Nazi-duivel

RIJKSPROPAGANDA-minister van de nationaal-socialisten, Joseph Goebbels, heeft het in zijn dagboeken vaak over acteur-regisseur Gustaf Grundgens. 14 mei 1936: ‘Gesprekken met Grundgens. Hij klaagt over de mensen die zich binnen de nationaal-socialistische partij met cultuur bezig houden. Hij heeft gelijk. Met die mensen valt niet te werken.’ 5 september 1936: ‘Een kleine kring theatermakers op bezoek. Grundgens is heel amusant. Hij kan zo heerlijk vertellen. We amuseren ons kostelijk.’ 27 juli 1937: ‘Hitler is bezorgd over het moeras van ons Staatstheater. Hij vreest dat Grundgens spoedig naar het buitenland zal uitwijken.’ Eerste Kerstdag 1937: ‘Grundgens is directeur van ons Staatstheater geworden. Die man wordt nog eens keizer.’ Drie weken later, 21 januari 1938: ‘De hele Grundgens-kliek is homoseksueel. Ik snap de voorliefdes van Goring niet. Mijn vingers jeuken om in te grijpen.’

Gustaf Grundgens (1899-1963), acteur, regisseur en theaterleider, heeft zichzelf in de Weimar-republiek (1919-1933) als een komeet gelanceerd. Veldmaarschalk Hermann Goring (getrouwd met de actrice Emmy Sonnemann - Grundgens heeft haar carriere sterk beinvloed) beschermt hem persoonlijk. Rijkspropaganda-minister Joseph Goebbels haat Gustaf Grundgens tot in zijn botten. De theatermaker Grundgens moet derhalve twaalf jaar manoeuvreren tussen twee machtige mannen in. En hij manoeuvreert meesterlijk. Hij is een overlever, tijdens en direct na de nazi-tijd. Als Goebbels allang zelfmoord heeft gepleegd en Goring in Neurenberg voor zijn rechters staat, heeft Grundgens - net terug uit een Russisch interneringskamp - in 1946 alweer een belangrijke positie verworven in het Duitse theater. Hij triomfeert in Berlijn, te midden van teruggekeerde ballingen en overlevenden uit de concentratiekampen. Ze nemen hem niets kwalijk. Hij wordt als acteur opnieuw gerespecteerd.
ER BESTAAN VEEL (autobiografische) geschriften van Duitse theatermensen die na de machtsovername in 1933, na de Reichskristallnacht in 1938 en na het uitbreken van de oorlog in 1939 ‘gewoon’ zijn blijven doorwerken (totdat in 1944 alle Duitse theaters worden gesloten). De grondtoon van die geschriften is meestal: het klimaat was goed, en wij waren uiteindelijk kunstenaars, let wel: apolitieke kunstenaars. De acteur Karl Schonbock - nu geheel vergeten, toen een ster in de revue - schrijft in Wie es war durch achtzig Jahr (1988): 'Heel Berlijn was eigenlijk een groot ensemble. Een beeld dat ik ook bij Hollywood-acteurs herken. Het saamhorigheidsgevoel, ondanks concurrentiestrijd en persoonlijke carrieres, ondanks jaloezie en afgunst, die grote saamhorigheid verbond ieder die er leefde en werkte. Vooral in het oude Berlijn, dat haar bijzonderheid, haar atmosfeer ook in het Derde Rijk en tijdens de oorlog behouden heeft. Het was een stad die iedereen met open armen ontving.’
De Nederlandse Duitser Johannes Heesters, beroemd van de revue en de operette, schrijft in Es kommt auf die Sekunde an (1978): 'Ik ben altijd een apolitiek mens geweest. Ik ben kunstenaar, verder niks.’ Toen Heesters midden in de oorlog in Den Haag Lehars Der Graf von Luxemburg moest gaan zingen, heeft hij hemel en aarde bewogen om die tournee af te gelasten: 'Als ik nu, tijdens de Duitse bezetting, in een Nederlands theaterhuis Duits ga staan te zingen, dan lig ik er bij iedere rechtschapen Hollander helemaal uit.’ Op de vraag waarom Heesters nooit naar Nederland is terug gegaan, antwoordt hij: 'Ik heb in Duitsland bezit verworven, een huis gekocht, aandelen in fabrieken.’ Veel van de 'blijvers’ waren calculerende kleinburgers.
