Langs mijn boekenkast lopend, pak ik er uiteindelijk twee boeken uit. Dat het uitgerekend deze twee zijn geworden, zal geen toeval zijn. Ik ben aan het nadenken over wat ik in de jaren dat ik politiek redacteur was in Den Haag heb zien veranderen.

Het ene boek heet De voorspellers: Een kritiek op de toekomstindustrie. En is terugkijken niet een achteraf voorspellen wat er is gebeurd? Het andere heeft als titel The Sound Bite Society, over de invloed van de televisie op de Amerikaanse geestesgesteldheid. De titel is des te prangender omdat we inmiddels leven in een wereld van korte, nog sneller beschikbare citaten die niet alleen via de televisie, maar ook door iedereen op elk moment van de dag op een mobiele telefoon de wereld in kunnen worden geslingerd.

The Sound Bite Society van auteur Jeffrey Scheuer begint met dichtregels van W.H. Auden.‘Time makes old formulas look strange,/ Our properties and symbols change,/ But round the freedom of the will/ Our disagreements centre still’

Eerlijk gezegd was ik deze dichtregels vergeten, het boek is dan ook al uit 1999. Maar ze raken me. Ik heb zelfs de neiging eraan toe te voegen: onze meningsverschillen lijken groter te zijn geworden, de onverdraagzaamheid tegenover andere meningen alleen maar erger, tot en met bedreigingen én moord aan toe. Maar, indachtig de boodschap van De voorspellers van Rein de Wilde: ga ik nu niet te kort door de bocht, heb ik wel voldoende historisch overzicht?

Toen ik ongeveer twintig jaar geleden het boek van De Wilde las – destijds was hij hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Maastricht – zette hij me met een passage op het verkeerde been. Hij had het over een nieuwe technologie waarvan wetenschappers voorspelden dat het daarmee voor politici voortaan makkelijker zou zijn hun kiezers te bereiken. Ik dacht dat hij het over het toen relatief nieuwe internet had. Maar De Wilde doelde op de radio; het eerste Nederlandse radioprogramma werd in 1919 uitgezonden. Nu zouden politici hun kiezers makkelijker en directer kunnen bereiken met behulp van nog weer nieuwere uitvindingen en mogelijkheden, zoals Twitter, Facebook, Instagram, kortom de socials, zoals een perswoordvoerder van een Kamerfractie de sociale media onlangs kortweg aanduidde.

Denk ik dan dat er in de afgelopen decennia niks is veranderd in de Haagse politiek, en in de Haagse journalistiek? Nee, dat denk ik niet. Maar De Wilde waarschuwt me voorzichtig te zijn met interpreteren, ook al kijk ik juist terug.

De tijd maakt dat oude gebruiken vreemd lijken, dat lees ik in de eerste dichtregels van Auden. Dat merkte ik onlangs zelf toen ik een jonger iemand vertelde over mijn begintijd in de journalistiek. Op je computer heb je de functies ‘knippen’ en ‘plakken’ die je kunt gebruiken om tekstbestanddelen op te pakken en ergens anders neer te zetten of helemaal te verwijderen. Dat die aanduidingen nog stammen uit de tijd van de typemachines wist hij niet. Hij moest erom lachen dat er aan dat ‘knippen’ en ‘plakken’ nog een echte schaar en plakstift te pas kwamen toen ik in 1980 in de journalistiek begon.

Wat anno nu ook ‘vreemd’ klinkt is dat in de kabinetsformatie van 1986, de eerste die ik meemaakte, er op het Binnenhof slechts één camera was om de toenmalige onderhandelaars van mogelijke coalitiepartijen op te wachten als ze na hun overleg naar buiten kwamen. Die ene camera werd bemand door een medewerker van de nos. Inmiddels staan bij het Logement, waar nu wordt onderhandeld over een nieuw kabinet, naast de nos-camera ook camera’s van afzonderlijke programma’s van de publieke omroepen, en van commerciële omroepen en dagbladen. Bovendien kan elke journalist met zijn mobiele telefoon nu beeld en geluid opnemen. Evenals burgers overigens. Die hangen nu vaak in groten getale rond op het Plein, met hun telefoon in de aanslag, om toe te snellen als vvd-leider Mark Rutte en zijn collega’s Sigrid Kaag van d66, Wopke Hoekstra van het cda, en Gert Jan Segers van de ChristenUnie daar komen aanlopen of weggaan.

