Commentaar: Nawijn

Nawijn vereist méér dan verontwaardiging

In de Verenigde Staten woedde de afgelopen dagen een strijd onder aanklagers van verschillende staten die wedijverden om de berechting van de twee gevangengenomen scherpschutters die Washington en omgeving onveilig maakten. Omdat één van de schutters nog minderjarig is, had ook de minister van Justitie een mening: laat ze voor het gerecht komen in de staat waar ook voor kinderen de doodstraf bestaat.

Dat de twee schutters de doodstraf krijgen, is voor het Amerikaanse publiek net zo vanzelfsprekend als voor Nederlanders het verbod op de doodstraf. Dat wil zeggen, voor Hollandse juristen en politici. Al jaren blijkt uit peilingen dat een groot deel van de Nederlandse bevolking verklaard voorstander van de doodstraf is. Volgens onderzoeken schommelt het percentage tussen de 35 en 40. Toch is het geen onderwerp van politieke deliberatie: de discussie erover wordt nog slechts in uithoeken van de samenleving gevoerd. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty prijst Nederland hierom; sommige beginselen moeten volgens Rorty voor «absoluut» worden genomen, ze behoren als onvatbaar voor rationele argumenten te worden gehouden. Niemand heeft het recht een ander het leven te benemen, ook de staat niet. Dat moet een uitgangspunt zijn, geen opvatting. De Nederlandse auteur Gerrit Krol schreef, terugkijkend op de reacties naar aanleiding van een essay waarin hij de vanzelfsprekendheid van het antidoodstrafstandpunt ter discussie stelde: «In een beschaafd land is men tegen de doodstraf.»

Met de komst van een partij die voorstaat «te zeggen wat men vindt», was het slechts een kwestie van tijd voordat ook een politicus zich aan een pleidooi zou wagen. Nu is er het interview met Hilbrand Nawijn in Nieuwe Revu, waarin hij pleit voor de doodstraf. Wellicht omdat hij niet zomaar lijsttrekker is maar deel uitmaakt van de regering krabbelde Nawijn later terug met de erkenning dat «de doodstraf niet past bij de Nederlandse cultuur», wat dat ook moge betekenen. Maar hij houdt vol dat «vreselijke misdaden navenant moeten worden gestraft». Met deze simpele onderbouwing maakt hij het de tegenstanders van de doodstraf niet moeilijk. Het is nu aan hen — gelukkig, eindelijk weer! — om principiële argumenten aan te voeren, zoals Koestler en Camus deden in de jaren vijftig, of juist praktische, zoals Ger Groot deed in een essay in De Groene Amsterdammer van 23 februari van dit jaar.

Zolang intellectuelen in de zelfvoldane slaap blijven waar Rorty ze wil hebben, zal de discussie slechts woeden in het open riool van de nieuwe politiek, met alle gevaren van dien. De motieven van Nawijn mogen dan onnobel zijn, en zijn argument bijna zwakzinnig, zijn pleidooi roept om tegenspraak, niet alleen verontwaardiging.