De blijvers krijgen heel wat over zich heen. Heinz Hilpert bijvoorbeeld, intendant van het Deutsches Theater (opvolger van de legendarische joodse regisseur Max Reinhardt, die eerst naar Oostenrijk en vervolgens naar Amerika vlucht), ontvangt op 15 mei 1941 een briefje van het ministerie voor Volksaufklarung und Propaganda, het departement van Goebbels: 'De minister heeft van uw speelplan kennis genomen. Hij wenst dat de stukken van Shakespeare en Shaw worden ingetrokken. Ibsen kan ook niet doorgaan. Met betrekking tot de overige plannen krijgt u binnenkort bericht. Heil Hitler!’ Hilpert is niet iemand die na zo'n briefje meteen het speelplan omgooit. Hij is een terrier, een doorbijter. Een van de weinigen.
JOSEPH GOEBBELS functioneert als de baas van de Berlijnse theaters en de filmmaatschappij UFA. Hermann Goring gaat, in zijn hoedanigheid als minister-president van Pruisen, over het Preussische Staatstheater aan de Berlijnse Gendarmenmarkt, waar Gustaf Grundgens in 1934 intendant en in 1936 General-Intendant wordt. De moordende concurrentie tussen de twee nazi-kopstukken leidt tot merkwaardige affaires. De onlangs gestorven acteur Heinz Ruhmann, werkzaam bij het Deutsches Theater, is getrouwd met een joodse vrouw, Maria Bernheim. Goebbels laat hem bij zich roepen. 'Hangt u aan deze vrouw’, vraagt hij, 'is uw huwelijk goed?’ Ruhmann antwoordt: 'Meneer de minister, ik heb alles aan mijn vrouw te danken, zij heeft mij gemaakt tot wat ik nu ben.’ Goebbels doet hem uitgeleide met het koele zinnetje: 'Went u vast aan de gedachte dat het op den duur tot een scheiding moet komen.’ Ruhmann stapt onmiddellijk over naar het Staatstheater, omdat hij denkt bij Goring en Grundgens beter af te zijn. Ruhmann schrijft in zijn memoires Das war’s: 'Goring kwam snel terzake. “Laat uw vrouw een neutrale buitenlander trouwen”, zei hij. “Dat is de eenvoudigste oplossing. Mijn zegen heeft u.” ’ Ruhmann vervolgt: 'Ik lichtte Maria in, en ze vond dat die oplossing onder de gegeven omstandigheden de beste was. Ze trouwde vervolgens met een Zweeds acteur.’
Over de in kampen opgesloten of vermoorde collega’s wordt niet gesproken. Doodgezwegen wordt derhalve acteur Hans Otto, die na de machtsovername in het communistisch verzet is gegaan en die in 1933 door drie SA'ers is doodgeknuppeld - een feit dat Goebbels zorgvuldig buiten het nieuws houdt, wat Bertolt Brecht inspireert tot zijn beroemde open brief 'Wo ist Hans Otto?’. Over de emigranten wordt uberhaupt niet gepraat. Niet over Alexander Moissi, Leonard Steckel, Elisabeth Bergner, Tilla Durieux, om maar te zwijgen van Fritz Lang, Max Reinhardt, Erwin Piscator en Bertolt Brecht. Een enkeling verzet zich. Zoals de joodse acteur Alexander Granach, die in 1933 door de nieuwe intendant van het Staatstheater Hanns Johst - een fanatieke nationaal-socialist en antisemiet - is ontslagen. Granach spant een proces aan tegen de staat Pruisen en wint. Voor hij naar Amerika emigreert, moet Hanns Johst hem vier jaarsalarissen uitbetalen.