Al die camera’s hebben invloed op het doen en laten van politici. Al was het maar omdat zij vaker dan voorheen een reactie moeten geven over een en hetzelfde onderwerp, waardoor je al snel hoort dat ze steeds dezelfde frase herhalen. Wat dan niet alleen komt doordat ze zo vaak op min of meer dezelfde vragen moeten reageren, maar doordat ze als gevolg van de komst van al die camera’s mediatraining hebben gehad. En daar hebben geleerd om bij een politiek brisant onderwerp al vooraf te oefenen op wat ze kort en krachtig zullen gaan zeggen, op een soundbite die lekker bekt en waarvan ze hopen dat die zal blijven hangen. Eén ding weet ik zeker: de eerste minister-president die ik meemaakte in Den Haag, cda’er Ruud Lubbers, praatte allesbehalve kort en krachtig, zijn zinnen meanderden vaak onnavolgbaar ver.

Eind jaren tachtig zat ik een keer met een perswoordvoerder te praten op een bankje bij zijn werkkamer. Er kwamen Kamerverkiezingen aan en hij maakte zich zorgen over de grote rol die mediabekendheid was gaan spelen bij het opstellen van de kandidatenlijst. Hij vreesde dat Kamerleden met veel inhoudelijke kennis, die gericht zijn op het maken en controleren van wetten, steeds minder op de lijst zouden komen. In de media verschijnen is een graadmeter aan het worden, voor noest werkende backbenchers is steeds minder plaats. Dat was kort samengevat zijn waarschuwing.

De berichtgeving gaat nu sneller, vaker, directer. Maar voor journalisten is wél een rol gebleven

Backbenchers zijn er nog steeds, maar dat zijn bij lange na niet altijd Kamerleden die vooral inhoudelijk bezig zijn. Door de grote schommelingen in de verkiezingsuitslagen en de versnippering in de Kamer komen en gaan veel Kamerleden zonder dat ze überhaupt voldoende ervaring hebben opgedaan om hun taak goed te kunnen uitoefenen. Wel is het zo dat in de media verschijnen belangrijk is, welhaast een doel op zichzelf lijkt te zijn geworden. Nog meer dan de perswoordvoerder destijds al vreesde.

En wat werkt dan beter dan een goede rel? Aandacht verzekerd. Niet alleen het Kamerlid zelf heeft daar baat bij – tenzij de persoon in kwestie juist het slachtoffer is van de rel – ook media die vooral gespitst zijn op hypes en reuring doen dat met het oog op de kijkcijfers, oplages en kliks. En die kliks kunnen de Kamerleden inmiddels grotendeels zelf genereren, met soundbites op hun eigen Twitter-account of zelf gefabriceerde filmpjes op Facebook.

Wat zo’n honderd jaar geleden met de komst van de radio werd voorspeld, lijkt nu dus werkelijkheid te zijn geworden: politici kunnen hun eigen boodschappen de wereld in zenden en daarmee rechtstreeks kiezers bereiken. Daar hebben ze de Volkskrant, Trouw, kro-ncrv, de nos of De Groene Amsterdammer niet meer voor nodig. Of klopt dat ook nu niet?

Toen ik in de jaren tachtig voor de Volkskrant werkte, was dat al geruime tijd geen katholieke krant meer. De sloop van de verzuilde samenleving waarin je als katholiek, protestant of arbeider een bijpassende krant las, naar een bijpassende school ging, je bij een bijpassende vakbond aansloot en op een bijpassende politieke partij stemde, was al begin jaren zestig ingezet.

