, vergaderingen van dorpsoudsten en familiehoofden, om hun boodschap te verkondigen. In de orale cultuur die in de provincie heerst, zal het een koud kunstje zijn de mensen duidelijk te maken dat de Georgiërs nooit gekomen kunnen zijn om te helpen, gezien hun moordpartijen in islamitisch Abchazië. Bovendien vochten ook Georgische militairen in Afghanistan ten tijde van de Russische bezetting. Hetzelfde geldt voor de Esten, die momenteel de Britten helpen in de provincie Helmand. Zij worden door de bevolking ‘Russen’, genoemd, aldus een fotograaf die enige tijd bij een Estse eenheid verbleef: ‘Hun voorwaartse bases worden voortdurend aangevallen.’ Het is eervol de ‘Russen’ te bestoken met mortieren en raketten, legt hij uit. De Esten doen nu wat ze ook deden toen ze nog meestreden met de sovjets. Ze slapen buiten in de woestijn. Daar zijn ze veel moeilijker vindbaar voor de opstandelingen. ‘Wat mij opviel: als Nederlanders of Britten worden bestookt, barst na de aanval het gekakel en de stoere praat los. De Esten blijven ook na de aanval cool. Zij weten dat stoom afblazen zinloos is in Afghanistan, vertelden ze me. Hun Afghaanse ervaringen zijn goed bewaard in de krijgsmacht.’

Onder de Afghaanse bevolking staan de moedjahedien_,_ die zich indertijd middels een jihad tegen de sovjets verhieven, in hoog aanzien. De nieuwe gouverneur van Uruzgan, Asadullah Hamdam, is er een. Zij zullen vatbaar zijn voor het Taliban-argument dat de Navo dubbelspel speelt. Je hoort het de Taliban-commandant al verkondigen in een sjoera: ‘Hoe goed kunnen de Nederlanders het voorhebben met jullie als ze Russen toelaten om in Afghanistan hun moorddadige werk af te maken?’