MAAR DE MEESTEN zwijgen. En ze worden voor dat zwijgen vorstelijk beloond. Veel acteurs weten onder het nazi-bewind niet wat ze meemaken. In de nadagen van de Weimar-republiek ging het slecht met het Duitse (en vooral het Berlijnse) theater. De helft van alle acteurs was werkloos, wie wel werk had, kreeg over het algemeen een contract voor zes maanden aangeboden, nooit meer. De gages zijn laag. Onder de nazi’s verandert dat grondig. Goring en Goebbels wensen in ruime mate te delen in de roem van acteurs en (vooral) actrices, en kijken als tegenprestatie niet op een Rijksmark meer of minder. Heinz Ruhmann incasseert voor een filmrol tachtigduizend mark, het jaarsalaris van een theaterdirecteur. Zarah Leander krijgt twee keer zoveel. De actrice Luise Ullrich (25) beschikt in de jaren dertig over een villa en auto met chauffeur. En als in 1938 veel acteurs en actrices de Duitse grond wel erg heet onder de voeten wordt (na de annexatie van Oostenrijk, na de Kristallnacht en in het zicht van de steeds reelere oorlogsdreiging), kondigt Hitler de maatregel af dat acteurs nog maar over zestig procent van hun inkomen belasting hoeven te betalen. Het regent voorts prijzen en titels, onder andere die van Staatsschauspieler. Het Derde Rijk doet er alles aan om de publiekslievelingen aan zich te binden. Ze worden aan de Fuhrer-borst monddood geknuffeld.
Gustaf Grundgens is een van hen, de meest gevierde, de meest ambitieuze. De 'komeet uit Dusseldorf’, in die stad tien dagen voor de eeuwwisseling geboren. Het gezin-Grundgens (de vader stamt overigens af van een Nederlandse familie) verkeert al bij Grundgens’ geboorte in ernstige financiele problemen. Vanaf zijn vijfentwintigste moet Grundgens zijn ouders financieel helemaal in zijn eentje onderhouden. Hij heeft in een jaar (1919-1920) de opleiding aan het Schauspielhaus Dusseldorf doorlopen. Uit dat jaar dateert een foto en profil, waar hij achterop heeft geschreven: 'Bewaren tot ik beroemd ben. Mijn Griekse profiel schonk mij de natuur. 14/3/19. G.’
Een maand later treedt hij voor het eerst op, als lakei in Tolstojs Het levende lijk. Via Halberstadt, Kiel (waar hij voor het eerst Mephisto speelt) en een kort engagement in Berlijn, belandt Grundgens in het midden van de jaren twintig in de tweede belangrijke Duitse theaterstad van die dagen, Hamburg. Daar ontmoet hij Klaus en Erika Mann. Van de eerste regisseert hij het curieuze pubersprookje Anja und Esther (waarin Klaus Mann en Grundgens zelf meespelen). Met Erika Mann trouwt hij in 1925 - het huwelijk zal drie jaar stand houden.
In korte tijd is Gustaf Grundgens te groot geworden voor de tweede theaterstad van Duitsland. Hij is toe aan de eerste. Max Reinhardt engageert hem in 1928 voor het Deutsches Theater aan de Berlijnse Schumannstrasse. Grundgens stort zich met een tomeloze energie in het Berlijnse theaterleven. Hij pakt alles aan wat hij krijgen kan: film, revue, cabaret, grote toneelrollen. In de vijf jaar die nog zijn te gaan tot aan de machtsovername door de nazi’s in 1933, tellen we in totaal zeventien toneelrollen, dertien regies, twaalf filmrollen (waaronder de gangsterleider Schranker in M, ein Stadt sucht sein Morder van Fritz Lang).