Maar wie had bij die afbraak kunnen bedenken dat de zuilen zouden plaatsmaken voor de bubbels waarin velen nu leven? Ook nu van gelijkgezinden, maar dan niet op basis van een geloof of levensovertuiging, maar op basis van lifestyle, complotdenken over de herkomst van het coronavirus, een verlangen naar een niet-bestaand verleden, weerzin tegen buitenlanders, voorkeur voor veganistisch eten of wat dan ook. En die bubbels van nu worden niet aangestuurd door voormannen – of een enkele voorvrouw – zoals destijds de zuilen, maar door algoritmen die de ‘bubbelleden’ steeds verder naar binnen zuigen en hen daarmee het zicht op andere meningen en invalshoeken ontnemen. Al gold toen net zoals nu geldt: mensen zijn niet willoos, al was je kritisch opstellen tegenover dominee en pastoor destijds niet makkelijk, zoals het nu niet eenvoudig is je te verzetten tegen algoritmen.

Weten politici via de socials al die afzonderlijke bubbels te bereiken? Of beperkt hun bereik zich vooral tot de eigen volgers? Bij velen zal het dat laatste zijn. En dat zijn dan juist de Kamerleden die toch al relatief weinig volgers hebben. Maar wat zie je bij Kamerleden met veel volgers? Dat hun bekendheid juist groeit met behulp van de oude media. Pas als die hun tweets of filmpjes oppikken gaan ze echt ‘vliegen’: veel volgers leidt tot optredens op radio of televisie en tot aandacht in de kranten, wat weer leidt tot meer volgers, enzovoort. Wat daarbij helpt zijn opvallende soundbites waarin ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken worden versimpeld. Niet het op gedegen wijze je Kamerwerk doen.

Kijk naar het Kamerlid Caroline van der Plas van de BoerBurgerBeweging, pas politicus sinds de verkiezingen van maart dit jaar in een eenvrouwsfractie. Zij heeft inmiddels een kleine zeventigduizend volgers op Twitter – meer dan cda-leider Wopke Hoekstra – ze is bijna niet weg te slaan van de televisie, want goed voor de kijkcijfers, en haar bbb staat daardoor inmiddels hoog in zetelaantal in de peilingen, die dan weer via de oude media wereldkundig worden gemaakt, wat dan weer leidt tot… en ga zo maar door.

Nieuwe technieken hebben in de iets meer dan veertig jaar dat ik journalist was het journalistieke werk ingrijpend veranderd. Toen lijkt nu vreemd. De berichtgeving gaat nu sneller, korter, vaker, directer. Maar er is voor journalisten wél een rol en verantwoordelijkheid gebleven. Politici kunnen inderdaad makkelijker en directer dan in de tijd van alleen de radio eventuele kiezers bereiken. Maar ze hebben nog steeds journalisten nodig om een grotere naamsbekendheid te krijgen. En daarmee kiezers, of juist geen kiezers.

Zonder onderzoek van journalisten was de toeslagenaffaire niet boven water gekomen. Zonder gedegen journalistiek werk was cda’er Sywert van Lienden niet door de mand gevallen als een op geld beluste nep-filantroop. Zonder alerte persfotograaf was Mark Rutte niet te betrappen geweest op plots geheugenverlies over een functie elders voor Kamerlid Pieter Omtzigt. En Caroline van der Plas kan twitteren wat ze wil aan haar vele volgers, het is aan journalisten haar te volgen op haar daden als Kamerlid.

Maar het journalistieke werk gaat om meer dan dit soort affaires die makkelijk in soundbites zijn samen te vatten. Er is veel veranderd, zoals Auden in zijn dichtregels schreef. Wat is gebleven zijn de meningsverschillen over hoe wij de samenleving willen inrichten. Dat is waar politiek over gaat. Soms denk ik dat die verschillen nu groter en heftiger zijn dan veertig jaar geleden. Maar historici hebben daar beter zicht op dan ik. En is niet elke tijd een overgangstijd, zoals historicus Thomas von der Dunk schreef? En overgangstijden gaan gepaard met discussies, belangenstrijd, kortom: voer voor politiek. Ik hoop dat de ‘oude media’ niet alleen een podium bieden aan de soundbites van politici, maar hen ook kritisch blijven volgen op hun daden. Want daaraan moeten kiezers politici kunnen toetsen. Zelf zal ik daar op deze plek geen bijdrage meer aan leveren. Dit is mijn nawoord.