Op 1 december 1932 zien de Berlijners Grundgens voor het eerst als Mephisto in Faust I, in het Staatliches Schauspielhaus am Gendarmenmarkt (Werner Krauss speelt de titelrol). Criticus Herbert Ihering is in de Berliner Borsen Courier op 3 december 1932 blij verrast en ook verbaasd: 'Grundgens flitst en vonkt. Hij speelt honderd varianten op het thema Mephisto, maar nooit het thema zelf. Hij speelt commentaar op Mephisto, geestige voetnoten, tegen de Goethe-exegeten.’ Op 21 januari 1933, tien dagen voor Hitler de macht grijpt, gaat Faust II in premiere. Ihering is in dezelfde krant op 23 januari 1933 geheel overtuigd geraakt: 'Grundgens houdt zichzelf scherp binnen het kader van de regie en bewaakt vooral de vorm van zijn personage. De geestelijke verwerking van de verzen is voorbeeldig, de dramatische slagkracht uitzonderlijk, de lichtheid betoverend.’ Het echtpaar Goring laat de acteur bloemen bezorgen. Gustaf Grundgens is definitief doorgebroken.
NA DE MACHTSOVERNAME door Hitler c.s., en zeker na de brand in de Rijksdag, nauwelijks een maand later, verlaten veel kunstenaars Duitsland. Beroemd is het verhaal van de cineast Fritz Lang, die de dag na de brand bij Goebbels wordt geroepen. De minister wil hem directeur van de filmmaatschappij UFA maken - als Goebbels de beste van de wereld (Eisenstein) niet kan krijgen, dan maar de op een na beste van de wereld. Fritz Lang, van kruin tot tenen heftig zwetend, kijkt over de schouder van Goebbels almaar naar een torenklok. Of er nog tijd genoeg is om naar de bank te gaan. Niet dus, de propaganda-minister is als gebruikelijk zeer lang van stof. Na het gesprek (hij belooft Goebbels over diens verzoek na te denken) gaat Lang meteen naar het station. Enkele reis Parijs, daarna door naar Amerika.
Niet bekend
In de zomer en de vroege herfst van 1933 filmt Grundgens in Spanje. In oktober 1933 is hij weer in Berlijn om in Hermann Bahrs blijspel Das Konzert een hoofdrol te spelen, naast Emmy Sonnemann, mevrouw Goring. Hermann Goring is minister-president van Pruisen geworden. Hij zoekt dringend een nieuwe intendant voor het Preussisches Staatstheater. Zijn echtgenote wijst hem op de leiderskwaliteiten van Grundgens. Op 26 februari 1934 wordt Grundgens benoemd, de benoeming zal aan het begin van het seizoen 1934-35 ingaan. Joseph Goebbels en zijn clique zijn woedend. De propaganda-minister begint meteen bij Hitler over Grundgens te intrigeren. Als voornaamste wapen hanteert hij Grundgens’ vermeende homoseksualiteit. Een pijnlijk punt in het jaar waarin de hele homoseksuele subcultuur binnen Ernst Rohms SA, in de Nacht van de Lange Messen over de kling werd gejaagd. Hitler geeft niet thuis en Goring trekt aan het langste eind. Het argument van Grundgens’ vermeende homoseksualiteit doet de generaal af met de zin: 'Wie flikker is, dat bepaal ik.’ De rest doet niet terzake. Grundgens kan zijn gang gaan. En hij formeert een briljant ensemble. Met naast hem de regisseurs Jurgen Fehling en Lothar Muthel. En met acteurs als Werner Krauss, Kurt Meisel, Bernhard Minetti en Heinz Ruhmann, en actrices als Marianne Hoppe en Pamela Wedekind.
GUSTAF GRUNDGENS vervreemdt zich in de jaren dertig steeds meer van zijn progressieve vriendenkring uit de Weimar-republiek. Onder hen Klaus Mann. De Exil-redacteur van de Amsterdamse uitgeverij Allert de Lange, Hermann Kesten, doet Klaus Mann in 1935 een idee aan de hand voor een roman: 'Schrijf over een homoseksuele carrierejager in het Derde Rijk. Als model dacht ik aan meneer de staats-intendant Gustaf Grundgens.’
Klaus Mann gaat aan het werk. Het idee van Grundgens als metafoor neemt hij over. Het accent op diens homoseksualiteit verwerpt hij. Klaus Mann heeft een kortstondige relatie met Grundgens gehad, de roman zou op een persoonlijke wraakneming lijken. In de winter van 1936 ontstaat in een huis achter het Amsterdamse Concertgebouw uit diverse kladversies het eerste concept van Mephisto: Roman einer Karriere. Het boek verschijnt later dat jaar in Amsterdam. De emigrantenkrant Pariser Tageszeitung publiceert de tekst in de vorm van een feuilleton, en prijst het werk aan als een 'sleutelroman’ over Grundgens. Klaus Mann telegrafeert woedend naar Parijs: 'Mijn pijn, woede en verontwaardiging kennen grotere tegenstanders dan bepaalde toneelspelers. Zij zijn zelfs de persoon van intendant Grundgens ontgroeid.’ Hij laat een regel aan het zetwerk toevoegen: 'Alle personen in dit boek zijn typen, geen portretten.’
Het helpt niet. De kwalificatie 'sleutelroman’ zal het boek tot diep in de jaren zeventig blijven achtervolgen. De roman blijft in Duitsland, tot ruim dertig jaar na de overwinning op de nazi’s, via gerechtelijke vonnissen verboden. Pas na een op het boek gebaseerde toneelvoorstelling van Ariane Mnouchkine’s Theatre du Soleil (eind jaren zeventig, ook met veel succes in Berlijn gespeeld en via het tweede Duitse televisienet over heel Duitsland uitgestraald), en na de verfilming door de Hongaarse cineast Istvan Svabo (bekroond met de Oscar voor de beste niet-Amerikaanse film van 1981) kan uitgeverij Rowohlt de juridische decreten negeren en tot uitgave besluiten. De roman haalt binnen een jaar de oplage van 300.000 exemplaren.
De schrijver heeft het allemaal niet meer mogen meemaken. Op 12 mei 1949 schrijft hij zijn uitgever Jacobi - die de Duitse uitgave van Mephisto niet aandurft, omdat Grundgens zijns inziens in het Duitse theater 'wieder eine sehr bedeutende Rolle spielt’, de volgende, bittere tekst: 'Niks riskeren! Altijd met de macht, met de stroom mee! Men weet toch waar dit toe leidt: precies, naar de concentratiekampen waar niemand nu meer iets van wil weten. Stuur me het manuscript terug. En schrijf me niet meer!’
Negen dagen later pleegt Klaus Mann in Cannes zelfmoord, met een overdosis slaaptabletten.
IN ZIJN AUTOBIOGRAFIE Der Wendepunkt (1945) geeft Klaus Mann nog eens zijn motieven weer voor het schrijven van Mephisto: 'Het gaat niet om het afzonderlijke geval, maar om een type. Als voorbeeld had ik net zo goed ieder ander kunnen nemen. Mijn keus viel op Grundgens - niet omdat ik hem voor uitzonderlijk slecht hield (hij was misschien nog wel een stuk beter dan menig andere waterdrager van de waarden in het Derde Rijk), maar eenvoudigweg omdat ik hem toevallig bijzonder goed kende. Juist doordat wij elkaar vroeger zo vertrouwden, vond ik zijn verandering, zijn desertie zo fantastisch, zo ongeloofwaardig.’
Grundgens rechtvaardigde op zijn beurt zijn 'fantastische desertie’ met het vaak gehoorde argument: ik bleef in Duitsland om erger te voorkomen, en om individuele mensen in bescherming te nemen. Natuurlijk zijn Grundgens’ openlijke flirts met de barbaren onverteerbaar. En vanzelfsprekend is het behoorlijk mis dat hij via zijn theater de nazi’s als het ware een esthetisch en artistiek verantwoord beschavingsalibi verstrekte. Maar daarom kan Grundgens’ argument (blijven om erger te voorkomen, en om individuen te helpen) niet zonder meer met behulp van het strakke goed-foutschema naar de prullenbak worden verwezen.
Vooreerst: Grundgens heeft mensen geholpen, gesteund en uit de handen van de nazi-beulen gered. Als het antisemitische blaadje Der Sturmer van Julius Streicher in september 1934 een hetze begint tegen de 'verjoodsing’ van het theater in Grundgens’ geboorteplaats Dusseldorf, schrijft de Intendant het blad een open brief op poten. In hetzelfde jaar pakt de theatercriticus Alfred Muhr het theater van Grundgens ongenadig hard aan. Goring voelt zich aangesproken en doet zijn intendant het voorstel de criticus 'voor een korte vakantie’ naar een concentratiekamp te sturen. Grundgens antwoordt: 'Dat gaat helaas niet. Ik heb hem namelijk vandaag aan uw theater geengageerd, als dramaturg.’ Wanneer zijn oude chef uit Hamburg, Erich Ziegel, door de nazi’s in de tang wordt genomen, haalt Grundgens hem naar Berlijn en redt hem zo uit de klauwen van de Hamburgse Gestapo.
De bekendste man die door Grundgens in leven is gebleven, heet Ernst Busch, de communistische zanger-acteur. Busch verdwijnt in 1943 op het nippertje niet naar een concentratiekamp, op voorspraak van de intendant, die voor Busch de beste advocaten aanzoekt en betaalt. Er is moed voor nodig om een communist te verdedigen in het jaar waarin de nazi’s hun eerste grote nederlaag bij Stalingrad lijden.
GUSTAF GRUNDGENS is geen meeloper a la Veit Harlan, die in 1940 de smerige antisemitische propagandafilm Jud Suss draait. Grundgens probeert zich verre te houden van de 'Propaganda- und Amusierrummel’ in de UFA-films, en duldt die rommel ook niet in zijn theater. Hij verlangt en krijgt van Goring handelingsvrijheid in het bepalen van het speelplan. Binnen de gegeven beperkingen natuurlijk - 'entartete’ auteurs zijn 'nicht im Frage’, Tsjechov en Ibsen zijn, door de veronderstelde 'burgelijke decadentie’ in hun stukken, eveneens onbespreekbaar.
Geruime tijd slaagt Grundgens erin zich de nazi-cultuurbonzen en de Blut und Boden-dramatiker van het lijf te houden. Hij weet te voorkomen, zoals de joodse acteur-regisseur Fritz Kortner in zijn memoires Aller Tage Abend opmerkt, dat er aan de Berlijnse Gendarmenmarkt 'ein arisches Oi-joi-joi-Theater’ wordt gespeeld.
Grundgens provoceert ook graag. In maart 1937 gaat in zijn theaterhuis Shakespeares Richard III in premiere, in de regie van Grundgens’ rechterhand, het 'anarchistische regie-genie’ Jurgen Fehling - de nachtmerrie van de Goebbels-clique, die hem herhaalde malen vergeefs untragbar wil verklaren. Volgens de criticus Ruppel, de Berlijnse correspondent van de Kolnische Zeitung, is deze voorstelling 'een spiegeling van de nazi-heerschappij, met haar leugens, verraad en moorden, en in die zin als theatergebeurtenis adembenemend.’ Werner Krauss speelt Shakespeares derde Richard 'als de monumentalisering van de politieke misdaad - meer Goebbels dan Hitler.’
Het jaar daarop speelt Grundgens de titelrol in Fehlings enscenering van Shakespeare’s Richard II. Een eenzame, hysterische homoseksueel op de troon, omringd door een moordzuchtig politiek bedrijf, dat hij verafschuwt, negeert, niet wil zien. Voor de insiders is het duidelijk: Richard II is het gespeelde zelfportret van Gustaf Grundgens in zijn relatie tot de nazi’s.
Het politieke bedrijf van de bruine barbaren neemt Grundgens vanaf het begin van de jaren veertig steeds steviger in de tang. In 1941 wordt hij gedwongen mee te doen aan de propagandafilm Ohm Kruger, waarin moet worden aangetoond dat de Britten het fenomeen 'concentratiekamp’ hebben uitgevonden in Zuid-Afrika. Als de druk van Goebbels hem te veel wordt, neemt Grundgens - na Goebbels’ pathetische oproep tot de 'totale oorlog’ - in 1944 dienst bij de Wehrmacht, waar hij het, overigens gelegerd in Nederland, tot Feldwebel brengt. In 1945 belandt hij in een Russisch interneringskamp. In het kamp blijft hij spelen: Goethe, Schiller, Shakespeare, meestal solo. Op voorspraak van Ernst Busch komt hij na negen maanden vrij.
Op 4 mei 1946 speelt hij al weer op de plankieren van het Deutsches Theater aan de Berlijnse Schumannstrasse. Der Snob van Carl Sternheim. De rol van een opportunist. Klaus Mann zit - in het uniform van een Amerikaanse legercorrespondent - op de eerste rij. In het artikel 'Oude kennissen’ doet Klaus Mann verslag: 'Ja, hij zag me. Ik applaudisseerde beleefd. Hij had me echt herkend, boog licht mijn richting uit, maar keek meteen weer weg. De glimlach waarmee hij de ovatie van het publiek in ontvangst nam, verdween heel even, als brak de angst door voor een plotselinge pijnscheut. Even maar. Daarna had hij zichzelf meteen weer in de hand. En daar stond hij, stralend en aantrekkelijk als nooit tevoren, met zijn witte das, zijn roze gelaatskleur en blonde pruik. De onbetwistbare lieveling van Berlijn. Van voor-nazi-Berlijn. En van na-nazi-Berlijn.’
Manns observatie van 'de angst voor een plotselinge pijnscheut’ is raak. Grundgens heeft in 1946 een dramatisch slechte gezondheid. Hij houdt zichzelf dan al jaren met pijnstillers en slaapmiddelen op de been en is zwaar aan morfine verslaafd. Toch wordt hij nog twee keer intendant: eerst in Dusseldorf, en vanaf 1955 in Hamburg. Daar ensceneert hij in 1957 zijn laatste Faust, daar speelt hij nog een keer Mephisto, daar zijn de rijen voor de kassa nog een keer voorpaginanieuws.
Zijn laatste rol is Phillips II in Schillers Don Carlos - premiere in Hamburg op 20 november 1962. Joachim Kaiser schrijft in Theater Heute: 'Grundgens spreekt de versregel: “Dies Blutgericht soll ohne Beispiel sein.” En opeens ervaart de toeschouwer ontzet onder welke omstandigheden deze tragedie eigenlijk speelt. Toch is wat hier gebeurt heel particulier: men is samen met een door zijn echtgenote bedrogen oude man. Opeens realiseert de toeschouwer zich dat dit de eerste grijsaard is die Grundgens speelt. Hij blijft zacht spreken, is eenzaam, het inzicht dat hij geeft over het personage van Phillips II is verschrikkelijk. Grundgens stijgt boven het hele ensemble uit, zonder zich te forceren.’
In de zomer van 1963 geeft hij zijn laatste televisie-interview (uitgezonden door ZDF, 10 juli 1963). Daarin zegt hij: 'Ik heb de afgelopen dertig jaar almaar rollen gespeeld, ik ben vergeten te leven.’
In september 1963 vertrekt Grundgens voor een wereldreis. Op 7 oktober 1963 sterft hij eenzaam in Manila, op een hotelkamer. Hoewel zijn onverwachte overlijden nooit is opgehelderd, is de officiele doodsoorzaak ironisch genoeg dezelfde als die van Klaus Mann in 1949: een overdosis slaapmiddelen.